Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0406

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
03/703445-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dronken automobilist veroorzaakt verkeersongeval, waardoor een slachtoffer komt te overlijden en een ander slachtoffer zwaar gewond raakt. Vrijspraak voor (poging) tot doodslag. Bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703445-06

Datum uitspraak: 13 maart 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 november 2006, 31 januari 2007 en 27 februari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

zonder vaste woon-of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de Frontensingel, opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet met (zeer) hoge snelheid met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig, na gebruik van alcoholhoudende drank, tegen een voor hem, verdachte, op die weg langzaam rijdend althans stilstaand motorrijtuig, waarin genoemde [naam slachtoffer 1] zich bevond, gebotst, althans aangereden, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Frontensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [naam slachtoffer 1], werd gedood, welke bovenbedoelde gedragingen(en) roekeloos, althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig of onoplettend was (waren) en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, rijdend over de Noorderbrug en/of die Frontensingel, met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden, en/of (vervolgens) bij nadering van een voor hem, verdachte, op die Frontensingel langzaam rijdend, althans voor een aldaar geplaatst rood licht uitstralend verkeerslicht stilstaand motorrijtuig (personenauto) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of de snelheid van zijn motorrijtuig niet of niet voldoende heeft verminderd en/of niet of niet behoorlijk is uitgeweken, waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en dat door die [naam slachtoffer 1] voornoemd bestuurde langzaam rijdend, althans stilstaand motorrijtuig (personenauto), terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet en/of bovenomschreven feit(en) is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden;

De in deze subsidiaire telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met (zeer) hoge snelheid met een door hem, verdachte, bestuurd motorrijtuig, na gebruik van alcoholhoudende drank, tegen een voor hem, verdachte, op die weg langzaam rijdend althans stilstaand motorrijtuig, waarin die [naam slachtoffer 2] voornoemd zich bevond, is gebotst althans aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Frontensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan een ander, genaamd [naam slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedragingen(en) roekeloos, althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig of onoplettend was (waren) en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, rijdend over de Noorderbrug en/of die Frontensingel, met een snelheid van ongeveer 110 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse heeft gereden, en/of (vervolgens) bij nadering van een voor hem, verdachte, op die Frontensingel langzaam rijdend, althans voor een aldaar geplaatst rood licht uitstralend verkeerslicht stilstaand motorrijtuig (personenauto) het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of de snelheid van zijn motorrijtuig niet of niet voldoende heeft verminderd en/of niet of niet behoorlijk is uitgeweken, waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en dat langzaam rijdend althans stilstaand motorrijtuig (personenauto), waarin die [naam slachtoffer 2] voornoemd als passagier was gezeten, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet en/of bovenomschreven feit(en) is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden;

De in deze subsidiaire telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Verbeterde schrijffouten

Tengevolge van kennelijke schrijffouten is in de dagvaarding

onder 2 primair niet vermeld:

in regel 4 van het ten laste gelegde: ná tegen een voor: ‘hem’;

onder 2 subsidiair niet vermeld:

in regel 4 van het tenlastegelegde: ná heeft plaatsgevonden waardoor:’aan’.

De rechtbank herstelt deze fouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

Het bewijs

- Op basis van het dossier van de strafzaak en hetgeen ter terechtzitting is gebeurd en besproken staan voor de rechtbank de navolgende feiten vast:

Op 24 augustus 2006 heeft verdachte in Maastricht met zijn personenauto, een Volkwagen, type Passat, gereden over de Frontensingel, komende uit de richting van de Noorderbrug , terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol . Verdachte is op de T-kruising van de Frontensingel met de Maagdendries het op rood staande verkeerslicht , bedoeld voor het rechtsaf slaand verkeer richting Cabergerweg, met hoge snelheid genaderd. Op de Frontensingel geldt een beperking van de maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Verdachte is bij nadering van het op rood staande verkeerslicht gebotst op een voor het verkeerslicht stilstaande personenauto van het merk Daewoo, type Matiz. De botssnelheid van de Volkswagen lag zeer waarschijnlijk tussen de 86 km/u en 109 km/u . De naderingssnelheid van de Volkswagen was, indien de bestuurder van de Volkswagen geremd heeft, hetgeen waarschijnlijker is dan dat de bestuurder van de Volkswagen niet heeft geremd, in onbekende mate hoger dan de botssnelheid.

De bestuurster van de Daewoo Matiz heeft door de aanrijding letsel opgelopen en is ten gevolge van dit letsel overleden . De passagier van de Daewoo Matiz heeft door de aanrijding zwaar lichamelijk letsel opgelopen .

- De officier van justitie is van mening dat de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zijn.

- De raadsvrouwe refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten.

- De verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie verklaard dat hij weet dat hij de veroorzaker is van het ongeval, maar dat het ongeluk is gebeurd doordat de andere auto stopte voor het oranje verkeerslicht en dat hij heeft geremd om het ongeluk te voorkomen.

