Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2007:AZ5741

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-01-2007
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
AWB 06 / 2602 HOREC VV en AWB 06 / 2603 HOREC VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting coffeeshops op basis van verklaringen van minderjarigen, neergelegd in geanonimiseerde processen-verbaal.

Beginselen van een behoorlijke rechtspleging, zoals die mede in artikel 6 van het EVRM besloten liggen, brengen naar het oordeel van de voorzieningenrechter, ook in het bestuursrecht, in principe mee dat een partij bekend hoort te zijn met de identiteit van een getuige. Voorstelbaar is immers dat die identiteit van wezenlijk belang kan zijn voor de beoordeling van de door de getuige afgelegde (belastende) verklaring. Ook de redenen van wetenschap van de feiten waarover de getuige verklaart, uit welke redenen de identiteit van de getuigen mogelijk zou kunnen worden afgeleid, kunnen van belang zij voor de beoordeling van de tot bewijs gebruikte verklaringen. In beginsel dienen ook deze redenen van wetenschap eveneens bekend te zijn. Door de keuze van de burgemeester om te blijven vasthouden aan geanonimiseerde verklaringen, heeft hij verzoekers de mogelijkheid ontnomen die kanttekeningen op hun merites te doen toetsen. Slechts in bijzondere gevallen zou dat moeten worden aanvaard. De voorzieningenrechter acht het dan ook, mede gelet op de ingrijpendheid van het besluit, fundamenteel onjuist de negatieve consequenties van die keuze voor rekening van verzoekers te brengen.

Toewijzing verzoeken om een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 06 / 2602 HOREC VV + AWB 06 / 2603 HOREC VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

1. [naam verzoeker 1] en

2. [naam verzoeker 2],

beiden wonende te Maastricht, verzoekers,

tegen

de Burgemeester van de Gemeente Maastricht,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 27 december 2006

Kenmerken: 2006-46147 en 2006-

Behandeling ter zitting: 4 januari 2007

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde afzonderlijke besluiten van 27 december 2006 heeft de burgemeester van Maastricht (hierna: de burgemeester), onder aanzegging van bestuursdwang, voor zover thans van belang, gelast de voor het publiek toegankelijke inrichtingen [coffeeshop1] aan de [adres1] te Maastricht en de [coffeeshop2] aan de [adres2] te Maastricht (hierna: de coffeeshops) binnen drie uur na uitreiking van het besluit voor de duur van drie maanden te sluiten.

Namens verzoekers is op 28 december 2006 bij twee zakelijk gelijkluidende verzoekschriften verzocht bij wege van voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de sluitingsbevelen te schorsen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 4 januari 2007, waar namens verzoekers is verschenen mr. drs. G.A.C. Beckers, advocaat te Stein en waar de burgemeester zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R.A.H. Vlecken, advocaat te Maastricht, en M.L.J. Detisch, werkzaam bij de gemeente. Voorts heeft namens de burgemeester een toelichting op de zaken gegeven G.H.M. Timmermans, als brigadier werkzaam bij de politieregio Limburg-Zuid.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karkater en is dat niet bindend in die procedure.

In Maastricht heeft de burgemeester ten aanzien van voor het publiek toegankelijke lokalen, zijnde coffeeshops met vergunning, bij besluit van 6 december 1999, beleid vastgesteld, dat bekend is onder de naam ‘Damoclesbeleid’. Dat beleid is op 15 december 1999 op de daarvoor bestemde wijze bekend gemaakt en per 16 december 1999 in werking getreden.

Bij besluit van 6 december 2003 heeft de burgemeester dat beleid aangevuld en bij besluit van 8 april 2004 gewijzigd, welke wijziging op 28 april 2004 in werking is getreden. Volgens dit beleid wordt als uitgangspunt als regel gekozen voor het toepassen van bestuursdwang in de vorm van sluiting van de inrichting boven het opleggen van een dwangsom. Voorts is in het beleid in het bijzonder ter zake de toelating van jeugdigen, bepaald dat na de eerste constatering van dat feit, sluiting voor de duur van drie maanden volgt.

Verzoekers zijn eigenaar/ vergunninghouder van de door hen geëxploiteerde coffeeshops [coffeeshop1] respectievelijk [coffeeshop2] in Maastricht. Niet in geschil is dat verzoekers als exploitanten van de coffeeshops met het door de burgemeester gehanteerde ‘Damoclesbeleid’ en de daarop naderhand aangebrachte wijzigingen bekend waren.

De burgemeester heeft aan zijn besluit tot sluiting van de voor het publiek toegankelijke en door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops [coffeeshop1] en [coffeeshop2] uitsluitend ten grondslag gelegd, dat met de constatering dat verzoekers jeugdigen tot hun coffeeshops hebben toegelaten, punt 8 van de door hem vastgestelde Damoclesbeleidsregels is overtreden. De burgemeester heeft daarbij in het bijzonder verwezen naar een op 9 november 2006 ingekomen rapportage van de politie en de daarbij behorende ambtsedige processen-verbaal van verhoor, waaruit zou blijken dat op woensdag 13 september 2006 in het kader van de actie ‘Break’ twee Franstalige minderjarige personen vanwege het bezit van verdovende middelen (hennep, althans softdrugs) zijn aangehouden en die vervolgens tijdens hun verhoor afzonderlijk van elkaar, overeenstemmende en op onderdelen gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd. Die verklaringen rechtvaardigen volgens de burgemeester de conclusie dat deze verdachten de ten tijde van hun aanhouding in bezit zijnde verdovende middelen, zonder zich daarvoor te hebben hoeven legitimeren, in de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops hebben gekocht. Wat de Kosbor betreft heeft de burgemeester bovendien verwezen naar een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, waaruit zou blijken dat op zaterdag 18 februari 2006 drie personen op de openbare weg de Maastrichter Pastoorstraat zijn aangehouden met een geringe hoeveelheid verdovende middelen (wiet, althans softdrugs) alsmede een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van één van de drie aangehouden verdachten die toen heeft verklaard 17 jaar oud te zijn.

Van de zijde van de verzoekers is allereerst de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de coffeeshops betwist. Daartoe hebben verzoekers de nodige kanttekeningen geplaatst bij de aard, de soort, de hoeveelheid en de prijs van de verdovende middelen die bij de verdachten zijn aangetroffen, dat alles ter ondersteuning van het betoog dat niet voldoende vast staat dat de aangetroffen verdovende middelen ook daadwerkelijk door de minderjarige verdachten in de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops zijn gekocht.

De bevoegdheid tot sluiting van de coffeeshops ontleent de burgemeester aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in samenhang gelezen met artikel 5:21 van de Awb.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Uit het woord ‘daartoe’ in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt, dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van de inrichting.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de toelating van jeugdigen tot coffeeshops op zich zelf nog geen overtreding behelst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Alleen daarop kan de burgemeester zijn bevoegdheid dan ook niet stoelen.

Niet in geschil is echter, dat de coffeeshops op 13 september 2006, en wat de [coffeeshop2] betreft ook op 18 februari 2006, geopend waren voor hun normale bedrijfsvoering en als zodanig werden geëxploiteerd. In Nederland ontlenen coffeeshops hun bestaansrecht uitsluitend aan strafrechtelijk en bestuurlijk gedoogbeleid. De coffeeshops die verzoekers exploiteren vormen daar geen uitzondering op. Op basis daarvan kan dan ook gevoeglijk worden aangenomen dat daar op 18 februari 2006 en 13 september 2006, zoals gebruikelijk in coffeeshops, middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet aanwezig waren ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking. Anders dan verzoekers kennelijk menen, is ten einde bestuursdwang te kunnen toepassen niet per se vereist dat tevens in concreto moet kunnen worden vastgesteld dat verzoekers, behalve overtreding van (één van) de criteria van het ‘Damoclesbeleid’, ook de Opiumwet hebben overtreden. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet verlangt dat ook niet. Dat de burgemeester niet uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de verdovende middelen die tijdens de aanhouding van de verklarende verdachten zijn aangetroffen ook daadwerkelijk in de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops aan hen zijn verkocht, acht de voorzieningenrechter daarom ook niet van belang. Voorshands moet derhalve worden geoordeeld dat de burgemeester zich terecht bevoegd heeft geacht tot het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de burgemeester zich met evenveel recht op het standpunt kon stellen dat sprake was van overtreding van punt 8 van het ‘Damoclesbeleid’ doordat verzoekers jeugdigen tot de door hen geëxploiteerde coffeeshops hebben toegelaten.

De burgemeester acht dat voldoende aannemelijk en heeft daartoe vooral verwezen naar hetgeen de op 13 september 2006 aangehouden verdachten afzonderlijk van elkaar en geheel vrijwillig jegens de verbalisanten hebben verklaard en welke verklaringen zijn neergelegd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van verhoor van 16 september 2006. Volgens de burgemeester zijn die verklaringen bovendien gedetailleerd en op onderdelen gelijkluidend en daarom is er geen enkele aanleiding de juistheid van die verklaringen zoals die zijn weergegeven in de processen-verbaal in twijfel te trekken. De anonimisering ervan door de burgemeester staat daaraan niet in de weg.

Om te beginnen ligt het ingevolge artikel 3:2 van de Awb op de weg van de burgemeester om bij de voorbereiding van het door hem te nemen besluit voldoende deugdelijk onderzoek te doen naar alle van belang zijnde feiten en omstandigheden en de af te wegen belangen. Dat wijst op een actieve rol van de burgemeester bij het vergaren van feiten. Anders dan de burgemeester [zie blz. 10 pleitnota] betekent dat dan ook niet dat hij zijn besluitvorming “enkel kan baseren op de informatie welke hij heeft ontvangen”. Voorts geldt dat de rechter in staat moet zijn de overtuiging van de burgemeester, dat op grond van de voor hem beschikbare feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk is dat in dit geval sprake is van het toelaten van jeugdigen tot de coffeeshops, te toetsen aan de hand van deugdelijk vastgestelde gegevens die de burgemeester bij het nemen van het besluit ter beschikking hebben gestaan. Anders dan de burgemeester ter zitting heeft betoogd [zie blz. 8 pleitnota] is die rechterlijke toets van de feiten overigens een volle en geen marginale.

Hiernaast geldt in het bestuurs(proces)recht als uitgangspunt de vrije bewijsleer, wat betekent dat de rechter beschikt over een aanzienlijke mate van vrijheid bij de waardering van wat door partijen als bewijs is aangedragen. Daarbij is niet noodzakelijkerwijs vereist dat het bewijs in alle opzichten voldoet aan de in het straf(proces)recht geldende strengere en met meer waarborgen omgeven criteria. Hieruit volgt echter niet dat het anonimiseren van de door de politie op ambtseed opgemaakte processen-verbaal zoals door de burgemeester gedaan in beginsel moet worden toegestaan. Integendeel. De consequentie van geanonimiseerd aangeleverde processen-verbaal is dat de daarin weergegeven verklaringen met de grootst mogelijke omzichtigheid moeten worden beschouwd.

Dat uitdrukkelijk vooropstellende overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de vraag of verzoekers jeugdigen tot de door hen geëxploiteerde coffeeshops hebben toegelaten als volgt.

Of daadwerkelijk sprake is geweest van toelating van jeugdigen tot de coffeeshops kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op geen enkele wijze worden vastgesteld.

De inhoud van de door de burgemeester aan de sluiting ten grondslag gelegde ambtsedige processen-verbaal van verhoor van 16 september 2006, zijn immers volledig geanonimiseerd, ook op cruciale punten zoals de geboortedata van de aangehouden verdachten. Dat klemt te meer omdat uit die processen-verbaal voorts op geen enkele manier kan worden afgeleid of, en zo ja op welke wijze, de verbalisanten zich destijds van de identiteit van de door hen aangehouden verdachten hebben vergewist. Dat zij dat wel degelijk hebben gedaan zoals ter zitting van de kant van de burgemeester is toegelicht, wil de voorzieningenrechter zonder meer aannemen, maar door zijn keuze voor anonimisering heeft de burgemeester, bewust of niet, ervoor gezorgd dat juist voor de onderhavige zaken relevante gegevens voor de voorzieningenrechter én voor de verdediging van verzoekers niet meer zijn te verifiëren.

Pas uit de eerst op de dag van de zitting met instemming van verzoekers overgelegde stukken, waaronder de processen-verbaal van aanhouding van 19 september 2006, blijkt dat de beide verdachte zich ten tijde van de aanhouding hebben gelegitimeerd met een Belgische identiteitskaart. Ook die processen-verbaal echter zijn volledig geanonimiseerd, ditmaal evenwel met uitzondering van de geboortedatum van de verdachten. Dit brengt mee dat niet aannemelijk is geworden dat het hier om dezelfde verdachten gaat als degene die blijkens de processen-verbaal van verhoor van 16 september 2006 hebben verklaard omtrent hun aanwezigheid in de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops. Vanwege die vergaande anonimisering is dat voor de voorzieningenrechter ook niet na te gaan. Daarom geldt hier hetzelfde als ten aanzien van de processen-verbaal van verhoor is opgemerkt: de voorzieningenrechter wil graag geloven dat het in beide processen-verbaal om dezelfde verdachten gaat, maar zichzelf ervan overtuigen kan hij niet. Derhalve moet voorshands worden geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van toelating van jeugdigen tot de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops.

