Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:BA0246

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-03-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
116946 /KG ZA 07-46
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De man moet meewerken aan het op naam stellen van de vrouw van de onroerende zaken. Niet is aannemelijk geworden dat het convenant waarin partijen zulks zijn overeengekomen vernietigd zal worden op grond van de door de man gestelde benadeling voor meer dat een vierde deel. Ook indien dit wel aannemelijk zou zijn, dan dient de man mee te werken aan het transport. Dit doet er immers niet aan af dat de man zij n beweerdelijke rechten op een loiter finencieel andere verdeling veilig kan stellen door onmiddellijk na het transport van de onroerende zaken concervatoir beslag daarop te leggen om in de te entameren bodemprocedure uit te laten zoeken of er inderdaad sprake is van de gestelde benadeling bij de verdeling.

De bestaande, in het convenant overeengekomen, verblijfs- en omgangsregeling moet gehandhaafd blijven. In deze zaak is niet aannemelijk geworden dat die regeling niet in het belang van de kinderen is, terwijl de vrouw anderzijds aannemelijk heeft gemaakt dat de door de man op eigen houtje aangebrachte wijzigingen in de omgang van de kinderen met en het verblijf van de kinderen bij partijen strijden met haar belangen en die van de kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 5 maart 2007 (bij vervoeging)

Zaaknummer : 116946 / KG ZA 07-46

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[naam eiseres],

wonende te [P.],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 29 januari 2007,

procureur mr. CH.M.E.M. Paulussen, advocaat mr.W.M. Noordraven-Reijnen uit Nijmegen,

tegen:

[naam gedaagde],

[G.],

gedaagde,

procureur mr. M.J.A.M. Tonnaer.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, hierna te noemen: de man, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 14 februari 2007, heeft zij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar met de dagvaarding betekende producties nader heeft doen toelichten.

De man heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna in tweede termijn op elkaars stellingen gereageerd. De advocaat van de vrouw heeft zich daarbij bediend van een pleitnota

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn op [datum huwelijk] onder het vooraf opmaken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd te [B.]. Nadat de man eind maart 2005 de echtelijke woning definitief had verlaten, is tussen partijen bij beschikking van deze rechtbank van 15 februari 2006 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 juni 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [B.].

2.2

In de aanloop naar een regeling van de gevolgen van de echtscheiding zijn partijen in juni 2005 met betrekking tot de uit het huwelijk geboren ki[naam oudste kind]en:

- [naam, geb. pl. + geb.datum oudste kind] en

- [naam,geb.pl. + geb.datum 2e kind] en

het binnen het huwelijk van partijen geadopteerde kind:

- [naam, geb.datum + geb.pl. jongste kind]

een co-ouderschap overeengekomen en hebben partijen daarbij bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn.

Deze regeling is nadien opgenomen in het op 8 december 2005 door partijen ondertekende convenant. Dat convenant hebben partijen met hulp van advocaat en procureur mr. P.J.P.M. Rouschop opgesteld en daarin hebben zij ook de overige gevolgen van de echtscheiding geregeld. De in dit convenant getroffen regelingen zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 819 Rv in de echtscheidingsbeschikking opgenomen (door middel van aanhechting van een afschrift van het convenant aan de echtscheidingsbeschikking).

2.3

Ter zake de omgang met de kinderen hebben partijen in hun convenant opgenomen dat zij daarbij als uitgangspunt nemen (mede met het oog op het feit dat de vrouw een fulltime baan als kandidaat-notaris heeft en de man wegens arbeidsongeschiktheid niet aan het arbeidsproces deelneemt) 'dat de kinderen op de maandag, de dinsdag en de woensdag bij de man en op donderdag en vrijdag bij de vrouw verblijven'. Voorts is bepaald dat 'met betrekking tot het verblijf van de kinderen op de woensdagavonden en in de weekends de man en de vrouw in goed onderling overleg een evenwichtige verdeling op jaarbasis zullen voorstaan. Tevens spreken partijen af dat [namen kinderen] gedurende schoolvakanties, feestdagen, verjaardagen en dergelijke, deels bij de man en deels bij de vrouw kunnen doorbrengen, een en ander wederom in goed onderling (aanvulling voorzieningenrechter: overleg) tussen partijen en met hun kinderen te bepalen'.

