Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0730

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
03-700274-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring heling/strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700274-06

Datum uitspraak: 13 maart 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 december 2006, 6 februari 2007 en van 27 februari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 18 april 2006 te Valkenburg, althans in de gemeente Valkenburg aan de Geul, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (Belgisch) paspoort op naam van [J.C.] voorhanden heeft gehad, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat paspoort wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

zij op of omstreeks 18 april 2006, in elk geval in of omstreeks de periode van 26 februari 2006 tot en met 18 april 2006, te Valkenburg, althans in de gemeente Valkenburg aan de Geul, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aantal kranen (sanitair) (o.a. van het merk Plieger) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kranen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

zij rond kerst 2005, althans in of omstreeks de periode van 16 tot en met 31 december 2005, althans in of omstreeks de periode van 16 december 2005 tot en met 18 april 2006, te Valkenburg, althans in de gemeente Valkenburg aan de Geul, in elk geval in Nederland, 2 flessen champagne (Beaumont des Crayères) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die (flessen) champagne wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

zij op of omstreeks 18 april 2006 in de gemeente Valkenburg aan de Geul, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 28 dozen met daarin in totaal (ongeveer) 13.932/13.929, althans meer dan/ruim dertienduizend flesjes met daarin vloeistof/materiaal (netto gewicht (ongeveer) 366 kilogram) bevattende MDMA en/of amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

zij in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 18 april 2006, in het arrondissement Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een auto (Mercedes SLK), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten die auto, was, terwijl zij en/of haar, verdachtes, mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, althans heeft haar, verdachtes, mededader(es), op of omstreeks 29 december 2005 gezorgd dat voor die auto het Duitse kenteken [XX-XX-XX] werd afgegeven en/of heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gezorgd dat dat Duitse kenteken en/of die auto op naam van haar, verdachte, werd gezet en/of heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, althans heeft haar, verdachtes, mededader(es), op of omstreeks 29 maart 2006 gezorgd dat voor die auto het Nederlandse kenteken [XX-XX-XX] werd afgegeven en/of heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gezorgd dat dat Nederlandse kenteken en/of die auto op naam van haar, verdachte, werd gezet (terwijl die auto van [P.F.] was/is).

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om wettig en overtuigend bewezen te achten dat de verdachte en/of mogelijke mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat de onderhavige Mercedes middellijk of onmiddellijk uit misdrijf afkomstig was.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte weliswaar te kennen heeft gegeven dat [P.F.] dingen deed die -kort gezegd- niet pluis waren, maar deze omstandigheid acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte wetenschap had of vermoedens moest hebben dat het hier aan de orde zijnde voorwerp -de Mercedes SLK- uit misdrijf afkomstig was, temeer omdat de verdachte meende dat [P.F.] (ook) over legale inkomsten beschikte.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij op 18 april 2006 te Valkenburg tezamen en in vereniging met een ander een Belgisch paspoort op naam van [J.C.] voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dat paspoort wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

zij op 18 april 2006 te Valkenburg aan de Geul een aantal kranen voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van die kranen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

zij in de periode van 16 tot en met 31 december 2005 te Valkenburg 2 flessen champagne (Beaumont des Crayères) heeft verworven, terwijl zij ten tijde van het verwerven van die flessen champagne redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

zij op 18 april 2006 in de gemeente Valkenburg aan de Geul tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 28 dozen met ruim dertienduizend flesjes met daarin vloeistof (netto gewicht ongeveer 366 kilogram) bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De nadere bewijsoverweging

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank:

De rechtbank heeft gelet op de omstandigheid dat het paspoort van [J.C.] is gestolen en dat dit paspoort in een la van een kast van de verdachte is aangetroffen.

De verdachte heeft verklaard dat zij wist dat dit paspoort daar lag, dat dit paspoort daar door haar medeverdachte [E.v.d.Z.] is neergelegd, dat het gebruikt is voor het onderverhuren van een door deze medeverdachte gehuurde woning in Voerendaal, waar een hennepplantage was, en dat zij de houder van het paspoort, [J.C.], niet kende.

De medeverdachte [E.v.d.Z.] heeft verklaard dat zij een woning in Voerendaal heeft gehuurd, waar vervolgens hennep werd gekweekt, en dat -om te verhullen dat zij de huurder was- een contract van onderhuur is opgesteld met behulp van het paspoort in kwestie; dit paspoort heeft zij later zelf gekregen van degene die het contract van onderhuur regelde. In het dossier is geen aanwijzing dat die persoon de houder van het paspoort in kwestie is.

Uit deze verklaringen volgt dat de omstandigheden rondom dit paspoort op zijn minst zeer vaag zijn.

De rechtbank stelt voorop dat een paspoort zich enkel rechtmatig kan bevinden onder degene op wiens naam dat paspoort staat of onder de uitgevende autoriteit. Zelfs een vinder wordt als hij het paspoort niet tijdig aan de autoriteiten afgeeft, een verduisteraar.

Wanneer iemand dus een paspoort onder zich houdt dat door een ander die ook niet de rechtmatige houder is, onder hem is neergelegd, dan weet die persoon dat degene die het daar heeft neergelegd een misdrijf pleegde, en dan wordt die persoon dus de heler.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachte, gelet op bovengenoemde omstandigheden en de inhoud van haar verklaringen, beiden wisten dat het betreffende paspoort van misdrijf afkomstig was.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank:

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij er van op de hoogte was dat de kranen in haar kelder stonden. Met betrekking tot de herkomst ervan heeft zij zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat zij wel vermoedde dat de kranen van diefstal afkomstig waren. Deze kranen “waren immers van [P.F.] en/of [E.v.d.Z.] afkomstig”, zoals zij dat zelf verwoordde.

Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij had moeten vermoeden dat de kranen van diefstal afkomstig waren.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank:

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij wel vermoedde dat de champagne van diefstal afkomstig was. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat zij zich aan heling heeft schuldig gemaakt.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1:

Medeplegen van opzetheling.

Feit 2:

Schuldheling.

Feit 3:

Schuldheling.

Feit 4:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod (oud).

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2, 3 4 en 5 zal worden veroordeeld tot

- een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderd uren.

De raadsman heeft -kort gezegd- de rechtbank gevraagd bij de straftoemeting nadrukkelijk rekening te houden met de persoon van de verdachte, haar proceshouding en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Zij overweegt hierbij dat een onvoorwaardelijke vrijheidstraf niet is geïndiceerd. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de proceshouding van de verdachte en het feit dat zij van meet af aan haar volle medewerking aan het opsporingsonderzoek heeft verleend;

- de omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld;

- de omstandigheid zij bij het voorhanden krijgen van de onder vier omschreven flesjes met daarin een blauwe vloeistof, heeft gedacht aan een relatief onschuldig liefdesdrankje onder meer houdende een geringe hoeveelheid van een verdovend middel;

- de omstandigheid dat de verdachte niet als een heler pur sang kan worden beschouwd en daarnaast geenszins uit winstbejag heeft gehandeld;

- de omstandigheid dat, gelet op het voorgaande, de kans op herhaling als zeer laag moet worden ingeschat.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 416 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 (oud) en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van honderd uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van vijftig dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2007.