Het is uiteraard aan de burgemeester of hij in het kader van de heroverweging waartoe hij in bezwaar is gehouden om te beslissen of hij de niet geanonimiseerde processen-verbaal alsnog aan verzoekers ter beschikking stelt. Voor de voorzieningenrechter staat echter vast dat de burgemeester er in een (eventuele) bodemprocedure niet aan zal kunnen ontkomen in ieder geval de rechtbank, zonodig met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, inzage te verschaffen in de niet geanonimiseerde processen-verbaal. De kans dat de burgemeester er op deze manier dan wel anderszins in het kader van de heroverweging in zal slagen alsnog aannemelijk te maken, dat het inderdaad jeugdigen als bedoeld in punt 8 van het ‘Damocles¬beleid’ zijn geweest die in de processen-verbaal van verhoor hebben verklaard omtrent hun aanwezigheid in de coffeeshops, moet dan ook niet worden uitgevlakt. Dat betekent dat het gebrek dat in zoverre onmiskenbaar aan de door verzoekers bestreden sluitingsbevelen kleeft, op zich zelf beschouwd van onvoldoende gewicht is om de verzochte schorsing te kunnen uitspreken.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter tevens aanleiding stil te staan bij de vraag of de door de burgemeester gestelde toelating tot de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops, los van de vraag of het jeugdigen betreft, voorshands (ook) voldoende aannemelijk is.

Bij gebrek aan enig ander bewijs voor dat standpunt van de burgemeester, acht de voorzieningenrechter voor het antwoord op die vraag van doorslaggevende betekenis of de geanonimiseerde processen-verbaal van verhoor, zo nodig in samenhang met de kort voor de zitting overgelegde stukken, daarvoor voldoende steun kunnen bieden. De voorzieningen¬rechter stelt daarbij voorop, dat de enkele omstandigheid dat een zekere anonimisering van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal heeft plaatsgevonden, in die zin dat de namen van verklarende verdachten niet worden geopenbaard, in een procedure als de onderhavige niet zonder meer afbreuk behoeft te doen aan de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de daarin gerelateerde verklaringen. Bovendien betreft het in wezen geen anonieme verklaringen, maar verklaringen van verdachten die bij de politie en de burgemeester bekend zijn en wier personalia in de processen-verbaal ‘slechts’ zijn doorgehaald.

Een en ander komt echter in een geheel ander daglicht te staan, wanneer moet worden vastgesteld dat, zoals in de hier aan de orde zijnde zaken, een op zichzelf ingrijpende maatregel van onmiddellijke sluiting voor de duur van drie maanden, in wezen blijkt te zijn gebaseerd op uitsluitend volledig geanonimiseerde getuigenverklaringen. Dat deze verklaringen vervolgens zijn neergelegd in ambtsedige processen-verbaal maakt voor de voorzieningen rechter geen verschil. De ambtseed ziet immers niet op het waarheidsgehalte van de afgelegde verklaringen.

De vraag of de burgemeester hiermee de grens van wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht heeft overschreden, acht de voorzieningenrechter evenwel dermate principieel van aard, dat zij slechts ten principale zal kunnen worden beantwoord door een meervoudige kamer van deze rechtbank. Voor dit moment volstaat de voorzieningenrechter met de conclusie dat het gebruik van volledig geanonimiseerde ambtsedige processen-verbaal onder omstandigheden problemen kan oproepen. Onderhavige zaken zijn daar een schoolvoorbeeld van. Bovendien valt ook niet goed te begrijpen waarom de burgemeester hier in plaats van de weg van artikel 8:29 Awb te bewandelen, voor volledige anonimisering van de processen-verbaal heeft gekozen. De verklarende verdachten te behoeden voor wraakacties zou een steekhoudende verklaring kunnen opleveren, maar dat daarvan sprake is dan wel dat er anderszins reële vrees zou bestaan voor represailles jegens de verdachten, heeft de burgemeester onvoldoende concreet onderbouwd. Wat daar ook van zij, het is aan de bodemrechter zich te zijner tijd over de principiële aspecten van deze zaak te buigen.

