Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0707

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
14-03-2007
Zaaknummer
03/703100-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moeder en opa vrijgesproken van seksueel misbruik van (klein)dochter van 5 jaar oud.

Alleen (half)broer veroordeeld voor deel van de tenlastelegging.

Vrijspraak ingegeven door waardering bewijsmiddelen aan de hand van bevindingen deskundigen.

Uitgebreide motivering rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703100-06

Datum uitspraak: 14 maart 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 februari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte],

feitelijk verblijvende te [woonadres 2 verdachte ].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij

in of omstreeks de periode van 31 maart 2003 tot en met 6 mei 2004 te Sittard, in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [naam slachtoffer] (geboren op [...] 1998), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- zijn/haar/hun vinger(s) in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- zijn/hun penis (te weten van [naam verdachte] en/of [naam medeverdachte 2]) in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of

- een of meer (pennen)dop(pen), althans een of meer voorwerp(en) in de vagina en/of de anus van die [naam slachtoffer] geduwd en/of gebracht en/of

- zijn/hun penis (te weten van [naam verdachte] en/of [naam medeverdachte 2]) door die [naam slachtoffer] laten likken en/of

- die [naam slachtoffer] een of meer van haar ([naam slachtoffer]') vingers in de vagina van zijn, verdachtes, mededader (te weten [naam medeverdachte 1]) laten duwen en/of brengen en/of houden en/of

- die [naam slachtoffer] een of meer van haar ([naam slachtoffer]') vingers in de anus van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) laten duwen en/of brengen en/of houden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 6 april 2004 tot en met 6 mei 2004 te Sittard meermalen, met [naam slachtoffer] (geboren op 16 december 1998), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte meermalen een (pennen)dop, in de vagina van die [naam slachtoffer] geduwd en/of gebracht.

Bewijsoverweging met betrekking tot het ten laste gelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat het in deze zaak gaat om de vraag of zijn cliënt betrokken is bij het vermeende seksuele misbruik van [naam slachtoffer]. In de eerste plaats is de raadsman van mening dat het geen vaststaand feit is dat [naam slachtoffer] seksueel is misbruikt. Uit de conclusie van de deskundige Van Hooren blijkt dat er letsel bij [naam slachtoffer] is geconstateerd en dat dit letsel is veroorzaakt door mechanisch geweld. Echter uit de verklaring van deze deskundige ter terechtzitting valt niet te herleiden dat dit letsel is veroorzaakt door seksueel misbruik.

Vervolgens is de raadsman van mening dat er moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam slachtoffer]. Zo heeft zij (de raadsman verwijst hiertoe naar pagina 166 van het dossier) verklaard dat zij zelf met een pennendopje heeft gespeeld en dit vervolgens weer heeft ‘uitgepoept’. Daarnaast verklaart zij dat [naam verdachte] een dopje in haar vagina heeft gestopt. Dit zijn tegenstrijdige verklaringen. Tenslotte wijst de raadsman op de verklaring ter terechtzitting van de deskundige Van der Sleen. Deze deskundige heeft opgemerkt dat het in theorie mogelijk is dat [naam slachtoffer] een verzorgingshandeling verkeerd heeft geïnterpreteerd. De raadsman komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat niet zonder meer mag worden afgegaan op de verklaringen van [naam slachtoffer]. Tenslotte brengt de raadsman naar voren dat alternatieve scenario’s niet zijn onderzocht en dat in zijn visie diverse alternatieve scenario’s als verklaring van het letsel van [naam slachtoffer] zeer goed mogelijk zijn.

Concluderend is de raadsman van mening dat er in deze zaak ruimte is voor twijfel, welke ruimte in het voordeel van zijn cliënt dient te worden uitgelegd. De raadsman heeft op grond van het bovenstaande vrijspraak van zijn cliënt bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt.

De deskundige drs. J. van der Sleen heeft ter terechtzitting –zakelijk weergegeven- het navolgende verklaard: De verklaringen van [naam slachtoffer], afgelegd ten overstaan van de medewerksters van het Medisch Kleuter Dagverblijf (MKD), zijn het meest betrouwbaar van de door [naam slachtoffer] afgelegde verklaringen. De belangrijkste informatie is immers die informatie die het kind uit zichzelf geeft. Ik kan bevestigen dat de conclusie kan worden getrokken dat de verklaringen van [naam slachtoffer] ten overstaan van de medewerksters van het MKD minder beïnvloed zijn dan de verklaring die is verkregen na bevraging door pleegmoeder en de verklaring die is verkregen gedurende het studioverhoor.

Getuige [naam getuige], pedagogisch medewerkster van het MKD heeft op 7 mei 2004 het navolgende verklaard: “In maart 2003 begon [naam slachtoffer] opeens met broekpoepen en broekplassen. Tijdens het verschonen van de broekjes werd geconstateerd dat [naam slachtoffer] rode bovenbenen en rode schaamlipjes had. Ik heb zelf wel eens aan haar gevraagd hoe dat kwam. Zij vertelde dan elke keer dat [M.] ([naam verdachte], toevoeging rechtbank) haar met een mes geslagen had.”

Over 6 mei 2004, de dag dat [naam slachtoffer] in het Maasland ziekenhuis is opgenomen, heeft deze getuige het volgende verklaard: “Rond 12.30 uur hoorde ik van [G.], groepsleidster van de buurgroep, dat [naam slachtoffer] tegen haar vertelde dat er bloed uit haar pruimpje was gekomen en dat haar moeder haar een luier had omgedaan. [naam slachtoffer] vertelde ook dat een dopje van een stift door haar moeder uit haar pruimpje was gehaald. Verder had zij verteld dat [M.] dat erin had gestopt. Hoe het een en ander in zijn werk is gegaan weet ik niet.”

Op 7 mei 2004 heeft [H.], pedagogisch medewerkster van het MKD het volgende verklaard: “Tijdens het verschonen van [naam slachtoffer] is het mij herhaaldelijk opgevallen dat zij rode bovenbenen had en dat zij rood was in de schaamstreek. Ik heb haar tijdens het verschonen wel eens gevraagd hoe dat zo kwam. [naam slachtoffer] vertelde mij dan altijd hetzelfde verhaal. Zij vertelde mij steeds dat [M.] haar met een mes tussen de benen geslagen had. Ik heb hierop nooit doorgevraagd wat zij hier mee bedoelde.”

Verder heeft deze getuige het volgende verklaard: “Gisteren donderdagochtend 6 mei 2004 gaf [naam slachtoffer] aan [G.] aan dat [M.], haar broer, een pennendopje in haar vagina gestopt had, dat er bloed uit kwam en dat moeder haar toen een luier om gedaan had. [G.] is de groepsleider van de groep met de naam “Hinkelbaan”. [naam slachtoffer] had die dag en zeer penetrante geur om zich heen hangen. Tijdens het buitenspelen zag ik dat ze een hele natte broek had. Toen ik met haar naar binnen liep om een schone broek aan te trekken vertelde ze dat [M.] een pennendopje in haar ‘pruimpje’ gestopt had.”

