Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ8619

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
03/008468-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Officier van justitie vordert niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van de vervolging van verdachte.

De rechtbank overweegt, dat er in casu sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, namelijk een overschrijding van 23 maanden, waardoor in dit uitzonderlijke geval het rechtsgevolg moet zijn dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/008468-02

Datum uitspraak: 31 januari 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 6 december 2002 te Schinveld, gemeente Onderbanken, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, en/of waren, die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had, en/of waren, waarop of op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst te weten 459 jassen voorzien van het merk "Fubu", heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken en/of waren die zelf of op hun verpakking valselijk waren voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht had en/of waren, waarop op op de verpakking waarvan een handelsnaam van een ander of een merk waarop een ander recht had, zij het dan ook met een geringe afwijking, was nagebootst, te weten 2550, althans een of meer kleding, bestaande uit: - broeken voorzien van de/het merk(en) "Tommy Hilis" en/of "Cars" en/of "Fubu" en/of "Ecko" en/of "Nickilson" "Levis" en/of "SouthPole" en/of "Miss Sixty" en/of "Boss" en/of "Diesel" en/of "DKNY" en/of - sweaters voorzien van de/het merk(en) "DKNY" en/of "Ecko" en/of "Boss" en/of "Lonsdale" en/of "Adidas" en/of "Fubu" en/of "Mexx" en/of "Wu Tang" en/of

- jassen voorzien van de/het merk(en) "Tommy Hilis" en/of "Helly Hansen"

- 156, althans een of meer horloges voorzien van de/het merk(en)"Breitling"

en/of "Rolex" en/of "Cartier" en/of "Tag Heuer" en/of "Omega" en/of "Chopara"

en/of "Alange & Sohne" en/of "Monza" en/of

- 26 pakken, althans een of meer waspoeder voorzien van de/het merk(en) en/of

"Ariel" en/of

- 5 pakken, althans een of meer vaatwastabletten voorzien van de/het merk(en)

"Sun Tablets"

heeft verkocht of te koop heeft aangeboden, zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van genoemd(e) misdrij(f)(ven) op of omstreeks 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum zijn beroep heeft gemaakt of het plegen van die/dat misdrij(f)(ven) als bedrijf heeft uitgeoefend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk geval eenmaal, (telkens) opzettelijk een of meer accijnsgoed(eren), te weten

- een (groot) aantal sigaretten, merk Pall Mall en/of

- een (groot) aantal sigaretten, merk West en/of

- een (groot) aantal sigaretten, merk Cabellero

voorhanden heeft gehad welk(e) (telkens) niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing betrokken was/waren, immers was/waren de pakjes sigaretten niet voorzien van (een) Nederlandse accijnszegel(s);

4.

hij op of omstreeks 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II, te weten 150 pepperspraybussen en/of 14 sleutelhangers CSgas-spuitbussen en/of 15 sleutelhangers Pepperspraybussen (telkens) zijnde een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, niet zijnde medische hulpmiddelen en/of van vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en psitolen, bestemd voor het afschieten van munitie met weerloosmakende of traanverwekkende stof, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum, tezamen en in vereniging met een ander of meer anderen, althans alleen, een of meer wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie I, te weten 329 Stiletto-aanstekers en/of 44 Valmes-aanstekers en/of 2 vlindermessen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

6.

hij in of omstreeks de periode van 22 december 2002 tot en met 4 februari 2003 in de gemeente Brunssum, althans in het arrondissement Maastricht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 40 Gilette Gift Sets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde Gift Sets scheermesjes wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging gevorderd omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Deze vordering is, zakelijk weergegeven, toegelicht met de navolgende argumenten:

1e dat het beginpunt voor de aanvang van de redelijke termijn, de “criminal charge”, 4 februari 2003 is, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. Vanaf dat moment is sprake van een handeling vanwege de Staat waaraan de verwachting kon en moest worden ontleend dat er strafvervolging tegen verdachte zou worden ingesteld;

dat het gerechtelijk vooronderzoek gesloten is op 27 juni 2003; dat er op 2 juli 2003 een kennisgeving verdere vervolging aan verdachte is verzonden;

dat de zaak ter terechtzitting van 3 maart 2004 is aangebracht op welke zitting het onderzoek voor onbepaalde tijd is aangehouden aangezien op verzoek van de raadsman elf getuigen door de rechter-commissaris zouden worden verhoord; dat de zaak vervolgens is aangebracht ter terechtzitting van 1 december 2004, op welke zitting de verdachte niet is verschenen en het onderzoek ter terechtzitting op grond van artikel 265, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor onbepaalde tijd is geschorst;

dat de zaak is aangebracht op de zitting van 21 juni 2006 en dat bleek dat de oproeping niet aan verdachte was uitgereikt en dat derhalve de rechtbank de oproeping nietig heeft verklaard;

dat onderhavige zaak pas ter zitting van 17 januari 2007 voor de eerste maal wordt behandeld; dat inmiddels een periode van ruim 47 maanden na de eerste daad van vervolging is verstreken;

dat – met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd in NJ 1998, 811, alsmede het arrest van de Hoge Raad gepubliceerd in NJ 2000, 721, waarin de Hoge Raad als uitgangspunt voor de procedure in eerste aanleg tussen beginpunt en eindvonnis als redelijke termijn een periode van 24 maanden hanteert – de officier van justitie van mening is dat de onderhavige periode van ruim 47 maanden een dusdanige overschrijding van de redelijke termijn is dat in beginsel een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de rede ligt;

dat dit pas anders zou kunnen zijn indien de vertraging haar oorzaak vindt in een reden die niet te wijten is aan het openbaar ministerie maar met name door verzoeken van de zijde van de verdediging is ontstaan, hetgeen niet het geval is geweest;

2e dat géén sprake is van bijzondere factoren als bedoeld in genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals de complexiteit in de onderhavige zaak, de vraag of verdachte de zaak willens en wetens heeft getraineerd, of dat door de officier van justitie een verklaring kan worden gegeven voor de langere periodes van inactiviteit tussen de behandelingen ter terechtzitting;

3e dat de Hoge Raad, gelet op zijn jurisprudentie, inmiddels heeft bepaald dat in zeer ernstige gevallen van overschrijding van de redelijke termijn een niet-ontvankelijk-verklaring op zijn plaats is en niet strafvermindering en dat in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke excessieve overschrijding.

Uit het voortgaande vloeit voort dat de belangen van de verdachte zo ernstig zijn geschaad dat

de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging.

De advocaat heeft zich gerefereerd aan de vordering van de officier van justitie tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en heeft de rechtbank vervolgens verzocht over te gaan tot het opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank overweegt omtrent de vordering van de officier van justitie het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 4 februari 2003. De rechtbank constateert dat sinds 4 februari 2003 tot de openbare behandeling van de onderhavige zaak op 17 januari 2007 een termijn van 47 maanden is verstreken. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

De rechtbank constateert verder dat behoudens het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen, de vertraging voor rekening komt van het Openbaar Ministerie. De rechtbank is derhalve van oordeel dat in deze zaak géén sprake is van bijzondere omstandigheden als de ingewikkeldheid van de zaak of een negatieve invloed van de zijde van verdachte of diens raadsman op het procesverloop.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat sprake is van een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, namelijk een overschrijding van 23 maanden, en dat bij afweging van de betrokken belangen – te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat deze termijn is overschreden – in dit geval het belang van verdachte dient te prevaleren, alsmede dat in dit uitzonderlijke geval het rechtsgevolg moet zijn dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

DE BESLISSING:

De rechtbank:

-verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging;

-heft op het geschorste bevel van voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. T.M. Schalken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Teeuwissen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2007, zijnde mr. T.M. Schalken buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/008468-02

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 31 januari 2007 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte].

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr./mevr. , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De rechter spreekt het vonnis uit en geeft de verdachte kennis dat hij daartegen binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard.