Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ5958

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
115922 KG / ZA 06-495
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opleggen van straat- en contactverbod aan de man is noodzakelijk ter bescherming van de bewegingsvrijheid van de vrouw.

Zeker nu uit de proceshouding van de man afgeleid kan worden dat er een reële dreiging is dat bij afwijzing van de vordering van de vrouw de man opnieuw inbreuk zal plegen op het recht van de vrouw op een ongestoord leven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 11 januari 2007 (bij vervroeging)

Zaaknummer : 115922 / KG ZA 06-495

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[naam eiseres],

wonende te [M.],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 19 december 2006,

procureur mr. B.H.M. Nijsten, (toevoeging aangevraagd),

tegen:

[naam gedaagde],

wonende te [M.],

gedaagde,

In persoon verschenen.

1.Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noeme[A.]], heeft gedaagde, hierna te noemen: [L.], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 4 januari 2007, heeft [A.] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden en met de dagvaarding meebetekende producties nader heeft doen toelichten.

[L.] heeft mondeling verweer gevoerd

Partijen hebben daarna in tweede termijn op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.Het geschil

2.1

Partijen hebben gedurende zeven jaren een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is een dochter geboren, genaamd [E.]. [E.] is nu drieëneenhalf jaar oud.

Uit een andere relatie heeft [A.] nog twee dochters van 16 respectievelijk 14 jaren oud.

Na een paar korte breuken in de relatie, is deze eind maart 2006 definitief tot een einde gekomen.

2.2

[A.] vordert om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [L.] te verbieden zich te bevinden in of aan de [adres 1] alsmede het gebied omvattende de [adres 1], de [adres 2] en de [adres 3], alsmede om [L.] te verbieden telefonisch of persoonlijk contact met [A.] op te nemen of SMS- en/of e-mailberichten aan haar te sturen alsmede [L.] te verbieden om zich opzettelijk dichter dan 50 meter in de buurt van [A.] te bevinden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per overtreding tot een maximum van € 50.000,--, met veroordeling van [L.] in de kosten van deze procedure.

2.3

Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [A.] dat [L.] haar sinds de relatie definitief is verbroken is gaan lastig vallen. [L.] heeft haar ook bedreigd.

Zoals blijkt uit het overgelegde proces-verbaal heeft [A.] daarvan een eerste keer op 4 juni 2006 aangifte gedaan bij de Politie Regio Limburg Zuid. [A.] stelt aangifte te hebben gedaan uit vrees om door [L.] te worden mishandeld. [L.] heeft haar immers ook al enkele keren tijdens de relatie mishandeld.

Nadat de procureur van [A.] [L.] vervolgens schriftelijk heeft verzocht om zijn onrechtmatig handelen te staken en in die brief [L.] een bezoekregeling voor [E.] heeft voorgesteld, heeft [L.] zich een korte tijd rustig gehouden.

[A.] stelt dat zij op 3 december 2006 weer aangifte bij de Politie Regio Limburg Zuid heeft gedaan. Nadat [L.] haar in de laatste weken van november een aantal malen telefonisch en via sms-berichten had lastiggevallen en had bedreigd, stond hij op 2 december 2006, na haar die dag ook al enkele keren telefonisch te hebben lastig gevallen, rond 21.10 uur bij haar voor de deur en heeft hij aangebeld. Omdat [A.] die avond visite verwachtte heeft zij de deur geopend. [L.] heeft haar toen zonder iets te zeggen bij de keel gegrepen en in het gezicht geslagen en aan de haren getrokken. Daarbij heeft hij bovendien 2 gouden kettingen die [A.] droeg, kapot getrokken.

[A.] heeft op 11 december 2006 wederom aangifte moeten doen van het feit dat [L.] haar op 10 december 2006 heeft lastig gevallen en heeft bedreigd, toen zij met dochter [E.] op Winterland in [M.] was. Hierbij heeft zij in het proces-verbaal tevens laten optekenen dat [L.] op donderdagavond 7 december 2006 in stromende regen voor haar woning heeft staan posten. Hij heeft toen gezien dat [A.] visite had en hij heeft op zeker moment [A.] telefonisch bevolen dat de gasten de woning dienden te verlaten.

[A.] voert aan dat door deze manier van handelen en optreden zij zich een gevangene in haar eigen woning is gaan voelen. Zij stelt dat hieraan een einde moet komen. [L.] moet inzien dat de relatie ten einde is en dat hij haar met rust dient te laten. [A.] is van mening dat, nu de relatie met hem is beëindigd, het [L.] niets aangaat hoe zij haar leven inkleedt, of zij wel of niet uitgaat en met wie zij verkeert. Nu hij de verbreking van de relatie niet kan verkroppen, dient hem via de op te leggen verboden duidelijk te worden dat hij [A.] met rust moet laten.

