Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ8219

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
12-02-2007
Zaaknummer
AWB 07 / 63 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen het (gestelde) niet tijdig beslissen op verzoek om handhavend optreden tegen werkzaamheden aan het spoortraject Budel-Weert. Ten aanzien van de termijn waarbinnen op een dergelijk verzoek dient te worden beslist is artikel 4:13 van de Awb onverkort van toepassing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet in zijn algemeenheid worden volgehouden dat ten aanzien van een verzoek als het onderhavige een redelijke termijn om te beslissen eerst na acht weken is verstreken; ten aanzien van een dergelijk verzoek is het bepaald niet ondenkbaar dat in sommige gevallen de redelijke termijn om een beslissing te nemen zelfs reeds na enige dagen zal zijn verstreken. Of een dergelijk geval zich voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat verzoekster verweerder de facto één werkdag heeft gelaten om op haar verzoek te beslissen. Deze termijn van één werkdag kan in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een redelijke termijn om te beslissen worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 07 / 63 WET VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Stichting Milieufederatie Limburg,

gevestigd te Maastricht, verzoekster,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Dienst Regelingen Dordrecht; Team JZ),

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb

Behandeling ter zitting: 19 januari 2007

I. Ontstaan en loop van het geding

Namens verzoekster heeft mr. R. D. Boesveld, advocaat te Amsterdam, bij schrijven van 10 januari 2007 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen door ProRail aangevangen werkzaamheden aan het spoortraject Budel-Weert.

Bij schrijven van 11 januari 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster een bezwaarschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op zijn handhavingsverzoek van 10 januari 2007.

Bij afzonderlijk schrijven van 11 januari 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

Voormeld verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 19 januari 2007, waar verzoekster is verschenen bij haar gemachtigde mr. P. van den Biesen, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. Boesveld voornoemd, vergezeld van de heer [naam1].

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A. Ghallit, vergezeld van de heer [naam2], ecoloog.

Namens ProRail B.V. is verschenen mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, vergezeld van de heer L. Makkinga, bedrijfsjurist bij ProRail.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt, dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Voorts is in artikel 4:13 van de Awb – voor zover hier van belang – bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan.

In artikel 4:14 van de Awb is bepaald dat indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, het bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis stelt en het daarbij een redelijke termijn noemt waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

In het onderhavige geval heeft verzoekster bij brief van 10 januari 2007 een verzoek tot het nemen van een beslissing gedaan. Uitgaande van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van 11 januari 2007, moet vervolgens door de voorzieningenrechter worden geconstateerd dat verzoekster (kennelijk) de opvatting is toegedaan dat op 11 januari 2007 de redelijke termijn om op het verzoek te beslissen was verstreken, weshalve vanaf laatstgenoemde datum in de optiek van verzoekster sprake is van het niet tijdig nemen van een beslissing op deze aanvraag.

Gebleken is dat voor een handhavingsverzoek geen wettelijke termijn is bepaald waarbinnen een beschikking op aanvraag moet worden gegeven.

Ten aanzien van de bepaling van deze termijn is artikel 4:13 van de Awb derhalve onverkort van toepassing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet in zijn algemeenheid worden volgehouden dat ten aanzien van een verzoek als het onderhavige een redelijke termijn om te beslissen eerst na acht weken is verstreken; ten aanzien van een dergelijk verzoek is het bepaald niet ondenkbaar dat in sommige gevallen de redelijke termijn om een beslissing te nemen zelfs reeds na enige dagen zal zijn verstreken. Of een dergelijk geval zich voordoet is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat verzoekster verweerder de facto één werkdag heeft gelaten om op haar verzoek te beslissen. Dit betrof een verzoek om handhavend op te treden tegen werkzaamheden door ProRail aan een spoortraject tussen Budel en Weert omdat deze werkzaamheden volgens verzoekster in strijd zijn met de Flora- en faunawet.

Deze termijn van één werkdag kan in casu naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als een redelijke termijn om te beslissen worden beschouwd.

Daartoe wordt overwogen dat verzoekster reeds geruime tijd voor haar verzoek tot handhaving geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van de in geding zijnde werkzaamheden. Uit de stukken blijkt immers dat verzoekster reeds op 29 november 2006 door verweerder in het bezit is gesteld van (een kopie van) een fax van ProRail van 24 november 2006 aan verweerder, waarin ProRail aankondigt dat er over de periode van 28 november 2006 tot en met 22 december 2006 verscheidene voorbereidende werkzaamheden zullen plaatsvinden.

Ook was verzoekster op de hoogte van het feit dat verweerder op 10 oktober 2006 ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet heeft verleend ten aanzien van de levendbarende hagedis, doch niet ten aanzien van andere dieren of planten.

Vervolgens heeft verzoekster, om haar moverende redenen, nog geruime tijd gewacht met het doen van het verzoek.

Daarbij komt nog dat er door verweerder onderzoek gedaan moet worden naar de beweerdelijke overtreding, welk onderzoek enige tijd kan vergen.

Onder dergelijke omstandigheden acht de voorzieningenrechter de verweerder gegunde termijn van een dag onredelijk kort. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift op 11 januari 2007 was derhalve nog niet sprake van het niet tijdig nemen van een besluit.

Verzoekster is derhalve niet ontvankelijk te achten in haar bezwaren.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen.

Op grond van artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2007 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 12 februari 2007

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.