- In navolging van de officier van justitie gaat de rechtbank er van uit, gelet op de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen en de vaststaande feiten zoals hiervoor weergegeven, dat op het moment waarop verdachte met zijn personenauto aan kwam rijden, de auto (Daewoo Matiz) waarin de slachtoffers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zaten, stilstond voor een rood licht uitstralend verkeerslicht. Verdachte naderde de T-kruising met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse is - en was - toegestaan. Verdachte had bij nadering van de

T-kruising de voor het rode verkeerslicht stilstaande auto waarin mevrouw [naam slachtoffer 1] en de heer [naam slachtoffer 2] zaten, kunnen en moeten zien, maar heeft dat niet gedaan. De rechtbank acht, gelet op het vorenstaande, het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De gebezigde bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op de feiten en omstandigheden zoals in dit vonnis opgenomen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1 subsidiair.

hij op 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Frontensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander, genaamd [naam slachtoffer 1], werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, rijdend over de Noorderbrug en die Frontensingel, met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en bij nadering van een voor hem, verdachte, op die Frontensingel voor een aldaar geplaatst rood licht uitstralend verkeerslicht stilstaand motorrijtuig, personenauto, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, personenauto, niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en de snelheid van zijn motorrijtuig niet voldoende heeft verminderd en niet is uitgeweken, waardoor, een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en dat door die [naam slachtoffer 1] voornoemd bestuurde stilstaande motorrijtuig, personenauto, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, en bovenomschreven feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2. subsidiair

hij op 24 augustus 2006, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Frontensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor aan een ander, genaamd [naam slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke bovenbedoelde gedraging roekeloos was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, na het gebruik van alcoholhoudende drank, rijdend over de Noorderbrug en die Frontensingel, met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en bij nadering van een voor hem, verdachte, op die Frontensingel voor een aldaar geplaatst rood licht uitstralend verkeerslicht stilstaand motorrijtuig, personenauto, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, personenauto, niet tot stilstand heeft gebracht en de snelheid van zijn motorrijtuig niet voldoende heeft verminderd en niet is uitgeweken, waardoor, een aanrijding is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en dat stilstaand motorrijtuig, personenauto, waarin die [naam slachtoffer 2] voornoemd als passagier was gezeten, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en bovenomschreven feit mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 subsidiair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 2 subsidiair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994, terwijl het een feit betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De straf

- De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 jaren voor feit 1 subsidiair en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 jaren voor feit 2 subsidiair. Zij heeft bij het bepalen van haar eis rekening gehouden met het feit dat verdachte roekeloos verkeersgedrag heeft vertoond en met name dat hij verkeerde onder invloed van alcohol. Voorts heeft zij rekening gehouden met de ingrijpende gevolgen van de door verdachte begane misdrijven.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot het bedrag van € 1881,89.

Tenslotte heeft de officier van justitie ten aanzien van de inbeslaggenomen motorrijtuigen de verbeurdverklaring gevorderd.

- De raadsvrouwe heeft bepleit, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen van het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, dat er in de strafmaat rekening mee moet worden gehouden dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De twee feiten betreffen immers één en dezelfde gedraging van verdachte.

- Anders dan de raadsvrouwe, is de rechtbank van oordeel dat de hierboven bewezen verklaarde feiten meerdere strafbare feiten opleveren, als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Daaraan doet niet af dat de aanrijding zelf als één materieel feit is op te vatten. Immers de gedraging waarop artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 doelt, is niet beperkt tot de zuiver materiële handeling, doch moet worden beschouwd in verband met de strafrechtelijke betekenis, daaraan door de wet toegekend, hier dus het zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waardoor een ander wordt gedood én waardoor aan een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Met andere woorden: als er door één materiële gedraging meerdere in de wet omschreven gevolgen in het leven worden geroepen is er van meerdaadse samenloop sprake.

- Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

De rechtbank heeft de op te leggen straf en de bijkomende straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto onder invloed van een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank en met onverantwoord hoge snelheid schuldig gemaakt aan hoogst roekeloos rijgedrag, dat heeft geresulteerd in een aanrijding met een andere personenauto, waarin zich twee inzittenden bevonden. Tengevolge van deze aanrijding is één van de slachtoffers, te weten [naam slachtoffer 1] gedood en is haar partner, [naam slachtoffer 2], zwaar gewond geraakt. Dit zijn schokkende feiten. Door het handelen van verdachte is mevrouw [naam slachtoffer 1] van haar hoogste rechtsgoed - het leven - beroofd en is haar nabestaanden onmetelijk leed aangedaan. De heer [naam slachtoffer 2] is na het ongeval enige tijd opgenomen geweest in het ziekenhuis en vervolgens in het revalidatiecentrum te Hoensbroek. Hij ondervindt nog steeds lichamelijke beperkingen en psychische problemen ten gevolge van het ongeval.

Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijk ten opzichte van zijn medeweggebruikers getoond. Het overlevende slachtoffer en de nabestaanden van het dodelijke slachtoffer zien zich dagelijks geconfronteerd met de onuitwisbare gevolgen van de handelwijze van verdachte.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

Het beslag

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp, te weten de Volkswagen, type Passat, betreft met behulp van welke het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen Daewoo Matiz gevorderd. In de opvatting van de rechtbank is dit voorwerp niet vatbaar voor verbeurdverklaring op grond van de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal daarom de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de Daewoo Matiz gelasten.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een substantiële duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer 1] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het hiervoor onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 1881,89 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Het met inachtneming van het vorenoverwogene, nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de post ‘koffietafel na crematie’, zal niet ontvankelijk worden verklaard, nu deze schade niet nader is onderbouwd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen art. 24c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

-veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIJF JAREN;

-beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

-ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van VIJF jaren;

-bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de bijkomende straf ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van voormelde ontzegging van de rijbevoegdheid geheel in mindering zal worden gebracht;

-ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van DRIE jaren;

-verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten;

20300127044 1 1 personenauto VJY-657

Volkswagen Passat, kleur: zwart

-gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbenden van het inbeslaggenomene, te weten;

20300132718 2 1 personenauto 78-HD-SB

Daewoo Matiz 4 2001, kleur: geel

-veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1] te betalen een bedrag van

€ 1881,89, vermeerderd met de wettelijke rente van 24 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

-verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. J.H. Klifman en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2007.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703445-06

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 13 maart 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

zonder vaste woon-of verblijfplaats,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. C.P. van Dijk, advocate te Maastricht.