De deskundige drs. L.J.H. van Hooren, forensisch geneeskundige/jeugdarts komt in zijn aanvullende rapportage d.d. 2 februari 2007 en blijkens zijn toelichting ter terechtzitting tot de navolgende conclusie -zakelijk weergegeven-: Op 10 mei 2004 heeft bij [naam slachtoffer] onder algehele narcose een vaginascopie plaats gevonden. Geconstateerd werd dat het hymen (maagdenvlies) intact was, mogelijk iets verwijd. Er is een erosieve vaginawand zichtbaar, passend bij een atrofische vaginitis dan wel een infectieuze. Er zijn om een infectie aan te tonen dan wel uit te sluiten kweken genomen. Deze kweken kunnen het beeld van de erosieve vaginawand niet verklaren. Volgens de deskundige en/of de gynaecoloog moet de oorzaak van de erosie mechanisch geweld zijn. Onder mechanisch geweld wordt verstaan: geweld van buiten of in het lichaam zoals bijvoorbeeld schurend of stompend geweld in de vorm van stoten, slaan of knijpen. Onder geweld moet worden verstaan: het met elke energie kracht toebrengen op de huid van de vagina van [naam slachtoffer]. Het bloedverlies veroorzaakt door het mechanisch geweld kan veroorzaakt zijn door een penis, maar ook door een vinger of een potlood of een ander voorwerp. Uit het dossier kan niet worden afgeleid of er bij [naam slachtoffer] sprake is geweest van een voorwerp, een penis of een vinger. Tevens valt niet uit te sluiten dat het mechanisch geweld door [naam slachtoffer] zelf is toegebracht. Het geconstateerde letsel is echter wel veroorzaakt door het herhaaldelijk toepassen van mechanisch geweld. Gelet op de geconstateerde beschadigingen van de vaginawand moet het inbrengen pijn hebben gedaan. Niet waarschijnlijk is dat een kind dit bij zichzelf heeft toegebracht, juist omdat het toepassen van mechanisch geweld pijn doet. Volledigheidshalve wens ik op te merken dat ik niet deskundig ben op dat gebied.”

Verder heeft deskundige Van Hooren ter terechtzitting verklaard -zakelijk weergegeven-: Het geconstateerde letsel is nog vast te stellen gedurende twee tot vier weken nadat dit letsel is toegebracht. Dit letsel kan dus niet maanden nadat het is toegebracht nog aanwezig zijn en/of geconstateerd worden. Het voorgaande betekent dat het bij [naam slachtoffer] geconstateerde letsel kort voor de ziekenhuisopname op 6 mei 2004 toegebracht moet zijn.”

Op grond van het bovenstaande overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de analyse van drs. Van der Sleen blijkt dat de informatie die [naam slachtoffer] ten overstaan van de medewerkers van het MKD heeft gegeven, het meest betrouwbaar en het minst beïnvloed is. [naam slachtoffer] heeft aan deze medewerkers spontaan en zonder aandringen verklaard dat verdachte een pennendopje in haar vagina heeft gestopt. De rechtbank zal deze verklaringen van [naam slachtoffer] dan ook voor het bewijs gebruiken.

Deskundige drs. Van Hooren heeft verklaard dat het bij [naam slachtoffer] geconstateerde letsel door mechanisch geweld moet zijn toegebracht, dat dit meerdere malen heeft plaatsgevonden en dat [naam slachtoffer] hiervan pijn heeft ondervonden. Met name gezien deze medische bevindingen en genoemde door [naam slachtoffer] gegeven specifieke informatie over handelingen door verdachte jegens haar verricht, is de rechtbank van oordeel dat deze handelingen, te weten het inbrengen van een pennendopje in haar vagina, bewezen kunnen worden verklaard.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede

bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut en vast gerechtelijk deskundige tezamen met drs. C.J.J. Slagmolen, psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog-psychotherapeut tezamen met de psycholoog een rapport, d.d. 8 juni 2006, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

-onderzochte is niet lijdende aan een ziekelijke stoornis. Een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens komt tot uiting in een licht zwakzinnig intelligentieniveau;

-het licht zwakzinnig intelligentieniveau was aanwezig ten tijde van het ten lastegelegde;

-het licht zwakzinnige intelligentieniveau heeft, indien het tenlastegelegde bewezen geacht wordt, deels zijn handelingsvrijheden beperkt ten tijde van het tenlastegelegde;

-indien het tenlastegelegde bewezen geacht wordt, adviseren rapporteurs in acht te nemen dat onderzochte in diezelfde periode zelf seksueel misbruikt werd. Het is theoretisch invoelbaar dat onderzochte door de langdurige traumatiserende ervaring, ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed is geweest in zijn oordeelsvermogen aangaande seksuele handelingen. Dat hij, indien het tenlastegelegde bewezen geacht wordt, de tenlastegelegde gedragingen nu ontkent is daarin ook passend: het is binnen zijn zwakbegaafde mogelijkheden logisch dat hij gedragingen van zichzelf die niet binnen zijn cognitieve systeem passen ontkent. Op basis daarvan adviseren ondergetekenden om betrokkene, indien het tenlastegelegde bewezen geacht wordt, enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is onderstaande straf passend. Daarbij is rekening gehouden met:

-het feit dat slechts een deel van de tenlastelegging bewezen is verklaard.

