Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ9740

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-02-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
104014 / HA ZA 05-683 (hoofdzaak) en 107358 / HA ZA 06-45 (vrijwaring)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank (als professionele kredietverstrekker) jegens particulier; informatieplicht bij borgstelling particulier.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/158 met annotatie van I. Spinath
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 28 februari 2007

Zaaknummers : 104014 / HA ZA 05-863 (hoofdzaak) en

107358 / HA ZA 06-45 (vrijwaring)

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake (hoofdzaak)

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. E.P.C.M. Teeuwen;

tegen:

[Naam gedaagde in de hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

en inzake (vrijwaring)

[[Naam eiseres in vrijwaring]],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

tegen:

[Naam gedaagde in vrijwaring],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

na het desisteren van mr S.J.M. Peters heeft zich geen nieuwe procureur gesteld.

1. Het (verdere) verloop van de procedures

in de hoofdzaak

Bij vonnis d.d. 16 november 2005 is de vordering in het incident van [gedaagde in de hoofdzaak], hierna: “[Gedaagd in de hoofdzaak]” tot oproeping in vrijwaring van [Naam gedaagde in vrijwaring] (hierna: “[Gedaagde in de vrijwaring]”) toegewezen. Vervolgens heeft [Gedaagd in de hoofdzaak] onder overlegging van producties een conclusie van antwoord genomen.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparirtie na antwoord gelast. Bij brief van 22 maart 2006 zijn door ABN AMRO Bank NV, hierna: “de bank”, stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Daarop heeft de bank, onder overlegging van producties, een nadere conclusie genomen. [Gedaagd in de hoofdzaak] heeft daarop bij nadere conclusie gereageerd.

Vervolgens is op verlangen van [Gedaagd in de hoofdzaak] een zitting bepaald voor pleidooi. Van het verhandelde op die zitting is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

in de vrijwaring

[Eiseres in vrijwaring] heeft [Gedaagde in de vrijwaring] gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [Gedaagde in de vrijwaring] heeft daar, onder overlegging van producties, op geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Na een aanhouding van die comparitie vanwege een door [Gedaagde in de vrijwaring] opgegeven verhindering wegens ziekte, is die comparitie niet voortgezet. Vervolgens heeft [Eiseres in vrijwaring], onder overlegging van producties, gerepliceerd.

Ten slotte heeft [Eiseres in vrijwaring] vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

in de hoofdzaak

Voor een meer uitgebreide weergave van het geschil wordt verwezen naar het vonnis in het incident.

De bij dagvaarding ingestelde vordering luidt dat:

“het de Rechtbank behage bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. gedaagde te veroordelen tot betaling aan de Bank van een bedrag van € 279.746,76 te vermeerderen met de wettelijke rente sedert 16 februari 2005 en met de wettelijke rente over € 4.000,- sedert de dag der dagvaarding, in alle gevallen tot aan de dag van algehele voldoening;

2. gedaagde te verwijzen in de proceskosten.

De bank heeft aan die vordering ten grondslag gelegd een borgstelling door [Eiseres in vrijwaring] voor aan de besloten vennootschap [Eiseres in vrijwaring] Geleen BV, hierna; “Geleen BV” verleend krediet. Bij brief van 10 januari 2003 heeft de bank dat krediet opgezegd. Vervolgens heeft zij Geleen BV tevergeefs tot betaling gesommeerd. Op 16 februari 2003 is die vennootschap in staat van faillissement verklaard. [Eiseres in vrijwaring] is daarop in haar hoedanigheid van borg aangesproken tot betaling van in hoofdsom € 284.150,51, vermeerderd met rente en kosten.

[Eiseres in vrijwaring] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

in de vrijwaring

[Eiseres in vrijwaring] vordert in de vrijwaring dat [Gedaagde in de vrijwaring], zo mogelijk gelijktijdig met het in de hoofdzaak te wijzen vonnis, bij vonnis zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de daartoe aangevoerde gronden, wordt veroordeeld om aan haar te betalen, al hetgeen waartoe zij als gedaagde in de hoofdzaak jegens de bank mocht worden veroordeeld, zulks met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2005 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede dat zij wordt veroordeeld in de kosten van de vrijwaring, vermeerderd met de rente over die kosten vanaf 14 dagen na het vonnis.

