Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ9905

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
05-03-2007
Zaaknummer
03/700481-06; 03/00543704
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte zijn een vijftal feiten tenlastegelegd, te weten beschadiging van een goed, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling.

Verdachte ontkent dat hij deze feiten heeft gepleegd.

De politierechter is, gezien de afgelegde getuigenverklaringen, van oordeel dat voor alle tenlastegelegde feiten voldoende wettig en overtuigend bewijs kan worden geleverd.

Een beroep op noodweer(exces) faalt, nu verdachte de confrontatie met het slachtoffer niet uit de weg is gegaan, maar als eerste een mes ter hand nam en het slachtoffer direct daarmee in de arm stak. Het is onzeker of het letsel, dat daardoor door het slachtoffer werd opgelopen, volledig zal herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700481-06; 03/00543704 (VTVV)

Datum uitspraak: 6 februari 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2007 op tegenspraak gewezen door de politierechter in bovengenoemde rechtbank in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de het PI “Vosseveld 2” te Vught.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 3 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto merk VW Golf kenteken [..-..-..], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 5 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto merk VW Golf kenteken [..-..-..], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 5 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij de nek van die [naam slachtoffer 1] zou breken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4.

hij op of omstreeks 3 december 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig, blijvend zenuwletsel in/aan de arm) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een (vlinder)mes in/door de (boven)arm te steken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 3 december 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [naam slachtoffer 2] met een (vlinder)mes in/door de (boven)arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 3 december 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer 2]), met een (vlinder)mes in/door de (boven)arm heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 13 juli 2006 in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Nu moet ik je eigenlijk kapotslaan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair en onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 3 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto merk VW Golf kenteken [..-..-..] toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft beschadigd;

2.

hij op 5 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto merk VW Golf kenteken [..-..-..], toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft beschadigd;

3.

hij op 5 september 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat hij de nek van die [naam slachtoffer 1] zou breken;

4.

hij op 3 december 2005 in de gemeente Sittard-Geleen aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig, blijvend zenuwletsel in de arm) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een vlindermes in de arm te steken;

5.

hij op 13 juli 2006 in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Nu moet ik je eigenlijk kapotslaan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en onder 4 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de politierechter, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bewijsoverweging met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 en 5.

De verdachte heeft de hem verweten feiten, betreffende het slachtoffer [naam slachtoffer 1], ontkend.

De raadsvrouwe van de verdachte heeft vraagtekens geplaatst bij de verklaring van getuige [naam getuige 1], inhoudende dat verdachte op 3 september 2006 tegen de auto van het slachtoffer zou hebben getrapt.

De politierechter heeft echter de verklaring van de getuige [naam getuige 2] bij de oordeelsvorming betrokken, inhoudende dat zij heeft gezien hoe een persoon tegen de auto van het slachtoffer trapte. Daarmee staat die handeling vast. Het slachtoffer en de getuige [naam getuige 3] verklaren beiden vervolgens dat deze persoon de verdachte is. De politierechter heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, temeer nu de verklaringen van het slachtoffer en [naam getuige 3] in belangrijke mate worden gesteund door genoemde derde getuige.

De politierechter acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die tegen de auto van het slachtoffer heeft getrapt.

De verdachte ontkent dat hij de persoon is die op 5 september 2006 (wederom) de auto van de verdachte, althans van zijn vader maar bij het slachtoffer in gebruik, heeft beschadigd. Het slachtoffer en de getuige [naam getuige 3] hebben echter beiden de verdachte herkend als de persoon die buiten stond en de auto vernielde. Daarbij komt dat dit handelen van de verdachte past binnen een patroon dat zich in deze zaak ontrafelt, waarbij het steeds weer de verdachte is die het slachtoffer “opzoekt” om hem te bedreigen of anderszins lastig te vallen.

