Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ9402

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 1061, 06/1062, 06/1532, 06/1671 VEROR HEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de in geding zijnde verleende ontheffingen voor het Kevertreffen, het Openluchtfestival, het internationaal volleybaltoernooi en de meifeesten, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de cumulatie van geluidhinder niet van zodanige aard is dat de gevraagde ontheffingen zouden moeten worden geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde stelling met betrekking tot de cumulatie van de reeds aanwezige geluidshinder van de AWACS, Schinvelderhoeve en voetbalterrein en de geluidshinder tengevolge van de diverse evenementen onvoldoende is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 06 / 1061 VEROR HEM

AWB 06 / 1062 VEROR HEM

AWB 06 / 1532 VEROR HEM

AWB 06 / 1671 VEROR HEM

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Schinveld, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Onderbanken,

gevestigd te Onderbanken, verweerder.

Data bestreden besluiten: 16 maart 2006, 23 mei 2006, 11 juli 2006

Kenmerk: 2006/1110, 2006/1034, 2006/2803, 2006/4101

Behandeling ter zitting: 23 januari 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 maart 2006 (verzonden:

16 maart 2006) (Besluit 1) heeft verweerder opnieuw beslissende op een door eiser ingediend bezwaarschrift van 16 juli 2004, tegen het besluit van 6 juli 2004 (verzonden:

13 juli 2004) waarbij aan het Regioteam Keverclub Nederland een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.7 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Onderbanken (APV) is verleend, dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 maart 2006 (verzonden:

16 maart 2006) (Besluit 2) heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van

6 januari 2006, tegen het besluit van 13 december 2005, waarbij verweerder aan ZVV Sjilvend ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.7 van de APV heeft verleend ten behoeve van het houden van een openluchtfestival op 3 september 2006 in het Burgemeester Adamssportpark te Schinveld, ongegrond verklaard.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 mei 2006 (verzonden:

24 maart 2006) (Besluit 3) heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van

28 maart 2006 tegen een door verweerder genomen besluit van 21 maart 2006, waarbij verweerder aan GV Olympia KFC Schinveld een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.7 van de APV heeft verleend ten behoeve van het houden van een internationaal volleybaltoernooi in het Burgemeester Adamssportpark te Schinveld, ongegrond verklaard.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 juli 2006 (verzonden:

14 juli 2006) (Besluit 4) heeft verweerder beslissende op een door eiser ingediend bezwaarschrift van 27 april 2006, tegen het besluit van 20 april 2006 (verzonden: 21 april 2006) , waarbij verweerder aan de Mei-vereniging “De Jonkheid” ontheffing heeft verleend ten behoeve van de meifeesten op vrijdag 5, zaterdag 6 en zondag 7 mei 2006 in het Burgemeester Adamssportpark te Schinveld, dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 april 2006 heeft eiser tegen besluit 1 en 2 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij brief van 26 juni 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen besluit 3 en bij brief van 20 juli 2006 heeft eiser beroep ingesteld tegen besluit 4.

In de zaak met procedurenummer AWB 06/1532 VEROR (Besluit 3) heeft de GV Olympia KFC (hierna: belanghebbende) op voet van het bepaalde in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de gelegenheid gebruik gemaakt als partij aan het geding deel te nemen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser, alsmede aan belanghebbende gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn aan partijen gezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van deze rechtbank op 23 januari 2007, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw. mr. J.J. Pieters- Janssen, juridisch medewerker bij verweerders gemeente.

2. Overwegingen

De feiten

Bij uitspraak van 2 maart 2005 (partijen bekend onder procedurenummer AWB 04/1733 VEROR) heeft deze rechtbank het beroep van eiser tegen verweerders besluit van

31 augustus 2004, waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen verweerders besluit van

6 juli 2004 (verzonden: 13 juli 2004) tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1.7 van de APV ten behoeve van het Kevertreffen ongegrond verklaard.