Met betrekking tot de omgang met de kinderen en kosten van de kinderen staat in het convenant voorts nog opgenomen:' De man en de vrouw hebben ter zake de omgangsregeling met hun kinderen, overdracht van hun kinderen alsmede praktische zaken nog een overzicht vervaardigd dat aan deze (voorzieningenrechter lees:dit) convenant is aangehecht en daartoe in het convenant opgenomen: 'Mochten bovenstaande uitgangspunten nadien op basis van partijen wens een wijziging dienen te ondergaan dan zullen partijen daartoe tijdig met elkaar alsmede met hun kinderen in overleg treden en dan trachten hieraan gestalte te geven, hierbij het belang van [namen kinderen] vooropstellend.

De vrouw verplicht zich de kosten van de kinderen voor haar rekening te nemen. De vrouw behoudt de kinderbijslag alsmede de fiscale heffingskortingen. De vrouw zal geen kinderalimentatie aan de man betalen'

2.4

Met betrekking tot het betalen van partneralimentatie hebben partijen in het convenant bepaald dat de vrouw met ingang van 1 juli 2005 een bedrag van € 450,-- per maand aan de man zal betalen.

2.5

De huwelijkse voorwaarden van partijen behelzen een gemeenschap van inboedel en voorts uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding van overgespaard inkomen.

In zake de scheiding en deling hebben partijen in hun convenant vastgelegd: 'Partijen erkennen dat er ondanks het bestaan van huwelijkse voorwaarden desalniettemin gemeenschappelijke vermogensrechtelijke belangen bestaan, temeer daar zij nooit de overeengekomen huwelijkse voorwaarden hebben nageleefd noch wijzigingen hebben bijgehouden en komen derhalve overeen de tussen hen bestaande vermogensrechtelijke betrekkingen te beëindigen en af te wikkelen alsof zij gehuwd zijn in gemeenschap van goederen: binnen 30 dagen nadat de echtscheidingsbeschikking in het betreffende register van de Burgerlijke Stand is ingeschreven zal ten overstaan van notaris Kreyn en Hetterscheidt te Brunssum, diens plaatsvervanger of opvolger, een akte van verdeling worden verleden conform het bepaalde in deze (voorzieningenrechter lees: dit) convenant. De man verleent reeds nu voor alsdan volmacht aan de vrouw ter zake van alle handelingen welke noodzakelijk zijn voor de feitelijke uitvoering hiervan.'

2.6

In de slotbepaling van het convenant hebben partijen vastgelegd: 'De man en de vrouw doen over en weer afstand van hun recht om ingevolge het bepaalde in artikel 1:159 lid 3 BW ontbinding van deze overeenkomst te vorderen. (….). De man en de vrouw verklaren met inachtneming van bovenstaande bepalingen ter zake van scheiding en deling niets meer van elkaar te vorderen te hebben en verlenen elkaar over en weer te dier zake finale kwijting. Zij verklaren uitdrukkelijk dat zij zich realiseren dat er t.a.v. deze vermogensrechtelijke afwikkeling, mogelijk sprake is van over- c.q. onderbedeling van één der partijen, maar zij accepteren zulks te hunner bate dan wel schande.'

2.7

De hierboven onder 2.5 genoemde, door de man aan de vrouw in het convenant verstrekte volmacht heeft de man bij aangetekend schrijven van zijn procureur van 16 augustus 2006 aan de instrumenterende notaris herroepen.

De man heeft met betrekking tot het in het convenant overeengekomen co-ouderschap alsmede ter zake de in het convenant getroffen verblijfs- en omgangsregeling bij verzoekschrift van 12 februari 2007 ex artikel 1:377e lid 1BW bij deze rechtbank een verzoek ingediend strekkende tot het vervallen verklaren van de overeengekomen co-ouderschapregeling dan wel de omgangsregeling en te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de man zullen hebben en voorts dat de vrouw aan de man uit hoofde van kinderalimentatie zal betalen een bedrag van € 250,-- per maand per kind.

2.8

Stellende dat de man de in het convenant vastgelegde regelingen niet nakomt en weigert zijn medewerking te verlenen aan de levering van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw en ook weigert de aan de vrouw toebedeelde zaken aan haar af te geven en zich daarnaast ook niet houdt aan de ten aanzien van de kinderen overeengekomen co-ouderschapregeling vordert de vrouw bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de man te veroordelen om op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst binnen één week na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van de woning [adres] en het weiland [adres] aan de vrouw door tussenkomst van een door de vrouw aan te wijzen notaris, een en ander op straffe van een door de man aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

2. de man te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis aan de vrouw af te geven de zaken, vermeld op de als productie twee aan het door partijen getekende echtscheidingsconvenant gehechte lijst onder nummers 2,4,5,6 en 9, een en ander op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

3. vast te stellen dat de regeling ten aanzien van het verblijf van de kinderen van partijen voor het jaar 2007 dient te worden ingevuld zoals aangegeven op de bij de dagvaarding als producties 18 en 20 meebetekende schema’s dan wel een door de voorzieningenrechter vast te stellen schema dat beantwoordt aan de in het echtscheidingsconvenant opgenomen uitgangspunten;

4. de man te veroordelen tot nakoming van de regeling ten aanzien van het verblijf van de kinderen zoals in dit vonnis vastgesteld, een en ander op straffe van een door de man aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

5. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.9

De vorderingen worden door de man weersproken, waartoe wordt verwezen naar diens ter terechtzitting voorgedragen pleitnota.

