Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ7308

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
03-700388-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces) en eigen schuld

Verdachte heeft zich van te voren voorzien van een mes. Beroep op noodweer verworpen; beroep op noodweerexces aanvaard, zowel ten aanzien van het later dodelijk getroffen slachtoffer als haar echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700388-06

Datum uitspraak: 30 januari 2007

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2007 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Z-O, Evertsoord Ter Peel BB/ZBB te Evertsoord.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachte rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken in het lichaam (onder meer in het rechterbovenbeen/de rechterliesstreek) van die [naam slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, gestoken in het lichaam (onder meer in het rechterbovenbeen/de rechterliesstreek) van die [naam slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (te weten diverse steekwonden/snijwonden onder meer in het rechterbovenbeen/de rechterliesstreek), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken/snijden, terwijl dat feit de dood van die [naam slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel (te weten diverse steekwonden/snijwonden onder meer in het rechterbovenbeen/de rechterliesstreek), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken/snijden, terwijl dat feit de dood van die [naam slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam (te weten in de rechterzijkant van de borstkas en/of in de rechteronderarm en/of de linkerbovenarm) van die [naam slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam (te weten in de rechterzijkant van de borstkas en/of in de rechteronderarm en/of de linkerbovenarm) van die [naam slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade, aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, in het lichaam heeft gestoken/gesneden (te weten in de rechterzijkant van de borstkas en/of de rechteronderarm en/of de rechterbovenarm) van die [naam slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, in het lichaam heeft gestoken/gesneden (te weten in de rechterzijkant van de borstkas en/of de rechteronderarm en/of de rechterbovenarm), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen en is derhalve geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De vaststaande feiten

Op basis van het dossier van de strafzaak en hetgeen ter terechtzitting is gebeurd en besproken staan voor de rechtbank de navolgende feiten vast:

Tussen verdachte en het later dodelijk getroffen slachtoffer [naam slachtoffer 1] bestaat onenigheid, omdat [naam slachtoffer 1] heeft gedreigd ervoor te zullen zorgen dat de zoon van verdachte uit huis wordt geplaatst door Bureau Jeugdzorg. Op 16 juli 2006 vindt er een chat-sessie plaats tussen verdachte en [naam slachtoffer 1], waarbij verdachte aan [naam slachtoffer 1] mededeelt dat zij gehoord heeft dat [naam slachtoffer 1] lesbische neigingen heeft (verklaring verdachte, p. 107 e.v. en verklaring [naam slachtoffer 2], p. 185). Voor [naam slachtoffer 1] is dit aanleiding om – tezamen met haar echtgenoot [naam slachtoffer 2] - langs te gaan bij verdachte om tekst en uitleg te vragen. Verdachte, die vermoedt dat [naam slachtoffer 1] samen met haar echtgenoot [naam slachtoffer 2] zal komen, stopt uit voorzorg een mes in haar broeksband (verklaring verdachte, p. 59).

Nadat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] bij de woning van verdachte zijn gearriveerd en verdachte de deur heeft geopend, ontstaat er een woordenwisseling tussen [naam slachtoffer 1] en verdachte, gevolgd door een vechtpartij (verklaring [naam slachtoffer 2], p. 148 en verklaring verdachte, p. 56). [naam slachtoffer 2] trekt daarop [naam slachtoffer 1] van verdachte af (verklaring verdachte, p. 56 en p. 110 en verklaring [naam slachtoffer 2], p. 148). Vervolgens slaat [naam slachtoffer 2] verdachte op het hoofd met een klompschoen, waarna verdachte op haar beurt [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] in het lichaam steekt met een mes (verklaring [naam slachtoffer 2], p. 149 en verklaring verdachte, p. 177). [naam slachtoffer 1] wordt dodelijk gewond (sectierapport, p. 241). [naam slachtoffer 2] mag na één nacht ter observatie het ziekenhuis verlaten (geneeskundige verklaring, p. 395).

Het bewijs

- De officier van justitie acht het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

- De raadsvrouw betwist dat er met betrekking tot het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde aan de zijde van verdachte sprake is geweest van “kalm beraad en rustig overleg’’ en van “opzet’’. Dit verweer voert zij eveneens met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde. In de visie van de raadsvrouw kan het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 meest subsidiair tenlastegelegde wél bewezen worden verklaard.

- Naar het oordeel van de rechtbank moet verdachte van het onder 1 primair en van het onder 2 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken, omdat uit het dossier niet blijkt van enig tijdsverloop tussen het moment waarop verdachte besluit om met het mes te gaan steken en de uitvoering van dit besluit. Niet blijkt dat verdachte heeft nagedacht over respectievelijk zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad. Daarmee is aan de voorwaarden voor handelen met voorbedachten rade niet voldaan.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door in het wilde weg om zich heen te steken met een mes, terwijl [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] zich in haar onmiddellijke nabijheid bevinden, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] dodelijk zou verwonden. De rechtbank acht daarom het onder 1 subsidiair en het onder 2 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het bovenstaande leidt tot de volgende bewezenverklaring en kwalificatie:

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1 subsidiair:

zij op 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met een mes gestoken in het lichaam (onder meer in de rechterliesstreek) van die [naam slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2 subsidiair:

zij op 16 juli 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een mes in het lichaam (te weten in de rechterzijkant van de borstkas en in de rechteronderarm en de linkerbovenarm) van die [naam slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 subsidiair:

doodslag.

