Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0733

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
03-700277-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak (gewoonte)heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700277-06

Datum uitspraak: 13 maart 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2006, 6 februari 2007 en van 27 februari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 5 maart 2005 in de gemeente Brunssum aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van P.L.H. Mous, hoofdagent van regiopolitie Limburg-Zuid opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal van haar auto (Volkswagen Golf, [XX-XX-XX]);

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 mei 2006 in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, doordat zij steeds en/of meermalen in die periode (telkens) geld en/of goederen, te weten winsten en/of opbrengsten afkomstig van veelvuldig, althans meermalen, door haar, verdachtes, partner [J.P.] en diens mededader(s) begane diefstal van vrachtauto's en/of trekkers en/of opleggers en/of ladingen, heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geld en/of die goederen, althans van die winsten en/of opbrengsten wist dat het door misdrijf verkregen goed betrof;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 1 mei 2006 in de gemeente Brunssum, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, opzettelijk uit de opbrengst van door misdrijf verkregen goederen (te weten steeds de buit van veelvuldig, althans meermalen, door haar, verdachtes, partner [J.P.] en diens mededader(s) begane diefstal van vrachtauto's en/of trekkers en/of opleggers en/of ladingen) voordeel heeft getrokken, immers heeft verdachte opzettelijk geprofiteerd en gebruik gemaakt van de winsten en opbrengsten verkregen door de diefstal van die goederen.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Het openbaar ministerie heeft er voor gekozen om zowel in het primaire als in het subsidiair tenlastegelegde feit niet te volstaan met de vermelding dat geld en/of goederen door misdrijf zijn verkregen, maar heeft het misdrijf in beide gevallen nader aangeduid in die zin dat het gaat om het specifieke misdrijf diefstal, meer in het bijzonder diefstal van vrachtauto’s en/of trekkers en/of opleggers en/of ladingen.

Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 29 april 1997, NJ 1997, 547 en de Hoge Raad van 30 november 1999, NJ 2000, 215 dient bij de wijze van tenlastelegging als de onderhavige het opzet van de verdachte op dat specifieke misdrijf te worden bewezen.

De rechtbank overweegt enerzijds dat op grond van het dossier grote vraagtekens kunnen worden gezet bij het uitgavenpatroon van de verdachte in relatie tot haar (betrekkelijk bescheiden) inkomen, een en ander tevens in het licht bezien van het ontbreken van legale inkomsten van haar partner [J.P.], die desondanks relatief substantiële financiële bijdragen levert aan onder meer de aankoop van de woning van de verdachte en aan het samen op vakantie gaan.

Anderzijds moet worden geconstateerd dat er in het dossier geen aanknopingspunten aanwezig zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte wist of moest vermoeden dat haar partner met anderen -kort gezegd- ladingdiefstallen pleegde. In concreto moet bijvoorbeeld worden vastgesteld dat er geen telefoongesprekken voorhanden zijn waaruit enige wetenschap of vermoedens bij de verdachte omtrent ladingdiefstallen kunnen worden afgeleid.

De uitlating van de verdachte in haar verklaring bij de politie van 2 mei 2006 dat zij nog niet eens wil weten hoe [J.P.] aan zijn geld komt, acht de rechtbank bepaald onvoldoende om bij de verdachte het (voorwaardelijke) opzet aanwezig te achten dat dit geld afkomstig is van misdrijf, laat staan van (lading)diefstal.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 5 maart 2005 in de gemeente Brunssum aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van P.L.H. Mous, hoofdagent van regiopolitie Limburg-Zuid opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal van haar auto (Volkswagen Golf, [XX-XX-XX]).

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

aangifte doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en onder 2 subsidiair zal worden veroordeeld tot

- een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en

- een geldboete van € 5.000,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van honderd dagen.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

De raadsvrouwe heeft de rechtbank gevraagd de verdachte vrij te spreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 188 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van twintig uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2007.