[Gedaagde in de vrijwaring] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.

3. De beoordeling

in de hoofdzaak

3.1 [Eiseres in vrijwaring] heeft jarenlang - eerst samen met haar man en na zijn overlijden alleen - aan het roer gestaan van [Eiseres in vrijwaring] BV, juwelier en opticien te Geleen. In 1997 is het bedrijf voortgezet door dochter [Gedaagde in de vrijwaring] onder de naam van Geleen BV. Op enig moment is Geleen BV met de bank een krediet in rekening-courant overeengekomen tot

€ 136.000,-.

3.2 Voorafgaand aan deze procedure heeft op verzoek van [Eiseres in vrijwaring] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgehad. Volgens de in dat kader afgelegde verklaring van [de naam van de medewerker] van de bank, liggen de verdere feiten als volgt. In juni 2003 is het dossier van Geleen BV binnen de bank aan zijn afdeling overgedragen, vanwege haar cijfers “in negatieve zin”. Daarop zijn gesprekken gevolgd met [Gedaagde in de vrijwaring], waarbij de cijfers over 2002 “die nogal slecht waren” zijn geanalyseerd. Ook is daarbij aan de orde geweest dat [Gedaagde in de vrijwaring], zonder medeweten van de bank, in 2002 haar woning, waarop zij de bank zekerheid had verstrekt voor de schulden van Geleen BV, had verkocht. Daarop heeft de bank bij monde van [de naam van de medewerker] geëist dat [Gedaagde in de vrijwaring] zich hoofdelijk voor de schulden van Geleen BV verbond. Daarnaast wenste de bank aanvullende zekerheid, waarop [Gedaagde in de vrijwaring] - na enig beraad - heeft aangegeven dat haar moeder bereid was om borg te staan. Nadat de bank - via [Gedaagde in de vrijwaring] - informatie had ingewonnen over de financiële gegoedheid van [Eiseres in vrijwaring], is die zekerheid aanvaard. De debetstand van de rekening van Geleen BV was eerder - “in de zomer van 2003” - opgelopen tot

€ 269.000,-.

3.3 Vervolgens heeft de bank een schriftelijke kredietovereenkomst opgemaakt en zelf ondertekend op 16 oktober 2003. Daarbij is de aan Geleen BV verstrekte kredietfaciliteit gesteld op € 300.000,-. Als zekerheden worden in die overeenkomst genoemd, onder meer, een borgstelling door [Eiseres in vrijwaring] tot maximaal € 300.000,- met rente en kosten, hoofdelijke medeverbondenheid van [Gedaagde in de vrijwaring], alsmede achterstelling van een tweetal vorderingen van [Eiseres in vrijwaring] Beheer BV op Geleen BV.

3.4 Bij brief van 16 oktober 2003 heeft [Eiseres in vrijwaring] Beheer BV van de bank een tweetal aktes tot achterstelling van haar leningen aan Geleen BV toegestuurd gekregen. [Eiseres in vrijwaring] heeft die aktes - in haar hoedanigheid van enig bestuurder van die vennootschap - op 21 oktober 2003 ondertekend en aan de bank geretourneerd. In haar begeleidende brief van 16 oktober 2003 refereert de bank in zijn algemeenheid aan “onze Kredietovereenkomst” met Geleen BV en in de achterstellingsaktes in zijn algemeenheid aan nog te verstrekken dan wel reeds verstrekte kredietfaciliteiten aan die vennootschap.

3.5 Vervolgens is een bespreking gearrangeerd tussen de bank en [Eiseres in vrijwaring] in de kantoorruimte van de winkel van Geleen BV, teneinde de borgakte aldaar te ondertekenen. Die bespreking heeft op 28 oktober 2003 plaatsgehad. [Naam medewerker] van de bank heeft daarover in het kader van het voorlopig getuigenverhoor onder meer verklaard:

“Ik had de borgstellingsovereenkomst niet vooraf aan mevrouw [Eiseres in vrijwaring] toegestuurd. Het hele pakket, de kredietovereenkomst met de borgstellingsovereenkomst, is toegestuurd aan de bv. (…) Ik heb daar toen aan mevrouw [Eiseres in vrijwaring] zowel de kredietovereenkomst als de borgstellingsovereenkomst voorgelezen. Ik heb daarbij nog aangegeven dat het krediet nodig was ten behoeve van de bedrijfsvoering van de bv en dat de bank aanvullende zekerheden nodig had omdat de bestaande niet toereikend waren. Na voorlezing heb ik aan mevrouw [Eiseres in vrijwaring] gevraagd of zij alles begrepen had en of zij wist wat een borgstelling in hield. Zij beaamde dat waarna zij de beide contracten heeft ondertekend, de kredietovereenkomst voor gezien en de borgstellingsovereenkomst als partij.”