3. De beoordeling

4.

3.1 De spoedeisendheid.

De man is van mening dat de vrouw geen spoedeisend belang heeft bij hetgeen in het petitum van de dagvaarding is weergegeven.

3.1.1

Het gestelde spoedeisend belang moet beoordeeld worden naar hetgeen de eisende partij, in casu de vrouw, ter onderbouwing van haar vorderingen heeft aangevoerd.

3.1.2

In dat kader heeft de vrouw met betrekking tot het op haar naam stellen van de onroerende zaken gesteld dat zij er groot financieel belang bij heeft wanneer de in dat verband gemaakte afspraken per omgaande nagekomen worden. Zij wijst daarvoor op de mogelijkheid die dan voor haar ontstaat om de op de onroerende zaken rustende hypotheken te kunnen oversluiten, waardoor zij, blijkens de van de hypotheekverstrekkende SNS-bank ontvangen offerte maandelijks tot een bedrag van bijna € 675,-- aan hypotheekrente minder kwijt is dan thans het geval is.

Met betrekking tot het gestelde spoedeisend belang bij nakoming van hetgeen partijen in zake het co-ouderschap en de omgang met de kinderen zijn overeengekomen heeft de vrouw gesteld dat de wijze waarop de man die afspraken thans interpreteert en uitvoert niet in het belang van de kinderen is.

3.1.3

De voorzieningenrechter is op grond daarvan van oordeel dat de gestelde spoedeisendheid op genoegzame wijze is onderbouwd en de vrouw derhalve in haar vorderingen ontvangen moet worden.

3.2 De gevorderde medewerking aan het transport van de onroerende zaken.

3.2.1

Tussen partijen staat vast dat de in het petitum van de dagvaarding genoemde onroerende zaken gemeenschappelijk zijn. Ook is niet in discussie dat deze zaken aan de vrouw toebedeeld moeten worden en dat de vrouw de op de echtelijke woning rustende hypotheek bij deze toedeling op haar naam moet krijgen evenals de aan de hypotheek gekoppelde bij Aegon Levensverzekering NV te Leeuwarden afgesloten levensverzekering ad in totaal € 59.001,45 en dat dit bedrag reeds op 8 juli 2006 door Aegon aan de vrouw is uitbetaald.

In het convenant hebben partijen opgenomen dat de op de echtelijke woning drukkende hypotheek € 384.000,-- beloopt en dat de toedeling van de woning plus de aan de Veldkuil gelegen weide aan de vrouw voor een bedrag van € 325.000,-- geschiedt.

De vrouw voert hiertoe nog aan dat de waarde van de woning en de weide door makelaardij Offermans, Borger & Meuffels uit Geleen per 21 februari 2006 op die waarde is getaxeerd en dat de onderbedeling die aldus door deze toedeling van de onroerende zaken tegen deze waarde ontstaat, wordt weggewerkt door toedeling van de levensverzekering ad € 59.001,-- aan haar.

Naar aanleiding van het standpunt van de man dat de in het convenant opgenomen waarde voor de onroerende zaken niet juist zou zijn en de man daarom niet meewerkt aan het op naam van de vrouw stellen van deze zaken heeft de vrouw de onroerende zaken op 6 december 2006 opnieuw laten taxeren door Quaden Makelaars & Taxateurs o.z. uit Munstergeleen. Deze makelaar heeft de waarde van de onroerende zaken vastgesteld op € 320.000,--. Daarmee staat volgens de vrouw vast dat de in het convenant opgenomen waarde de reële waarde voor de onroerende zaken is.

Volgens de vrouw vloeit dat verder ook voort uit de feitelijk door de gemeente nader vastgestelde WOZ-waarde van de woning nadat de vrouw tegen de eerder vastgestelde waarde ad € 337.000,-- bezwaar had gemaakt en de gemeente op grond van dat bezwaar de feitelijke WOZ-waarde heeft vastgesteld op € 327.000,--, maar omdat die waarde-afwijking binnen de wettelijke bezwaarmarge van 4% valt, is de eerder vastgestelde WOZ-waarde niet naar € 327.000,-- aangepast.