Feit 2 subsidiair:

poging tot doodslag.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op de feiten en omstandigheden zoals in dit vonnis opgenomen.

De strafbaarheid van het feit en van de verdachte

- De raadsvrouw heeft primair geconcludeerd dat haar cliënt niet strafbaar is ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, omdat zij uit noodweer handelde. De door cliënte gemaakte stekende bewegingen waren geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Indien niet is voldaan aan het proportionaliteitsbeginsel en cliënte de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan dient het er voor gehouden te worden dat cliënte desalniettemin niet strafbaar is, omdat die overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door die aanranding is veroorzaakt. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw cliënte van alle rechtsvervolging te ontslaan wegens noodweerexces.

- De officier van justitie is van mening dat het beroep op noodweer danwel noodweerexces niet opgaat. Verdachte heeft zelf de ruzie uitgelokt en met het oog op de verwachte confrontatie een mes bij zich gestoken. Verdachte hoefde niet voor haar leven te vrezen, omdat zij een in beginsel dodelijk wapen onder handbereik had. Zij had het uit de hand lopen van de situatie kunnen voorkomen door weg te gaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de inhoud van de door [naam slachtoffer 2] afgelegde verklaringen. De officier van justitie acht de door [naam slachtoffer 2] afgelegde verklaringen geloofwaardiger dan de door verdachte afgelegde verklaringen.

- De rechtbank overweegt omtrent hetgeen door de verdediging en door de officier van justitie naar voren is gebracht het navolgende:

Indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer danwel noodweerexces is gedaan, moet de rechtbank onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Wil een beroep op noodweer kunnen slagen, dan moet er sprake zijn van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij het doel van de verdediging noodzakelijk en het verdedigings-middel geboden is.

Verdachte heeft verklaard dat zij in het wilde weg met een mes om zich heen is gaan steken, omdat zij voor haar leven vreesde toen [naam slachtoffer 2] met een klompschoen op haar hoofd sloeg en bleef doorgaan met slaan (verklaring verdachte, p. 176). [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij pas met de klompschoen is gaan slaan, nadat verdachte het mes tevoorschijn had gehaald. Volgens [naam slachtoffer 2] zat verdachte toen bij de grond (verklaring [naam slachtoffer 2], p. 149). De als getuige gehoorde buurtbewoner [naam getuige L. ] heeft evenwel verklaard dat verdachte stond, toen zij door [naam slachtoffer 2] met een voorwerp werd geslagen (verklaring [naam getuige L. ], p. 141 en p. 142). Dit laatste stemt overeen met de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring, inhoudende dat zij al door [naam slachtoffer 2] werd geslagen, voordat ze het mes had gepakt (verklaring verdachte, p. 110). Gelet op deze overeenstemming hecht de rechtbank meer waarde aan verdachtes verklaring dan aan die van [naam slachtoffer 2]. Op grond van het vorenstaande gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte reeds werd geslagen door [naam slachtoffer 2], toen zij het mes nog niet tevoorschijn had gehaald.

Verdachte heeft verder verklaard dat zij, ook nadat zij op de grond terecht was gekomen, nog steeds door [naam slachtoffer 2] werd geslagen. Pas toen heeft zij het mes gepakt (verklaring verdachte, p. 177). Op grond van de verklaring van verdachte en de verklaring van [naam slachtoffer 2], zoals hierboven aangegeven, acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte zich op de grond bevond toen ze met het mes stak. Gelet op de omstandigheden waaronder dit steken heeft plaatsgevonden, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ogenblikkelijke aanranding.

De vraag rijst of de aanranding door [naam slachtoffer 2] van verdachte wederrechtelijk was. De rechtbank gaat er vanuit dat [naam slachtoffer 2] verdachte met een klompschoen op het hoofd heeft geslagen om een einde te maken aan de vechtpartij tussen zijn vrouw en verdachte. In de visie van de rechtbank was deze actie van [naam slachtoffer 2] jegens verdachte niet noodzakelijk en bovendien buitensporig. De rechtbank leidt uit het dossier van de strafzaak af dat aan [naam slachtoffer 2] andere mogelijkheden ten dienste hebben gestaan om een einde te maken aan de vechtpartij tussen zijn vrouw en verdachte. Fysiek was [naam slachtoffer 2] de meerdere van verdachte; bovendien had [naam slachtoffer 2] blijkens zijn eigen verklaring de beide vechtende vrouwen al eerder uit elkaar gehaald (verklaring [naam slachtoffer 2], p. 148). Dat [naam slachtoffer 2] te dezen gehandeld heeft onder de invloed van een heftige gemoedsbeweging is de rechtbank niet gebleken. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank dan ook aannemelijk dat op het moment waarop verdachte het mes tevoorschijn haalde en ermee stak, er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [naam slachtoffer 2] van verdachte.