Later die dag uit de verdachte bedreigingen met een misdrijf tegen het leven aan het adres van het slachtoffer. Deze keer zijn naast het slachtoffer wederom zijn vriendin maar ook zijn moeder getuige. Zodoende is er wederom sprake van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Tenslotte is er het vijfde feit, waarbij de verdachte het slachtoffer bedreigt met een misdrijf tegen het leven tijdens het door het slachtoffer uitoefenen van zijn dagelijks werk. Van dit feit zijn er twee getuigen, collega’s van het slachtoffer, die zijn aangifte, en in het bijzonder de geuite bedreigingen, bevestigen.

De verdachte heeft bij dit feit nog aangevoerd dat van een zodanig handelen, dat daar enige dreiging van uit kon gaan, geen sprake is. Die stelling wordt echter reeds gelogenstraft door de verklaring van de beide getuigen, en het slachtoffer, inhoudende dat het slachtoffer het, na verschijnen van de verdachte en het uiten door deze van bedreigingen, op een lopen zette. Naar de stellige overtuiging van de politierechter rennen mensen die zich niet bedreigd voelen (in een situatie zoals deze) niet weg van hun werk en hun collega’s

De verdachte heeft aangevoerd dat hij het slachtoffer is van een complot zijdens verdachte en diens vrienden en dat zij samenspannen om hem in diskrediet te brengen. Aan die verklaring hecht de politierechter echter geen geloof. Naast getuigen uit de directe omgeving van verdachte, zoals zijn vriendin en moeder, zijn er ook volslagen vreemden, zoals mevrouw [naam getuige 2], en veel verder verwijderde personen, zoals zijn collega’s, die het verhaal van het slachtoffer bevestigen. Daarbij komt, zeker niet op de laatste plaats, dat het slachtoffer ter zitting is verschenen en als getuige is gehoord waarbij hij een consistente verklaring heeft afgelegd en een geloofwaardige indruk heeft gemaakt.

De politierechter komt dan ook tot de conclusie dat de feiten 1, 2, 3 en 5 wettig en overtuigend zijn bewezen.

De bewijsoverweging met betrekking tot feit 4 primair

De verdachte ontkent niet dat hij met een mes het slachtoffer heeft gestoken in de arm. Hij voert echter aan dat hij door het slachtoffer en een derde persoon klem zou zijn gezet. Daarbij hanteerde het slachtoffer een mes en deze derde persoon een bijl. Het slachtoffer kon naar zijn zeggen geen kant meer uit en had zodoende geen andere keus dan een mes te gebruiken om zich te verweren. De politierechter hecht echter geen geloof aan deze lezing.

De politierechter gaat er van uit dat het slachtoffer de verdachte heeft opgezocht om een kwestie met hem uit te praten. De daaropvolgende ontmoeting tussen de verdachte en slachtoffer vond plaats in de open lucht, zodat de verdachte relatief gemakkelijk zich aan een confrontatie kon onttrekken. De verdachte koos er echter voor de confrontatie niet uit de weg te gaan. Volgens meerdere getuigen is het de verdachte die daarbij als eerste, en als enige, een mes ter hand nam en daarmee het slachtoffer direct in de arm stak.

De enige getuige die verklaart dat het slachtoffer is die een mes ter hand neemt, voegt daar in een latere verklaring aan toe bang te zijn voor de verdachte. Deze ontboezeming, in combinatie met de andere getuigen die of niets gezien hebben van de strijd of geen mes hebben gezien in de hand van het slachtoffer, overtuigen de politierechter van de juistheid van de verklaring van het slachtoffer, inhoudende dat hij geen mes heeft gebruikt.

Overigens neemt de politierechter op grond van de getuigenverklaringen ook aan dat de genoemde derde persoon ten tijde van de confrontatie in de auto zat waarmee hij en het slachtoffer gekomen waren. Pas toen de verdachte met het mes ging zwaaien heeft hij een stuk hout gepakt, en geen bijl, en is hij naar de twee kemphanen gelopen. Toen was de steek met het mes echter al een feit, zodat zijn persoon geen invloed kan hebben gehad op de daden van de verdachte.