Volgens de vrouw hoeft deze door de man aangezwengelde discussie overigens niet gehouden te worden omdat de man vanwege hetgeen in de slotalinea in het convenant is opgenomen (en hierboven onder 2.6 is weergegeven) gehouden is het overeengekomen na te komen omdat partijen eventuele onder- dan wel overbedeling te hunner bate dan wel schade hebben geaccepteerd.

3.2.2

De man stelt dat hem na het ondertekenen van het convenant ter ore is gekomen dat de in het convenant opgenomen waarde voor de onroerende zaken onjuist is. Daardoor is hij voor meer dan een vierde deel benadeeld en roept hij de nietigheid van het convenant in. Dit maakt in de ogen van de man dat de toedeling van de onroerende zaken aan de vrouw op zich in stand kan blijven, maar dat die toedeling wel moet geschieden tegen een door een onafhankelijke makelaar vast te stellen waarde. Volgens de man zijn de twee door de vrouw in het geding gebrachte taxaties niet geschikt om de reële waarde vast te stellen, nu het hier geen onafhankelijke taxaties betreft en de taxaties voorts zijn uitgevoerd ter verkrijging van een financiering en niet om daarmee de boedelscheiding te realiseren. Naar de mening van de man is het een gegeven van algemene bekendheid dat makelaars woningen voor verschillende doelen op andere wijze taxeren, waardoor er verschillende waardes kunnen ontstaan.

Volgens de man moet er, gelet op het feit dat de bank voor de woning een hypotheek van € 384.000,-- heeft verstrekt, vanuit gegaan worden dat de woning een waarde van om en nabij dat bedrag waard is. Hieruit volgt dat de stelling van de vrouw dat zij onderbedeeld is, geen hout snijdt en dus ook het bijeengespaarde bedrag voor de levensverzekering ad € 59.000,-- in de nieuw uit te voeren verdeling moet worden betrokken. Dat alles plus de ook te herverdelen inboedel maakt dat hij voor meer dan 1/4e deel is benadeeld en de verdeling financieel dus niet kan plaatsvinden als in het convenant is neergelegd.

3.2.3

Daargelaten dat partijen in de slotbepaling van hun convenant uitdrukkelijk hebben vastgelegd dat zij zich realiseren dat er ten aanzien van de vermogenrechtelijke afwikkeling (van de gevolgen van hun echtscheiding), mogelijk sprake is van over- casu quo onderbedeling van één van de partijen, maar zij zulks accepteren te hunner bate dan wel schade en zij over en weer zijn gekweten en dus op die grond de door de man gestelde vernietiging van het convenant mogelijkerwijs niet zal slagen, ligt het voorshands oordelend ook niet voor de hand dat de man daarin succesvol zal zijn in een eventueel door hem met het oog daarop te entameren bodemprocedure, nu de vrouw in haar pleitnota de man heeft voorgerekend dat als er sprake zou zijn van een benadeling die benadeling pas méér dan 1/4e deel bedraagt wanneer de onroerende zaken samen circa € 430.000,-- waard zouden zijn. Te dien aanzien volgt de voorzieningenrechter de vrouw in haar visie waarin zij bevestigt dat de in haar opdracht uitgevoerd taxaties bedoeld waren om een financiering te regelen om de onroerende zaken op haar naam te krijgen en bij dergelijke taxaties de waarde van de zaken veelal enkele duizenden euro’s hoger uitvallen dan wanneer de taxatie bijvoorbeeld uitgevoerd wordt als tegenhanger voor een te hoge WOZ-waardetaxatie. In dit kader is nog van belang dat in de huidige tijd de waarderingen voor de Wet Onroerende Zaakbelasting niet alleen frequenter plaatsvinden dan in de negentiger jaren van de vorige eeuw, maar dat de aan de hand van die frequentere beoordelingen getaxeerde waardes veel dichter tegen de reële waarde aanliggen dan dat dat het geval was in de laatste jaren van de vorige eeuw. Nu er voorshands vanuit gegaan moet worden dat de WOZ-taxatie wel een onafhankelijke waardevaststelling is en de resultaten van de in opdracht van de vrouw uitgevoerde taxaties sporen met de uitkomst van de WOZ-taxatie, onderstreept die omstandigheid dat voorshands oordelend niet aangenomen kan worden dat er sprake is van een benadeling voor meer dan 1/4e deel.

