Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ7185

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
29-01-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 1048 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motivering t.b.v. uitoefening inherente afwijkingsbevoegdheid niet toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 1048 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Hoensbroek, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen,

gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 15 maart 2006

Kenmerk: 31003/20051244-B-RK

Behandeling ter zitting: 31 augustus 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 maart 2006 heeft verweerder het door de gemachtigde van eiser ingediende bezwaarschrift van 15 december 2005 gericht tegen het besluit van 17 november 2005 waarbij een aanvraag langdurigheidstoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft de gemachtigde van eiser, mr. H.M.J. Offermans, advocaat te Roermond, bij schrijven van 21 april 2006 beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 31 augustus 2006, alwaar eiser en zijn gemachtigde mr. Offermans zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.

2. Overwegingen

Eiser ontvangt sedert 17 juni 2002 een bijstandsuitkering van verweerder. Voordien genoot hij een bijstandsuitkering vanwege de gemeente Landgraaf.

In het kader van de omzetting van eisers uitkering van de Algemene bijstandswet naar de Wet werk en bijstand, zijn bij medewerkers van verweerder vragen gerezen over de psychische gesteldheid van eiser in relatie tot de aan hem op grond van de WWB op te leggen arbeidsverplichtingen. Verweerder heeft de Gemeenschappelijke GezondheidsDienst Oostelijk Zuid-Limburg (GGD) derhalve in mei 2005 verzocht een uitgebreid advies uit te brengen over de psychische belastbaarheid van eiser. Aan eiser is medegedeeld dat hij op grond van de WWB verplicht is om aan de GGD en aanverwante organisaties zijn medewerking te verlenen en dat het niet verlenen van medewerking gesanctioneerd kan worden.

Eiser is begin juli 2005 door de GGD opgeroepen om op het spreekuur te verschijnen. Hij heeft echter telefonisch geweigerd op de keuring te verschijnen en heeft daarbij vermeld dat hij van mening is dat de medewerkers van de Sociale Dienst zelf gekeurd zouden moeten worden. De GGD heeft verweerder bij schrijven van 15 juli 2005 hiervan op de hoogte gebracht en aangegeven dat de keuring wordt geannuleerd.

Verweerder heeft contact gehad met eiser ter zake van het voornemen hem een verlaging van de uitkering op te leggen naar aanleiding van dit voorval. Eiser heeft aangegeven dat hij inmiddels van mening is veranderd en dat hij van plan is zijn volledige medewerking aan een GGD-keuring te zullen verlenen. Aan eiser is wederom medegedeeld dat hij op grond van de WWB verplicht is om aan de GGD en aanverwante organisaties zijn medewerking te verlenen en dat het niet verlenen van medewerking gesanctioneerd kan worden.

Eiser is vervolgens op 29 september 2005 op het spreekuur van psycholoog M. Brugmans verschenen. Deze heeft in het advies van 7 oktober 2005 aangegeven dat het geheel aan gedragingen en belevingen doet vermoeden dat sprake is van psychopathologie. Een nader specialistisch onderzoek wordt zinvol geacht en geadviseerd wordt om eiser tijdelijk te ontheffen van de arbeids- en sollicitatieverplichtingen. De geldingsduur van het onderzoek is volgens de psycholoog bij ongewijzigde omstandigheden 2 jaar.

Bij besluit van 10 oktober 2005 is eiser meegedeeld dat zijn uitkering gedurende de maand september 2005 met 10% wordt verlaagd, omdat hij niet dan wel in onvoldoende mate heeft meegewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Van de maatregel van 20% gedurende 1 maand die bij laatstgenoemde gedraging hoort, wordt afgezien, nu eiser heeft aangegeven voortaan wel volledig mee te werken aan een onderzoek ten behoeve van de arbeidsinschakeling.

Eiser heeft op 10 november 2005 een aanvraag bij verweerder ingediend voor een langdurigheidstoeslag.

De aanvraag van eiser is bij besluit van 17 november 2005 afgewezen, omdat hij niet voldoet aan de criteria om voor langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen, nu aan hem een maatregel is opgelegd wegens het niet meewerken aan een medisch onderzoek om zijn arbeidsongeschiktheid te beoordelen. Hij heeft dus onvoldoende meegewerkt aan de opgelegde arbeidsverplichtingen.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 15 december 2005 een bezwaarschrift ingediend. Kern van het bezwaar is, dat gezien de rapportage van de door verweerder geraadpleegde deskundige psycholoog M. Brugmans, het eiser niet kwalijk kan worden genomen dat hij zijn verplichtingen ten aanzien van de arbeidsinschakeling niet is nagekomen. Op 27 januari 2006 heeft een hoorzitting plaatsgevonden (een verslag daarvan ontbreekt evenwel in het dossier).

Bij het thans bestreden besluit van 15 maart 2006 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de beslissing van 10 oktober 2005, waarbij de maatregel is opgelegd, in rechte vast is komen te staan, nu daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Daarmee staat volgens verweerder vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om voor langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen.

Eiser heeft zich – kort samengevat – in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat de wet verweerder geenszins verplicht om de langdurigheidstoeslag af te wijzen vanwege het feit dat eiser aanvankelijk geen gevolg heeft geven aan de oproep om zich door de psycholoog te laten onderzoeken. De afwijzing van de langdurigheidstoeslag is in strijd met de algemeen verbindende voorschriften en de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Uit het psychologisch onderzoek dat verweerder voor het nemen van het primaire besluit kenbaar was, is immers gebleken dat eiser niet, althans verminderd, te verwijten is dat hij in eerste instantie geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de arbeidsinschakeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerders weigering om eiser in aanmerking te brengen voor de langdurigheidstoeslag op goede gronden is genomen. De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Ingevolge artikel 36 lid 1 WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder desgevraagd aangegeven dat verweerder beleid heeft geformuleerd ter invulling van onderdeel c van het eerste lid van artikel 36 WWB. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 4 juli 2006 (LJN: AY0259) zich over dit beleid als volgt uitgelaten:

“Het College heeft voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, onderdeel c, van de WWB gestelde voorwaarde een beleidsregel geformuleerd. De Raad begrijpt deze beleidsregel, voorzover hier van belang en nader toegelicht ter zitting, aldus dat een persoon die reeds vijf jaar een bijstandsuitkering ontvangt geacht wordt deze voorwaarde te hebben vervuld indien gedurende de in onderdeel a bedoelde periode (hierna: referteperiode) geen maatregel is opgelegd wegens een gedraging bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (verder: Maatregelenbesluit) of geen verlaging van de bijstand wegens het niet voldoen aan de in artikel 9, eerste lid, van de WWB opgenomen verplichting tot arbeidsinschakeling heeft plaatsgevonden overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Is daarentegen in de referteperiode wel een dergelijke maatregel opgelegd of een verlaging toegepast, dan wordt de betrokkene niet geacht aan evenbedoelde voorwaarde te hebben voldaan. Anders dan appellante ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College met deze beleidsregel in strijd is gekomen met de hier van belang zijnde algemeen verbindende voorschriften of daarmee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Deze beleidsregel is ook in overeenstemming met de uitleg die de Staatssecretaris in zijn brief van 7 december 2004 heeft gegeven aan de commissie voor de Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II 28 870, nr. 127). Daarin is aangegeven dat de gemeenten zelf bepalen of, en in welke mate sancties en boeten die in het verleden aan de belanghebbende zijn opgelegd in dit kader relevant zijn en dat in beginsel alleen sancties die het gevolg zijn van een verwijtbaar handelen van de belanghebbende ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling een rol kunnen spelen.“ (cursivering rechtbank Maastricht)

In dit licht bezien acht de rechtbank het (vergelijk de CRvB in bovenaangehaalde zaak) niet onjuist dat in deze beleidsregel besloten ligt dat ook een maatregel wegens het zich in het verleden (verwijtbaar) niet meewerken aan de arbeidsinschakeling als een voor de toepassing van artikel 36 lid 1 aanhef en sub c WWB relevante gedraging wordt aangemerkt.

De rechtbank stelt vast dat in de referteperiode aan eiser een maatregel is opgelegd in verband met een gedraging genoemd in artikel 36 aanhef en sub c Verordening Wet werk en bijstand (Verordening WWB) . Gelet hierop heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag om een langdurigheidstoeslag gehandhaafd op de grond dat eiser niet voldeed aan de in artikel 36 lid 1sub c WWB gestelde voorwaarde. Het voorgaande brengt mee dat verweerder heeft besloten in overeenstemming met de ter zake opgestelde beleidsregel.

De rechtbank stelt evenwel vast dat verweerder in de bestreden beslissing niet expliciet ingaat op de door eiser gestelde bijzondere omstandigheden en onevenredigheid als bedoeld in artikel 4:84 Awb, zoals die volgens eiser blijken uit de rapportage van psycholoog M. Brugmans. De rechtbank is van oordeel dat het voor de motivering omtrent de inherente afwijkingsbevoegdheid in casu onvoldoende is om te verwijzen naar een in rechte vaststaand besluit, waarbij een maatregel is opgelegd. Voor dit oordeel is van belang dat verweerder van de psychische gesteldheid van eiser op het moment van het nemen van het primaire besluit reeds op de hoogte was en voorts is van belang dat namens eiser niet de opgelegde maatregel (i.e. het rechtsgevolg) als zodanig is betwist, maar wel de feitelijke mate van verwijtbaarheid (vergelijk CRvB 18 juli 2006, LJN AY 5576 voor herbevestiging van de bestendige lijn ter zake van aan rechtsgevolgen ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard).

Dit betekent dat het besluit van verweerder van 15 maart 2006 wegens strijd met artikel 4:84 Awb niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verzocht is om veroordeling van verweerder in de kosten van het geding.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1.verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2.draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3.bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,00 wordt vergoed door de gemeente Heerlen.

Aldus gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2007

door mr. Span-Henkens voornoemd in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke, griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. M. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 26 januari 2007

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.