Volledigheidshalve overweegt de politierechter nog dat hij op grond van de medische verklaring en de verklaring van de verdachte met betrekking tot het opgelopen letsel (gat in de arm, mes er volledig doorheen, drie vingers functioneel uitgevallen, geen gevoel in de onderarm, steigerbouwer van beroep) er van uit gaat dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Daarom komt de politierechter tot de conclusie dat het onder vier primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1, feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

Feit 3, feit 5:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 4 primair:

Zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Voorzover de verdediging heeft willen stellen dat de verdachte het onder 4 primair bewezen verklaarde heeft begaan ter verdediging van zijn eigen lijf tegen een onmiddellijke en wederrechtelijke aanranding overweegt de politierechter, verwijzend naar hetgeen hiervoor aangaande het bewijs van dat feit reeds is overwogen, dat uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een noodweersituatie. Een beroep op noodweer en/of noodweerexces wordt daarom verworpen.

Het rapport van de gedragsdeskundige drs, A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, op 9 november 2006 omtrent de persoon van de verdachte uitgebracht, houdt onder meer de volgende conclusie in: “Betrokkene werd meer dan de gemiddelde ander door zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis beïnvloed. Gelet op de verstandelijke beperkingen en de mate waarin daarenboven de posttraumatische stressstoornis de agressieregulatie verstoort, is het te adviseren om het ten laste gelegde, …., in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen”. De politierechter neemt deze conclusie over.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2, 3, 4 primair en onder 5 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouwe heeft gevraagd de verdachte vrij te spreken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe nog gezegd dat ook het slachtoffer kan worden verweten dat dit feit is gepleegd.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de politierechter in verband met de op te leggen straf en maatregelen het volgende.

De politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de politierechter kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake geweld tegen personen en goederen is veroordeeld;

- het gevaar dat de verdachte wederom geweldsdelicten zal plegen en de omstandigheid dat de verdachte, onder meer als gevolg van een verstoring van zijn agressieregulatie, begeleiding en behandeling nodig heeft, hetgeen onder meer blijkt uit de inhoud van het rapport van drs. Zwegers voornoemd.

De politierechter beschouwt de feiten welke gepleegd zijn tegen het slachtoffer [naam slachtoffer 1] als bijzonder ergerlijk van aard. Dergelijke feiten dragen bij tot gevoelens van onveiligheid bij het slachtoffer en ze veroorzaken volstrekt onnodige overlast. De verdachte heeft voor zijn handelen ook niet maar het begin van een geloofwaardige verklaring gegeven, zodat een gevangenisstraf zondermeer op zijn plaats is.

Van een heel andere aard is echter het feit betreffende het slachtoffer [naam slachtoffer 2]. Dit gebeuren, het onverhoeds trekken van een mes en insteken op het slachtoffer, had gemakkelijk tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden. Nu is “slechts” sprake van ernstig en langdurig letsel, waarvan het niet zeker is of volledig herstel zal plaatsvinden. Daarmee is dit een feit waarvoor een langdurige vrijheidsbeneming op zijn plaats is. Hierbij moet gedacht worden aan een gevangenisstraf van een duur die de bevoegdheid van de politierechter te boven gaat.

De politierechter zal echter ook rekening houden met het feit dat de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer is ontstaan door het initiatief van het slachtoffer, dat de verdachte immers heeft opgezocht. Daarbij kan de politierechter zich zeer wel voorstellen dat van het slachtoffer enige dreiging zal zijn uitgegaan, overigens zonder dat, zoals al werd overwogen, daaraan enige “bevoegdheid tot zelfverdediging” kon worden ontleend.

Ook zal de politierechter bij de strafoplegging betrekken dat de verdachte als verminderd toerekeningvatbaar moet worden beschouwd.

Tenslotte is op grond van de uitgebrachte rapporten duidelijk dat de verdachte zeer serieus aan zijn agressieproblematiek zal moeten werken, waarbij het enerzijds nodig is om hem een kader te bieden waarbinnen dat mogelijk is en, anderzijds, een aanzienlijke sanctie in het verschiet dient te liggen indien de verdachte wederom in de fout gaat.