Dit alles maakt dat er geen redenen zijn om niet mee te werken aan de tenaamstelling van de onroerende zaken op naam van de vrouw. Temeer niet nu, anders dan de man ter terechtzitting heeft aangevoerd, hierdoor geenszins zijn verhaalsmogelijkheden teniet worden gedaan, wanneer in de te entameren bodemprocedure zou blijken dat er wel sprake is van een benadeling van meer dan 1/4e deel, aangezien de man onmiddellijk na het op naam stellen van de onroerende zaken conservatoir beslag op die zaken kan leggen teneinde zijn beweerdelijke rechten veilig te stellen.

Nu de vrouw op genoegzame wijze haar belang bij het zo spoedig mogelijk op haar naam krijgen van de litigieuze onroerende zaken heeft aangetoond, zal haar daarop ziende vordering als hierboven onder 2.8 sub 1 verwoord worden toegewezen. De man heeft met betrekking tot het gestelde belang nog aangevoerd dat wanneer de vrouw tot een bedrag van € 675,-- per maand voordeliger uit is bij de herfinanciering van haar onroerende zaken, dat gegeven voor hem aanleiding zal zijn tot een hogere alimentatieclaim en er op den duur geen voordeel voor de vrouw uit deze transactie voortvloeit.

De voorzieningenrechter verwerpt dat standpunt van de man. Nu het recht van de man op partneralimentatie in de eerste plaats afhangt van zijn behoefte aan een bijdrage en vervolgens de hoogte van die behoefte dient te worden vastgesteld in een aparte procedure (als partijen het daarover niet eens kunnen worden), doet dit niet af aan het vastgestelde belang van de vrouw bij het zo spoedig mogelijk op haar naam krijgen van de onroerende zaken.

3.3 De vordering tot afgifte van een aantal specifiek genoemde roerende zaken.

3.3.1

Hierboven is voorlopig geoordeeld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het convenant geen stand zal houden.

De door de vrouw in haar tweede vordering genoemde zaken staan vermeld op de als productie 2 aan het door partijen ondertekende convenant gehechte lijst, welke is genoemd:

'Bijlage behorende bij echtscheidingsconvenant [namen partijen]. Hieruit vloeit voort dat de in deze lijst vermelde zaken dus deel uitmaken van het convenant.

Met betrekking tot deze roerende zaken staat in die lijst opgetekend: 'de volgende inboedelgoederen worden nog nader verdeeld tussen man en vrouw vóór 31 december 2005 voor zover niet reeds inmiddels geregeld:

1. spiegel Diana; 2. collage gezichten van Funs; 3. Knuffel haas; 4. ets van W.Geets; 5. buitenlamp Antoine; 6. Gardena tuingereedschap; 7.Helflt van pannenset; 8. spiegel uit Provence; 9. CD’s ten behoeve van vrouw; 10. paardje uit de Provence; 11. boeken.

De nummers 1 tot en met 9 zijn of worden door de man aan de vrouw overhandigd en de nummers 10 tot en met 11 worden alsnog door de vrouw aan de man overhandigd (ten aanzien van punt 11 is dit reeds afgewikkeld)'.

3.3.2

De man heeft gesteld dat dit zaken betreft waarover partijen al vaker hebben gecorrespondeerd en dat hij de zaken die volgens hem aan de vrouw toebehoren al aan haar heeft overhandigd zoals bijvoorbeeld de CD’s.

De buitenlamp Antoine is kapot en is daarom weggegooid. Het Gardena tuingereedschap bevindt zich volgens de man bij de vriend van de ouders van de vrouw en hij kan dat gereedschap alsook de lamp dus niet meer aan de vrouw afgeven. Met betrekking tot de 'collage gezichten van Funs' en 'de ets van W.Geets' stelt de man dat dit geschenken betreft die hij op zijn verjaardag heeft gekregen. Hij ziet niet in waarom hij die zaken nu aan de vrouw dient af te geven.

3.3.3

Nu de man heeft gesteld dat hij de CD’s reeds heeft afgegeven, het tuingereedschap zich elders bevindt en uit hetgeen partijen daartoe hebben aangedragen niet duidelijk is hoe het bezit van het gereedschap bij de vriend van de ouders van de vrouw gekwalificeerd moet worden en een nader onderzoek daarnaar buiten het bestek van deze procedure valt, kan de afgifte van deze zaken in dit geding niet bevolen worden. Ook ter zake de buitenlamp geldt dat in dit geding niet nader onderzocht kan worden of die lamp daadwerkelijk niet meer aanwezig is. De man kan derhalve ook met betrekking tot die lamp niet tot afgifte daarvan worden veroordeeld.