Tegen die uitspraak is door eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling). Bij uitspraak van 26 oktober 2005 heeft de Afdeling de uitspraak van deze rechtbank vernietigd, het hoger beroep alsmede het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard. Tevens heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 31 augustus 2004 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. De Afdeling heeft daarbij, voor zover hier van belang, het navolgende overwogen.

”Ter zitting is de Afdeling gebleken dat bij het vaststellen van de Nota Evenementenbeleid geen rekening is gehouden met het aspect van de cumulatie van geluidhinder.

Bij het nemen van de besluiten van 6 juli 2004 en 31 augustus 2004 heeft het college evenmin rekening gehouden met de cumulatie van geluidhinder in de directe omgeving van het evenemententerrein veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen, het voetbalveld en partycentrum “De Schinvelderhoeve”. Het college heeft deze andere geluidsbronnen bij het verlenen van de onderhavige ontheffing als een in het kader van de onderhavige besluitvorming niet relevant gegeven beschouwd. De omstandigheid dat appellant reeds overlast ondervindt van andere in de omgeving van zijn woning aanwezige geluidsbronnen, had het college behoren te betrekken bij de besluitvorming als een relevant belang. De stukken en de daar op gegeven toelichting bieden geen grond voor de stelling van het college dat de geluidsoverlast die appellant reeds ondervindt als verwaarloosbaar buiten beschouwing kan blijven.”

De thans bestreden besluiten

Ter uitvoering van voornoemde uitspraak van de Afdeling heeft verweerder, opnieuw beslissende op bezwaar, bij het thans bestreden besluit 1 het bezwaarschrift van eiser wederom ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij (samenvattend) op het standpunt gesteld dat de optredende cumulatie van geluidhinder niet van dien aard is dat daardoor veroorzaakte overlast de grens van het onacceptabele zal overschrijden. Ook eisers bezwaarschriften tegen de verleende ontheffingen voor het openluchtfestival, het internationale volleybaltoernooi en de meifeesten zijn door verweerder bij besluit 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zijn standpunt herhaald dat de optredende cumulatie van geluidhinder niet van dien aard is dat daardoor veroorzaakte overlast de grens van het onacceptabele zal overschrijden

De beroepen

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd van mening te zijn dat nauwelijks rekening is gehouden met de uitspraak van de Afdeling. Volgens eiser volgt de onderbouwing van de onderhavige besluiten de eerdere onderbouwing die door de Afdeling is vernietigd. Eisers belangrijkste bezwaar richt zich

-kort gezegd- tegen de cumulatie van geluidhinder. De geluidsbronnen die overlast veroorzaken zijn de AWACS-vliegtuigen, de voetbalclub, de andere inrichtingen in de directe omgeving en de evenementen. Daarnaast stelt eiser dat het gebruik van het Burgemeester Adamssportpark als evenemententerrein in strijd is met het vigerend bestemmingsplan.

Het verweer

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of de bestreden besluiten in strijd zijn met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Het geding spitst zich toe op de vraag of verweerder bij de thans bestreden besluiten, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling, bij het verlenen van de ontheffing ex artikel 4.1.7 APV ten behoeve van het Kevertreffen, openluchtfestival, internationaal volleybaltoernooi en de meifeesten voldoende rekening heeft gehouden met de cumulatie van geluidhinder in de directe omgeving van het evenemententerrein veroorzaakt door AWACS-vliegtuigen, de voetbalclub en het partycentrum “De Schinvelderhoeve”.

De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

AWACS

In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat daar waar noodzakelijk door isolatie van woningen de geluidhinder in de woningen beperkt is. Voorts is verweerder van mening dat in de gehele gemeente sprake is van een zekere mate van geluidhinder door AWACS, dus niet enkel voor eiser. Volgens verweerder is dat geen omstandigheid die ertoe zou moeten leiden dat er geen enkele geluidsontheffing ex artikel 4.1.7 van de APV zou mogen worden verleend.