-de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

-de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed te weeg heeft gebracht.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende. Verdachte heeft door zijn handelen een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, zijn halfzusje. Het slachtoffer was ten tijde van het bewezenverklaarde slechts vijf jaar oud. De handelingen vonden plaats in de woning waar het slachtoffer met haar gezinsleden, waaronder verdachte, destijds woonde. Juist in een dergelijke huiselijke situatie mocht het slachtoffer zich te allen tijde veilig en beschermd voelen. Daarbij heeft verdachte het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als (half)broer mocht stellen op grove wijze beschaamd en heeft hij misbruik gemaakt van het overwicht wat hij als oudere (half)broer op het slachtoffer had.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door zijn handelen geen blijk heeft gegeven oog te hebben voor de gevoelens van het slachtoffer en de eventuele gevolgen die zijn handelen voor haar zouden kunnen meebrengen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dergelijk strafbare feiten grote schade kunnen toebrengen aan de emotionele en lichamelijke ontwikkeling van met name jeugdige slachtoffers.

In het voordeel van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde lang geleden heeft plaatsgevonden en dat verdachte zelf in de periode waarin hij deze feiten pleegde minderjarig was. Tevens neemt de rechtbank hierbij in overweging dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. De rechtbank houdt voorts rekening met het advies van de psycholoog-psychotherapeut drs. Kobussen zoals hiervoor weergegeven. Tenslotte hecht de rechtbank belang aan het feit dat verdachte niet meer bij het slachtoffer woonachtig is daar hij inmiddels is verhuisd en het slachtoffer bij een pleeggezin elders in het land is ondergebracht.

Het beslag

De rechtbank gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

•een stuk papier, een poëziealbum met witte hartjes, een poëziealbum ‘Knabbel en Babbel’, een poëziealbum kleur zwart met rode rand en een schrift kleur zwart-wit, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder de nummers 1, 2, 3, 4 en 5;

•een GSM, merk Nokia, kleur blauw/grijs, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 7;

•14 stuks videobanden bestaande uit 12 videobanden en 2 DVD’s, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 8;

•5 stuks diskettes zijnde DVD’s, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 9;

•1 computer, merk Venturius, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 10;

•2 stuks fotocamera’s, merk Polaroid en GOKO, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 11;

• 15 stuks videobanden bestaande uit 13 videobanden en 2 diskettes, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 31 oktober 2006 onder nummer 12.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer], woonplaats kiezende ten kantore van haar bijzondere curator mr. S.M. Vliegen, Koninginnestraat 16, 6461 BD te Kerkrade, zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk is en die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77m, 77n, 77gg en 244 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 90 uren;

-beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 45 dagen zal worden toegepast;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag;

-gelast teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

-1 stuk papier;

-2 poëziealbum met witte hartjes;

-3 poëziealbum ‘Knabbel en Babbel’;

-4 poëziealbum kleur zwart met rode rand;

-5 schrift, kleur zwart-wit;

-6 GSM, merk Nokia, kleur blauw/grijs;

-8 14 stuks videobanden;

-9 5 stuks diskettes;

-10 1 computer, merk Venturius;

-11 2 stuks fotocamera’s, merk Polaroid en GOKO;

-12 15 stuks videobanden;

-verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer], woonplaats kiezende ten kantore van haar bijzondere curator mr. S.M. Vliegen, Koninginnestraat 16, 6461 BD te Kerkrade in haar vordering niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, kinderrechter, mr. Th.J.M. Oostdijk en mr. I.M.T. Wijnands, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Teeuwissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 maart 2007.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703100-06

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 14 maart 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte]

echter feitelijk verblijvende te [woonadres 2 verdachte ].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.