Met betrekking tot de 'collage gezichten van Funs' en de 'ets van W.Geets' staat met zoveel woorden in de lijst vermeld dat die zaken alsnog door de man aan de vrouw worden overhandigd. Uit het feit dat deze zaken via de aan het convenant gehechte lijst zijn verdeeld, volgt dat de man destijds akkoord is gegaan met deze wijze van verdeling. De nu in dit geding naar voren gebrachte stelling dat dit aan hem geschonken zaken betreft, wordt niet alleen tardief aangevoerd maar kan ook geen gewicht in de schaal leggen vanwege het feit dat partijen een gemeenschap van inboedel overeengekomen zijn.

De man dient deze twee zaken derhalve aan de vrouw af te geven.

3.4 De vorderingen met betrekking tot de kinderen van partijen als hierboven verwoord onder 2.8 sub 3 en 4.

3.4.1

Met betrekking tot deze vorderingen stelt de vrouw dat partijen in maart 2005 uit elkaar zijn gegaan en dat de man toen hij definitief uit de woning vertrok de vrouw heeft medegedeeld dat hij niet voor de kinderen wilde en kon zorgen. Aangezien de vrouw sinds partijen elkaar kennen altijd full time werkzaam is geweest als kandidaat-notaris en dit nu nog steeds is, heeft zij toen een oppas voor de kinderen moeten regelen.

De man heeft sinds de geboorte van de kinderen niet meer gewerkt. De man ontving en ontvangt nog steeds een WAO-uitkering, plus thans en daarnaast nog partneralimentatie.

In juni 2005 zijn partijen met betrekking tot de kinderen een co-ouderschapregeling overeengekomen. Die regeling, zoals hierboven onder 2.3 weergegeven, hebben partijen nadien ook opgenomen in hun convenant.

Volgens de vrouw heeft die regeling tot september 2006 goed gefunctioneerd. Dit mede vanwege het feit dat de vrouw steeds een schema voor een half jaar maakte om voor alle betrokkenen duidelijkheid te verschaffen. Die duidelijkheid was er ook steeds omdat de man alle gelegenheid heeft gekregen om aanpassingen in de regeling op te nemen. Hierbij merkt de vrouw nog op dat zij het steeds is geweest en nog is die in hoofdzaak de zorg van en voor de kinderen op zich heeft genomen.

Vanwege het feit dat de vrouw een full time baan heeft, moesten de kinderen op de dagen (de donderdag en vrijdag) die zij bij de vrouw waren, worden opgevangen door de oppas. Nu de kinderen sinds de man is vertrokken met die oppas vertrouwd zijn geraakt, was en is dat nooit een probleem geweest. De oppas heeft er geen moeite mee als de kinderen vriendjes en vriendinnetjes mee naar huis nemen als zij uit school komen en van de vrouw en de oppas mogen de kinderen na school ook een tijd (thuis) bij andere kinderen gaan spelen. De oppas begeleidt de kinderen ook bij sportactiviteiten als dat nodig is.

De vrouw stelt dat dit bij de man anders is. De kinderen mogen van de man na school geen andere kinderen mee naar (zijn) huis nemen of bij andere kinderen gaan spelen. De man onderneemt ook niets met de kinderen en mogen, als ze bij hem zijn, ook niet deelnemen aan sport- of andere (schoolse) activiteiten.

De man heeft de vrouw in september 2006 medegedeeld een andere regeling te willen. Volgens de man moeten zij van maandag tot en met vrijdag 18.00 uur bij hem verblijven en kunnen ze alle vrijdagavonden en alle weekends en 2/3e deel van de vakanties bij de vrouw doorbrengen. Vanaf de kerstvakantie in december 2006 dwingt de man de kinderen ook op donderdag- en vrijdagmiddag naar hem te komen.

De vrouw stelt dat de kinderen naar haar toe duidelijk aangeven het niet met deze aanpak van de man eens te zijn en dat zij zich prettig voelen bij de eertijds tussen partijen afgesproken regeling en dat zij het liefst zouden hebben dat die regeling gehandhaafd blijft. De kinderen durven evenwel niet tegen de man in te gaan. Zij zijn bang dat hij dan zeer boos op hen wordt. De vrouw ervaart dat de kinderen onder die wijze van omgang van de man met de kinderen erg lijden en de kinderen de huidige situatie uitermate vervelend vinden. In de ogen van de vrouw kan dit alles geenszins in het belang van de kinderen zijn. In verband hiermee stelt de vrouw, dat nu de man niet op haar verzoek heeft gereageerd om de bestaande regelingen te handhaven totdat op zijn wijzigingsverzoek is beslist, de voorzieningenrechter zeker de gevraagde ordemaatregel kan nemen. In haar ogen kan het geven van een ordemaatregel niet worden uitgelegd als zijnde een verklaring voor recht, zoals de man meent.