Partycentrum “De Schinvelderhoeve”

Deze inrichting voldoet volgens verweerder aan de wettelijke normen zoals vastgelegd in het Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen, derhalve is verweerder van mening dat geen sprake is van een dermate ernstige hindersituatie die ertoe zou moeten leiden dat geen ontheffing ex artikel 4.1.7 van de APV zou mogen worden verleend.

Voetbalclub

Ook ten aanzien van de voetbalclub is verweerder van mening dat de wettelijke geluidsnormen niet worden overschreden en er zich dus geen weigeringsgrond voordoet op basis waarvan geen ontheffing zou mogen worden verleend.

Ten aanzien van de in geding zijnde verleende ontheffingen voor het Kevertreffen, het Openluchtfestival, het internationaal volleybaltoernooi en de meifeesten, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de cumulatie van geluidhinder niet van zodanige aard is dat de gevraagde ontheffingen zouden moeten worden geweigerd.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde stelling met betrekking tot de cumulatie van de reeds aanwezige geluidshinder van de AWACS, Schinvelderhoeve en voetbalterrein en de geluidshinder tengevolge van de diverse evenementen onvoldoende is onderbouwd.

Uit de thans bestreden besluiten blijkt niet dat verweerder rekening heeft gehouden met de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2005 namelijk, de omstandigheid dat eiser reeds overlast ondervindt van andere in de omgeving van zijn woning aanwezige geluidsbronnen diende verweerder bij de besluitvorming als een relevant belang te betrekken.

Eiser heeft aangevoerd dat de door verweerder aanvaarde “overlastdagen” (zijn woning betreffende) op 44 dagen kan worden vastgesteld. De evenementen vinden praktisch allemaal in de maanden mei, juni, augustus en september plaats met als gevolg dat bijna elk weekend voor overlast moet worden gevreesd. De woning van eiser ligt op nog geen 50 meter van de voetbalvelden en het evenemententerrein en ligt bovendien 30 meter hoger dan de woningen in de omgeving.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat van de zijde van verweerder geen onderzoek is verricht naar (de jaarlijks terugkerende) cumulatie van geluidshinder.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding en het nemen van de thans bestreden besluiten in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld. Verweerder is voor de afzonderlijke overlastgevende inrichtingen slechts de mening toegedaan dat er geen sprake is van dermate ernstige hinder dat geen ontheffing zou mogen worden verleend. Verweerder heeft die mening niet onderbouwd en heeft evenmin blijk gegeven de verschillende overlastgevende inrichtingen in verhouding tot de diverse evenementen in onderlinge samenhang te hebben bezien.

Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met eisers belangen. Zoals hiervoor reeds is aangegeven ligt de woning van eiser op betrekkelijk korte afstand van de voetvalvelden en het evenemententerrein. Uit de stukken en het verhandelde te zitting is de rechtbank niet gebleken dat verweerder aan de (in dit geval) bijzondere omstandigheid dat eisers woning 30 meter hoger ligt dan andere woningen in de omgeving aandacht heeft besteed. Deze omstandigheid versterkt nog meer de noodzaak van nader onderzoek naar de gevolgen van (cumulatie van) geluidshinder voor de woning van eiser. De rechtbank komt het niet ondenkbeeldig voor dat het effect van geluid door de ligging van de woning ook een andere impact zou kunnen hebben.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten een deugdelijke motivering ontberen, hetgeen op grond van artikel 7:12 van de Awb is vereist. De beroepen van eiser dienen dan ook gegrond worden verklaard.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak (een) nieuw(e) besluit(en) te nemen op de bezwaren van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van 4 x € 141,00 (= € 564,--) wordt vergoed door de gemeente Onderbanken.

Aldus gedaan door mr. E.V.L. Heuts in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2007 door mr. Heuts voornoemd in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Heyltjes, griffier.

w.g. M. Heyltjes w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 22 februari 2007

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver¬wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.