Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ8020

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
07-02-2007
Zaaknummer
03/700583-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is betrokken geweest bij de verkoop van verdovende middelen vanuit een woning. De vraag is of de aanwezigheid van de drugs in die woning aan deze verdachte kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700583-06

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[Naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 23 oktober 2006 in de gemeente Margraten, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende heroïne en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne , zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op of omstreeks 23 oktober 2006 in de gemeente Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 295 en/of 10,6 en/of 3 en/of 109,1 en/of 27,3 en/of 39 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of (ongeveer) 24,7 gram, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 23 oktober 2006 in de gemeente Margraten, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne en hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 23 oktober 2006 in de gemeente Margraten, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 295 en 10,6 en 3 gram van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 24,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 1 overweegt de rechtbank het volgende.

Op 23 oktober 2006 werden [S.] en [L.] aangehouden nadat ze in het perceel Gasthuis 19 te Bemelen harddrugs hadden gekocht. Uit de gehouden ODV-testen bleek dat [S.] in totaal bruto 143,3 gram op heroïne gelijkende stof in haar bezit had en [L.] in totaal bruto 15,4 gram op heroïne gelijkende stof en 0,6 gram op cocaïne gelijkende stof. In het geval van [L.] wordt door een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut bevestigd dat [L.] heroïne en cocaïne in haar bezit had. Een dergelijk deskundigenrapport inzake [S.] ontbreekt echter bij de stukken. Gelet op het feit dat zowel [S.] en [L.] tegenover de politie hebben verklaard dat ze verslaafd zijn aan verdovende middelen en al jarenlang dagelijks heroïne gebruiken, dat ze zelf de cocaïne en de heroïne door te snuiven hebben getest en de kwaliteit goed was en dat de heroïne en de cocaïne die [S.] had gekocht afkomstig was van dezelfde partij als waarvan [S.] en [L.] het proefmonster hebben gebruikt, acht de rechtbank bewezen dat het verdovend middel dat [S.] bij haar aanhouding in haar bezit had eveneens heroïne betrof.

Met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat, nadat de verdachte en zijn mededader op 23 oktober 2006 harddrugs aan [S.] en [L.] voornoemd hadden verkocht, zij samen naar een internetcafé in Maastricht zijn gegaan en in de avonduren weer zijn teruggekeerd naar het appartement te Bemelen, alwaar verdachte en zijn mededader door de politie werden aangehouden. Op grond van de eerder op de dag gedane verkoop van verdovende middelen, zoals onder 1 bewezenverklaard, en de omstandigheid dat de verkochte verdovende middelen - kennelijk - niet van ver hoefden te worden aangevoerd, had de verdachte door terug te keren naar het appartement te Bemelen, naar het oordeel van de rechtbank, zich ervan bewust moeten zijn dat er nog meer verdovende middelen als handelsvoorraad in de woning aanwezig waren of konden zijn. De rechtbank heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden. Uit het naar aanleiding van de doorzoeking van de woning te Bemelen opgemaakte proces-verbaal, blijkt dat het een relatief klein appartement betreft, bestaande uit één verdieping en dat tijdens de doorzoeking ondermeer op de salontafel in de woonkamer een mixer wordt aangetroffen, onder de glasplaat van de salontafel een weegschaal en op de vloer in de badkamer een mixer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit attributen zijn die horen bij de verkoop van verdovende middelen en wijzen op de verkoop van niet geringe hoeveelheden. Vaststaat dat verdachte bij de eerder plaats gevonden verkoop een van de mixers heeft vastgehouden en bediend.

Door vanuit Maastricht terug te keren naar de woning te Bemelen, alwaar de verdachte eerder op de dag betrokken is geweest bij de verkoop van verdovende middelen, het feit dat het een relatief klein appartement betreft en het feit dat de hiervoor genoemde attributen duidelijk zichtbaar in de woning lagen, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de niet denkbeeldige, zelfs de voor de hand liggende mogelijkheid van een verboden aanwezigheid van verdovende middelen in de woning te Bemelen en moet verdachte zich bewust zijn geweest van dit risico en heeft hij dit risico aanvaard.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twintig weken, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan negentien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de richtlijnen van de jeugdreclassering.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte tevens een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren zal worden opgelegd.

De raadsman heeft terzake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 geconcludeerd tot vrijspraak.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld. De rechtbank heeft hierbij tevens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte en zijn geringe rol in het bewezenverklaarde.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 47, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van TWINTIG weken;

- beveelt, dat van de opgelegde jeugddetentie een deel, groot NEGENTIEN weken, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg in het Arrondissement Utrecht te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarde hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeeld de verdachte tevens tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van HONDERDTACHTIG uren;

- verstaat dat deze taakstraf moet zijn voltooid binnen een jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van NEGENTIG dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Th.J.M. Oostdijk, voorzitter, kinderrechter, mr. B.G.L. van der Aa en mr. B. Damen, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 februari 2007, zijnde mr. B. Damen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.