3.4.2

Met betrekking tot deze vorderingen in zake het verblijf van de kinderen is de man van mening dat een dergelijke regeling in nader overleg tussen partijen dient te worden vastgesteld. De vordering als weergeven onder 2.8 sub 3 moet worden afgewezen omdat die uitmondt in een eenzijdige oplegging van data, zonder dat de man gevraagd wordt of hij zich met het door de vrouw samengestelde rooster kan verenigen dan wel of dit in zijn agenda is in te passen. Daar komt nog bij volgens de man dat hetgeen de vrouw vordert moet worden gezien als het afgeven van een verklaring voor recht aangezien de voorzieningenrechter moet bepalen of de overgelegde schema’s een onderdeel zijn van het convenant en dat dit convenant nog steeds in stand is. Voor een dergelijke verklaring is volgens de man geen ruimte in een kort geding.

De man stelt dat hij de onder 2.8 sub 4 weergegeven vordering niet begrijpt. Zijns inziens is die vordering gelijkluidend aan die van wat onder 2.8 sub 3 al is gevorderd. Wellicht moet dit als een subsidiaire vordering worden gezien voor hetgeen onder 2.8 sub 3 is gevorderd.

Nu ook dit niet anders kan worden gezien als het afgeven van een verklaring voor recht, moet ook deze vordering volgens de man worden afgewezen.

3.4.3

De voorzieningenrechter verwerpt het puur formeel gevoerde verweer van de man tegen de onder 2.8 sub 3 en 4 weergegeven vorderingen van de vrouw waarin hij heeft aangevoerd dat die vorderingen overeenkomen met het vragen van een verklaring voor recht.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vordert de vrouw niet meer en niet minder dan dat de man moet worden veroordeeld om de tussen partijen afgesproken verblijfs- en omgangsregeling na te komen totdat in de door de man aanhangig gemaakt bodemprocedure is beslist op zijn verzoek die regeling te wijzigen.

3.4.3.1

De man heeft niet weersproken dat de vrouw vanaf de start van de tussen de man en de vrouw getroffen regelingen met betrekking tot de kinderen schema’s en roosters heeft opgesteld om op een duidelijke wijze vast te leggen wanneer de kinderen bij de een of de ander van partijen verblijven. De man heeft ook niet weersproken dat die hafljaarlijkse regelingen conform de door de vrouw opgestelde schema’s en roosters tot september 2006 zonder problemen hebben gewerkt. Nu de vrouw te dien aanzien heeft gesteld dat die regelingen ingingen nadat de man de toegestuurde conceptroosters had gezien en daarin aanpassingen had aangebracht dan wel daarin aanpassingen had kunnen aanbrengen is, voorshands oordelend, niet aannemelijk dat de vrouw voor de tweede helft van 2006 en begin 2007 de roosters heeft opgesteld zonder de man daarin te kennen dan wel zonder de man de gelegenheid te geven daaromtrent zijn visie te geven.

Uit hetgeen de man heeft aangevoerd, moet worden opgemaakt dat het de man kennelijk is gaan storen dat de kinderen, wanneer zij op donderdag en vrijdag bij de vrouw verblijven na school worden opgevangen door de oppas die de vrouw sinds partijen uit elkaar zijn gegaan heeft aangezocht om de kinderen na school op te vangen. De man heeft niet aangegeven dat de kinderen het vervelend vinden dat zij op die dagen door de hen bekende oppas worden opgevangen. Dit is ook niet aannemelijk nu de vrouw binnen dat kader het tegenovergestelde heeft aangevoerd en heeft geschetst dat de kinderen het heel goed kunnen vinden met de oppas en dat deze ook allerhande leuke dingen met de kinderen onderneemt en dat dit allemaal niet gebeurt bij de man. Nu de vrouw in haar betoog mede de mening van de kinderen ten aanzien van het de laatste tijd in strijd met de gemaakte afspraken plaatsvindende verblijf bij de man heeft vertolkt en de man daaromtrent niets heeft aangevoerd, moet vooralsnog aangenomen worden dat, gezien de leeftijd van [naam oudste kind], [naam oudste kind] goed kan aangeven hoe zij een en ander ondervindt. Duidelijk is dat [naam oudste kind] die nieuwe situatie niet prettig vindt. Dit maakt ook, nu jongere kinderen uit een gezin zich in dit soort situaties vaak optrekken aan hetgeen het oudste kind doet en voelt, dat die nieuwe situatie niet in het belang van de kinderen is. Hieruit vloeit voort dat nu door de man niet op genoegzame wijze aannemelijk is gemaakt dat de bestaande, na onderling overleg, getroffen regeling niet in het belang van de kinderen is, die regeling moet worden nagekomen totdat op het verzoek in de inmiddels aangespannen bodemzaak omtrent de verblijfplaats en omgang, eventueel nadat de Raad voor de Kinderbescherming daarnaar een onderzoek heeft ingesteld en advies heeft uitgebracht, is beslist.