3.6 [Eiseres in vrijwaring] heeft allereerst tot verweer aangevoerd, dat zij in redelijkheid niet aan de borgstelling kan worden gehouden. Zij voert daartoe aan, dat zij de kredietovereenkomst en de borgstellingsakte onvoorbereid - namelijk bij gelegenheid van een van haar reguliere tweewekelijkse bezoeken aan haar dochter in de zaak - ter ondertekening voorgelegd heeft gekregen. Aldus heeft de bank haar plicht om haar genoegzaam over betekenis, gevolgen en risico’s van de borgstelling voor te lichten, geschonden.

3.7 De rechtbank stelt voorop, dat de door [Eiseres in vrijwaring] ingeroepen informatieplicht steun vindt in de rechtspraak (zie o.a. HR 01-06-1990, NJ 1991/759). Die verplichting houdt in, dat een bank - als professionele kredietverstrekker - een particuliere borg omtrent betekenis, gevolgen en risico’s van een borgstelling zorgvuldig dient voor te lichten. Op grond van de verklaringen van [namen medewerkers van de bank] neemt de rechtbank vervolgens als vaststaand aan, dat de bank die voorlichting niet heeft gegeven.

3.8 De bank heeft daar tegen ingebracht, dat [Eiseres in vrijwaring] ten tijde van ondertekening als voldoende voorgelicht mocht worden beschouwd. Haar argumenten daarvoor zijn de volgende:

1) zij heeft de kredietovereenkomst “voor gezien” ondertekend;

2) zij heeft zelf aangeboden zich borg te stellen tot een bedrag van € 300.000,-, terwijl - kennelijk op grond van een algemene

ervaringsregel - iemand die zich borg stelt zich op de hoogte zal stellen van de financiële ontwikkelingen van de

hoofdschuldenaar;

3) artikel 10 van de borgakte houdt in:

“De borg verklaart bekend te zijn met de financiële positie van de Hoofdschuldenaar en met de inhoud van de verbintenis

van de hoofdschuldenaar jegens de Bank. De Bank heeft aan de Borg doel en strekking van de borgstelling

medegedeeld.

De Borg verklaart de mogelijke consequenties van de borgstelling ten volle te beseffen.”

4) zij was houdster van een meerderheid van de (prioriteits)aandelen in Geleen BV, waardoor voor belangrijke financiële

besluiten haar instemming was vereist;

5) zij was jarenlang bij de vennootschap betrokken en de feitelijk leidinggegevende was haar dochter;

6) zij heeft in 2002 via [Eiseres in vrijwaring] Beheer BV een bedrag ad € 217.046,- aan Geleen BV ter beschikking gesteld en in

2003 privé een bedrag van € 70.000,-;

7) [Naam medewerker van de bank] heeft haar de borgakte in het bijzijn van [Gedaagde in de vrijwaring] (en haar partner [naam ]) woordelijk voorgelezen en als

het haar op dat moment niet duidelijk zou zijn geweest welke risico’s verbonden waren aan het tekenen van de akte, had

het op haar weg gelegen de bank daaromtrent vragen te stellen.

3.9 Deze argumenten zeggen op zich zelf genomen echter niets over de bekendheid van [Eiseres in vrijwaring] met de betekenis, gevolgen en risico’s van de borgstellng. Enkel woordelijk voorlezen en “voor gezien” ondertekenen, zijn voor het aannemen van die bekendheid in ieder geval niet voldoende. Vandaar immers een informatieplicht die - dat spreekt voor zich - niet gelijkgesteld kan worden met een voorleesplicht. Dat dochter [Gedaagde in de vrijwaring] en haar partner er bij waren, maakt dat niet anders; integendeel, als vertegenwoordigers van de hoofdschuldenaar verkeerden zij immers in een afhankelijke positie ten opzichte van de bank. Voorlezing alleen betekent ook niet per definitie dat het bepaalde in art. 10 van de borgakte juist is. Dat na voorlezing geen vragen zijn gesteld, heeft in dit verband evenmin betekenis. Pas na adequate voorlichting en vervolgens voldoende tijd om die voorlichting te laten bezinken en desgewenst extern advies in te winnen, moet een particulier kunnen beoordelen of de gegeven informatie voldoende was, of dat er - door het stellen van vragen - behoefte bestaat aan nadere informatie.

3.10 Ook aan de stellingen dat [Eiseres in vrijwaring] zelf heeft aangeboden zich voor € 300.000,- borg te stellen en dat zij (dus) bekend was met de financiële toestand van Geleen BV wordt voorbij gegaan; primair omdat die financiële toestand - bekend of niet - de bank niet ontslaat van haar informatieplicht; ten overvloede - gegeven de stellige ontkenning van dat aanbod en bekendheid met de cijfers van Geleen BV - als feitelijk ongegrond. Zo was [Eiseres in vrijwaring] ten tijde van de borgstelling 80 jaar oud en in de moeder-dochter relatie ziet de rechtbank een minstens zo sterke aanwijzing voor de stelling, dat zij zich na 1997 niet meer met de bedrijfsvoering heeft bemoeid. Dat zij meerderheidsaandeelhoudster was en (mede via haar vennootschap) zelf leningen heeft verstrekt aan Geleen BV - en met achterstelling van die leningen heeft ingestemd - zegt op zich zelf genomen, zonder nadere toelichting die ontbreekt, ook niets over haar bekendheid met de cijfers.

3.11 Vastgesteld moet dus worden, dat de bank haar informatieverplichting heeft geschonden. Deze verplichting maakt deel uit van de tussen partijen gesloten overeenkomst van borgstelling. Schending daarvan levert een tekortkoming op die de bank - blijkens hetgeen onder 3.8 en 3.9 is overwogen - kan worden toegerekend. Gegeven aard en ernst van die tekortkoming, moet het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar worden geoordeeld, dat [Eiseres in vrijwaring] aan de borgstelling wordt gehouden. Dat oordeel wordt nog versterkt door de gevorderde leeftijd van [Eiseres in vrijwaring], door het feit dat zij niet eens de krediet- en borgstellingsovereenkomsten tevoren toegestuurd heeft gekregen, en niet in de laatste plaats door de eigen bekendheid van de bank met de financiële toestand van de vennootschap terwijl zij [Eiseres in vrijwaring] daarvan geen deelgenoot heeft gemaakt.

3.12 Aan het hiervoor gegeven oordeel doen niet af de twee handgeschreven briefjes van [Eiseres in vrijwaring] van 17 november 2003 en 11 december 2003, die de bank bij brief van 22 maart 2006 in het geding heeft gebracht. Uit die briefjes blijkt niet dat [Eiseres in vrijwaring] ten tijde van ondertekening van de borgakte toch voldoende geïnformeerd was. Die briefjes rechtvaardigen evenmin de conclusie, dat zij haar recht om haar gebondenheid aan de borgstelling ter discussie te stellen ondubbelzinnig heeft prijsgegeven; temeer niet nu is gesteld noch gebleken dat zij ten tijde van die briefjes alsnog voldoende was geïnformeerd omtrent betekenis, gevolgen en risico’s van de borgstelling.

3.13 Al met al is het verweer van [Eiseres in vrijwaring] dus gegrond, zodat de vordering van de bank moet worden afgewezen. Hetgeen overigens nog tot verweer tegen de vordering is aangevoerd, kan daarmee onbesproken blijven. De bank zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding dienen te dragen.

in de vrijwaring

3.14 Nu [Eiseres in vrijwaring] in de hoofdzaak nergens toe is veroordeeld, dient haar vordering in de vrijwaring als ongegrond te worden afgewezen. In de moeder-dochter relatie van partijen ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de bank in de proceskosten aan de zijde van [Eiseres in vrijwaring] gevallen, tot op heden begroot op € 1.100,- vast recht en € 8.000,- salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de vrijwaring

wijst het gevorderde af;

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Arnold, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

A.A.