Bij de straftoemeting heeft de politierechter ten bezware van de verdachte er tevens rekening mee gehouden dat de verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit, vervat in het dossier met het parketnummer 03/530433-06, ter zake waarvan de officier van justitie heeft medegedeeld dat de verdachte daarvoor niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd, te weten “(verbale) bedreiging met misdrijf”, gepleegd op 5 juli 2006, aan de Oleanderstraat te Geleen.

De redengeving van op te leggen maatregelen.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een goudkleurig vlindermes, is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit vlindermes een voorwerp is met behulp waarvan het onder 4 primair bewezen verklaarde is begaan. Dit voorwerp zal dan ook aan het verkeer worden onttrokken.

Bij gelegenheid van het onderzoek naar een misdrijf waarvan de verdachte is verdacht, is op 5 juli 2006 een metaalkleurig vlindermes in beslag genomen. Dit voorwerp behoort aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, en is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Uit de aard van dit voorwerp volgt dat het kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. Ook dit voorwerp zal aan het verkeer worden onttrokken.

Nu de verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 1, 2, 3 en onder 4 primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de respectieve slachtoffers, zijnde de hierna genoemde benadeelde partijen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] aansprakelijk is voor de schade die door genoemde strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank telkens tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij de slachtoffers genaamd [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door de hiervoor onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De politierechter acht de hoogte van het gevorderde bedrag van € 253,- redelijk en billijk Aan de verdachte zal ter zake van die feiten een straf worden opgelegd, zodat deze vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. De politierechter acht tevens de te dier zake gevorderde wettelijk rente toewijsbaar.

Het nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] zal worden afgewezen, daar de gestelde schade in zoverre ter terechtzitting niet is komen vast te staan, nu deze schade op het desbetreffende formulier niet genoegzaam is toegelicht, noch op enigerlei wijze nader met bescheiden is geadstrueerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] door het hiervoor onder 4 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De politierechter acht de hoogte van het gevorderde bedrag van € 500,- redelijk en billijk Aan de verdachte zal ter zake van dat feit een straf worden opgelegd, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen. De politierechter verstaat dat voornoemd bedrag een voorschot betreft op een vordering die nog bij de burgerlijke rechter zal worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake een voorschot op een vordering ter zake materiele schade, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van een gevangenisstraf voor de duur van één maand, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 31 mei 2005, gewezen onder parketnummer 03/005437-04. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Bijzondere omstandigheden die aan de gevorderde tenuitvoerlegging in de weg zouden staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

DE BESLISSINGEN:

De politierechter

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 primair en onder 5 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en onder 4 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot zes maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag van €253,- (tweehonderddrieenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente van 3 september 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], ter zake de posten betrekking hebbend op de materiële schade;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] aan de staat voornoemd bedrag, te vermeerderen met het bedrag van de berekende wettelijke rente, te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van vorenbedoeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 1], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], [adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van €500,- (vijfhonderd euro);

- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], [adres slachtoffer 2], voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 2] aan de staat voornoemd bedrag te betalen en bepaalt dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast naar de maatstaf van één dag voor elke volle 50 euro van het te betalen bedrag, met dien verstande dat toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt daarbij dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van voornoemd bedrag ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 2], daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de twee in beslag genomen vlindermessen;

- gelast dat de voorwaardelijke straf, opgelegd in de zaak met het parketnummer 03/ 005437-04, te weten een gevangenisstraf voor de duur van één maand, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, politierechter, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze politierechter op 6 februari 2007.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/700481-06; 03/00543704 (VTVV)

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de politierechter in de rechtbank voornoemd van 6 februari 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de PI “Vosseveld 2” te Vught.

Tegenwoordig:

mr. , politierechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Hij heeft afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsvrouwe mr. F.M. van Venrooij-Nieuwenhuis, advocate te Heerlen.