3.4.3.2

De voorzieningenrechter volgt de man in zijn visie dat de hierboven onder 2.8 sub 3 en 4 verwoorde vorderingen elkaar deels overlappen. De voorzieningenrechter zal daarom die vorderingen tot één vordering samenvoegen en vervolgens de overlappingen daaruit wegstrepen en afwijzen.

Nu de man niet heeft betwist dat de overeengekomen regeling tot september 2006 goed heeft gefunctioneerd en ook niet heeft betwist dat dit mede een gevolg is geweest van de door de vrouw opgestelde schema’s, ligt het voor de hand om ter continuering van de regeling voor 2007 ook dergelijke schema’s op te stellen en aan de hand daarvan de afspraken te effectueren, zoals is geschied voor de tweede helft van 2005 en het grootste deel van 2006.

Dit betekent dat de man zal worden veroordeeld tot nakoming van de regeling ten aanzien van het verblijf van de kinderen van partijen voor het jaar 2007 overeenkomstig de ingevulde schema’s die bij de dagvaarding als productie 18 en 20 zijn meebetekend.

3.5 De gevorderde dwangsommen.

3.5.1

De vrouw heeft gevorderd dat aan de veroordeling tot - kort gezegd - medewerking aan de levering van de echtelijke woning en het weiland aan haar een dwangsom gekoppeld wordt van € 5.000,-- voor iedere dag dat de man daarmee nalatig blijft.

Ter zake de veroordeling van de man tot afgifte van de besproken inboedelgoederen heeft de vrouw gevorderd daaraan een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat de man nalatig blijft te koppelen.

De vrouw heeft dezelfde som als dwangsom gevraagd bij de uit te spreken veroordeling tot nakoming van de bestaande regeling ten aanzien van het verblijf van de kinderen

3.5.2

De man heeft als verweer gevoerd dat de dwangsomvorderingen de hoofdvorderingen volgen. Nu die volgens de man afgewezen moeten worden, geldt dat ook voor de dwangsomvorderingen die immers de hoofdvorderingen volgen.

3.5.3

Ter zake de hoofdvorderingen wordt anders beslist als door de man gehoopt. Nu ter terechtzitting is gebleken dat de man niet uit eigen beweging vóór aanvang van deze procedure heeft ingestemd met de door de vrouw tot hem gerichte verzoeken die in deze procedure in vorderingen zijn omgezet, dienen de dwangsommen te worden toegewezen.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig, mede gelet op het feit dat de man naast een WAO-uitkering partneralimentatie ontvangt, die dwangsommen te matigen en deze telkens te beperken tot een maximumbedrag dat de man in voorkomend geval kan verbeuren.

3.6

Partijen zijn ex-echtelieden. De proceskosten zullen daarom op de voet van het bepaalde in artikel 237 Rv worden gecompenseerd als in het dictum te bepalen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt de man om op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst binnen één week na betekening van dit vonnis mee te werken aan de levering van de woning [adres] en het weiland [adres] aan de vrouw door tussenkomst van een door de vrouw aan te wijzen notaris, een en ander op straffe van een door de man aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 2.500,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

- bepaalt dat de man ten aanzien van deze veroordeling in voorkomend geval niet meer dan de somma van € 150.000,-- kan verbeuren;

2. veroordeelt de man om binnen één week na betekening van dit vonnis aan de vrouw af te geven de zaken, vermeld op de als productie twee aan het door partijen getekende echtscheidingsconvenant gehechte lijst onder nummers 2 en 4, een en ander op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 100,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

- bepaalt dat de man ten aanzien van deze veroordeling in voorkomend geval niet meer dan in totaal de somma van € 1.000,-- kan verbeuren;

3. veroordeelt de man tot nakoming van de regeling ten aanzien van het verblijf van de kinderen van partijen voor het jaar 2007 overeenkomstig de ingevulde schema’s die bij de dagvaarding als productie 18 en 20 zijn meebetekend, een en ander op straffe van een aan de vrouw te verbeuren dwangsom van € 250,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de man daarmee nalatig blijft;

- bepaalt dat de man ten aanzien van deze veroordeling in voorkomend geval niet meer dan in totaal de somma van € 10.000,-- kan verbeuren;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Casparie, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/