Verdachte heeft aangevoerd dat haar geen andere mogelijkheid restte dan het mes te pakken en ermee te steken om zich tegen de aanranding van [naam slachtoffer 2] te verweren. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte, die immers voortdurend op haar hoofd werd geslagen en als gevolg daarvan bloedende hoofdwonden had opgelopen, zich gedurende de chaotische en hectische situatie enerzijds niet goed heeft kunnen oriënteren omtrent mogelijk voor haar openstaande vluchtwegen in het zeer kleine halletje waar zij zich met haar beide belagers bevond en anderzijds belemmerd werd om haar woning te verlaten, omdat haar 4-jarige zoon op de eerste verdieping van de woning lag te slapen.

De rechtbank is van oordeel dat onder de geschetste omstandigheden verdachte gerechtigd was om zich tegen [naam slachtoffer 2] te verdedigen en zich te verweren door te dreigen met het mes dat zij uit voorzorg in haar broeksband had gestoken. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte vantevoren een mes bij zich gestoken had, niet een zodanige “eigen schuld” oplevert dat dit in de weg staat aan de aanvaarding van een beroep op noodweer danwel noodweerexces.

Verdachte heeft tijdens de vechtpartij op een bepaald moment in het wilde weg om zich heen gestoken met het mes. Daarmee heeft verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer moet dan ook worden verworpen.

De rechtbank acht, in tegenstelling tot de officier van justitie, aannemelijk dat het door verdachte steken van [naam slachtoffer 2] het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging (verklaring verdachte p. 176, verklaring [naam getuige N.] p. 131), te weten de angst het leven te verliezen, opgewekt door de agressie van [naam slachtoffer 2]. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachtes beroep op noodweerexces ten aanzien van [naam slachtoffer 2] terecht is voorgedragen.

Op basis van het dossier staat vast dat [naam slachtoffer 1] is overleden aan de gevolgen van een steekwond, opgelopen bij het in het wilde weg om zich heen steken door verdachte in het halletje van haar woning tijdens een vechtpartij. Niet is komen vast te staan dat op het moment van steken door verdachte, er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam slachtoffer 1] jegens verdachte. Aanvankelijk werd er alleen tussen [naam slachtoffer 1] en verdachte gevochten. Na korte tijd werd het gevecht van [naam slachtoffer 1] met verdachte overgenomen/voortgezet door [naam slachtoffer 2]. Ten tijde van het steken met het mes stonden [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] in de directe nabijheid van verdachte. Op grond van het vorenstaande kan worden gesteld dat [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] aldus als een eenheid hebben geopereerd tegenover verdachte.

Ook ten aanzien van [naam slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door in het wilde weg om zich heen te steken met het mes, de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Verdachtes beroep op noodweer moet dan ook hier worden verworpen.

De rechtbank acht aannemelijk dat het steken door verdachte van [naam slachtoffer 1] met het mes het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, te weten de angst het leven te verliezen. Het door verdachte gedane beroep op noodweerexces met betrekking tot [naam slachtoffer 1] is daarmee terecht voorgedragen.

De straf

- De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en 2 primair zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en dat het inbeslaggenomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer. De overige in beslag genomen goederen kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Tenslotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de civiele vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] voor wat betreft het materiële gedeelte zal worden toegewezen.

- Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan verzoekt de raadsvrouw cliënte slechts te veroordelen voor het onder 1 en 2 meest subsidiair tenlastegelegde en verzoekt zij te volstaan met een milde straf, gezien het aandeel van [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] in de gebeurtenissen.

- De rechtbank is van oordeel dat verdachte, in aanmerking genomen dat verdachtes beroep op noodweerexces zowel ten aanzien van [naam slachtoffer 1] als [naam slachtoffer 2] zal worden gehonoreerd, zoals hiervoor is overwogen, niet alleen ten aanzien van hetgeen onder 1 subsidiair bewezen is verklaard maar ook ten aanzien van hetgeen onder 2 subsidiair bewezen is verklaard van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Het beslag

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met behulp waarvan het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer 2] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen en aan haar ter zake geen straf of maatregel zal worden opgelegd, kan [naam slachtoffer 2] als benadeelde partij niet in zijn vordering worden ontvangen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

-verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert;

-verklaart verdachte deswege niet strafbaar en ontslaat haar dientengevolge van alle rechtsvervolging;

-verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten 1 mes;

-gelast de teruggave aan [naam slachtoffer 2] [adres naam slachtoffer 2] van het inbeslaggenomene, te weten:

1 GSM kleur: roze Samsung

1 GSM kleur: grijs Siemens Mc60

1 oplaadapparaat Siemens voor Siemens Mc 60

1 adapter Lite-on bij laptop Fujitsu

1 agenda kleur: roze HEMA

1 computer kleur: zilver Fujitsu Amilo D 7830 3706720213;

-verklaart [naam slachtoffer 2], [adres naam slachtoffer ], zijnde de benadeelde partij, in zijn vordering niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. M.E. Kramer en mr. J.H. Klifman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2007.