2.4

[L.] heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.

3.De beoordeling

3.1

Het gestelde spoedeisend belang ligt opgesloten in de aard van de zaak.

3.2

Het gevorderde straat- en contactverbod maken inbreuk op het grondrecht van bewegingsvrijheid. Voor toewijzing in kort geding van deze maatregel moet daarom in hoge mate aannemelijk zijn dat er sprake is van feiten en omstandigheden die een inbreuk op genoemd recht kunnen rechtvaardigen.

3.3

De door [A.] in de processtukken en ter zitting opgesomde mondelinge en per sms aan het adres van [A.] gerichte bedreigingen, de in de processenverbaal genoemde handtastelijkheden en ook dat [L.] een aantal malen voor de woning van [A.] heeft gepost heeft [L.] niet dan wel niet genoegzaam betwist.

[L.] heeft erkend dat voordat partijen eind maart dan wel begin april 2006 definitief uit elkaar zijn gegaan, partijen vaker korte dan wel langere tijd niet hebben samengeleefd, maar dat zij zich telkens weer verzoend hebben. Dit mede vanwege het feit dat zij samen een kind hebben, dat volgens [L.] dol op hem is. In dit verband stelt [L.] voorts dat hij nog steeds van [A.] houdt en dat hij niet inziet waarom hij ook nu niet weer kan terugkeren bij [A.].

3.4

Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat [A.] niet wil weten van een verzoening met [L.]. Dit zo zijnde is duidelijk dat onder de door partijen geschetste omstandigheden de gevolgtrekking moet worden gemaakt dat [L.] nog niet heeft geaccepteerd dat [A.] niet meer met hem verder wil leven en [L.] door zich te gedragen als hiervoor is weergegeven [A.] min of meer wil dwingen voor hem te blijven kiezen.

Op grond van de door [A.] gedane aangiftes, die [L.] heeft erkend althans niet op overtuigende wijze heeft weersproken, is aannemelijk dat hij [A.] voortdurend lastig valt en dit doet op een manier waardoor [A.] zich in ernstige mate in haar veiligheid en vrijheid bedreigd voelt. Daarmee is ook aannemelijk dat [L.] zich onrechtmatig jegens [A.] gedraagt en dat, hoewel een straat- en contactverbod inbreuk maken op het grondrecht van bewegingsvrijheid, de gevorderde verboden in het onderhavige geval noodzakelijk zijn ter bescherming van de bewegingsvrijheid van [A.]. Zeker nu uit de proceshouding van [L.] afgeleid kan worden dat er een reële dreiging is dat bij afwijzing van de vordering van [A.], [L.] opnieuw inbreuk zal plegen op het recht van [A.] op een ongestoord leven.

3.5

Het door [A.] gevorderde straatverbod zal worden toegewezen als gevorderd nu [L.], gelet op de straat waar hij zelf in [M.] woont, heeft verklaard dat hij om van zijn woning naar zijn werk te gaan en daarvan weer terug te keren, geen gebruik maakt van de door [A.] in het petitum opgesomde straten. De voorzieningenrechter acht enkel termen aanwezig om het verbod in duur te beperken tot de in het dictum te bepalen periode.

3.6

Het door [A.] gevorderde verbod om op enigerlei wijze telefonisch of persoonlijk contact met haar op te nemen of sms- en/of e-mailberichten aan haar te sturen alsmede [L.] te verbieden om zich opzettelijk dichter dan 50 meter in de buurt van [A.] te bevinden, komt gelet op het voorgaande eveneens voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat ook ten aanzien van dit verbod de voorzieningenrechter termen aanwezig acht om de duur van het verbod te beperken tot de in het dictum te bepalen periode.

3.7

Aan de te verbeuren dwangsommen zal, mede gezien de door [L.] gedane opgave van zijn inkomsten uit arbeid, een maximum worden verbonden als hierna in het dictum te bepalen.

3.8

In de voormalige relatie van partijen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren als hierna in het dictum te melden.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:

Verbiedt [L.] vanaf datum vonnis zich gedurende zes maanden te bevinden in of aan de [adres 1] alsmede het gebied omvattende de [adres 1], de [adres 2] en de [adres 3];

verbiedt [L.] voorts om vanaf datum vonnis gedurende zes maanden telefonisch of persoonlijk contact met [A.] op te nemen of SMS- en/of e-mailberichten aan haar te sturen en verbiedt [L.] tevens nog om zich gedurende deze periode van zes maanden opzettelijk dichter dan 50 meter in de buurt van [A.] te bevinden;

bepaalt dat [L.] een dwangsom van € 75,-- verbeurt telkens wanneer hij een van genoemde verboden overtreedt, dit met een maximum aan eventueel te verbeuren dwangsommen van € 5.000,--;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hazen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/