In dit geding staat voor de voorzieningenrechter voorlopig in voldoende mate vast, dat de burgemeester, behalve de geanonimiseerde getuigenverklaringen van de niet in of in de nabijheid van de coffeeshops aangehouden verdachten, voor het overige over geen enkel ondersteunend bewijs voor het aan verzoekers tegengeworpen handelen in strijd met punt 8 van de ‘Damoclesbeleidsregels’ beschikt. Daarin ligt besloten dat de door de burgemeester getrokken vergelijking met eerder door de voorzieningenrechter gewezen uitspraken inzake de coffeeshops ‘Blue Dream’ en ‘That’s it’ mank gaat. In die zaken was ondersteunend bewijs voorhanden en dat ontbreekt hier. Getuigenverklaringen van personen die de verdachten de coffeeshops binnen hebben zien gaan of naar buiten hebben zien komen, zijn er bijvoorbeeld niet. Observaties door de politie zelf of videomateriaal ontbreekt evenzeer. Bovendien zijn verzoekers als exploitanten van de coffeeshops of daar werkzaam personeel niet direct of korte tijd nadat de verdachten hun voor verzoekers belastende verklaringen hebben afgelegd met die verklaringen geconfronteerd. De op 9 november 2006 ingekomen rapportage van de politie waarnaar de burgemeester nog in zijn door verzoekers bestreden besluit verwijst, is niets meer dan een brief waarin de brigadier van politie de aandacht van de burgemeester erop vestigt dat hetgeen de verdachten tijdens hun verhoor op 13 september 2006 hebben verklaard mogelijk grond kan zijn een sluiting te overwegen. Eigen waarnemingen van de politie of de resultaten van een door de politie ingesteld onderzoek bevat die brief niet.

Voorshands is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat de burgemeester in de gegeven omstandigheden, waar door de politie niet zelf is geconstateerd dat jeugdigen op 13 september 2006, en wat de [coffeeshop2] betreft ook op 18 februari 2006, tot de coffeeshops zijn toegelaten, en ook ander ondersteunend bewijs niet voorhanden is, de verweten aanwezigheid (van jeugdigen) in de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarin mag naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaar meewegen, dat het vergaren van ondersteunend bewijs betrekkelijk eenvoudig was geweest. Met name nu de politie blijkens het verhandelde ter zitting kennelijk ervan op de hoogte was, dat beide coffeeshops beschikten over een videoregistratiesysteem, waarop beelden, naar ook de politie wist, maximaal 72 uur worden bewaard, had het in de rede gelegen die beelden aanstonds na de aanhouding van de verklarende verdachten als bewijs in beslag te nemen.

De voorzieningenrechter acht het alleszins voor de hand liggen, dat daar bij de politie gewoonweg niet aan is gedacht omdat de actie ‘Break’ een project is dat vooral erop is gericht de uitvoer van verdovende middelen naar België aan banden te leggen en dat in dat licht bezien bestuursrechtelijk handhaven niet voorop staat. Het feit dat de burgemeester pas twee maanden na de aanhouding van de verdachten in het bezit is gesteld van de desbetreffende processen-verbaal en dat op dat moment geen ondersteunend bewijs meer kan worden vergaard, geeft al aan dat de inspanningen van de politie niet in eerste instantie gericht waren op bewijsvergaring ten behoeve van het bestuursrechtelijk handhavingstraject. Op zichzelf kan de voorzieningenrechter een dergelijke keuze billijken, maar misschien moet de burgemeester zich er dan ook bij neerleggen dat de in het kader van het traject ‘Break’ vergaarde bewijs, zonder over ondersteunend bewijs te beschikken, minder goed bruikbaar is om een maatregel als de onderhavige op te baseren.

Volgens de burgemeester zijn de in de processen-verbaal weergegeven en onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van de onbekende verdachten op onderdelen overeenstemmend en vanwege de gedetailleerdheid ervan niettemin bruikbaar om de sluiting van de coffeeshops op te baseren, ook, zo begrijpt de voorzieningenrechter, zonder aanvullend bewijs. De voorzieningenrechter volgt de burgemeester daarin echter niet. Dat de verklaringen op onderdelen overeenstemmen is goeddeels verklaarbaar door het gebruik tijdens het verhoor van standaardformulieren. Daar komt bij dat verzoekers de verklaringen van de verdachten, neergelegd in de zich in het dossier bevindende geanonimiseerde processen-verbaal, op tal van plaatsen van kanttekeningen hebben voorzien. Hoewel daarmee niet is gezegd dat verzoekers per se het gelijk aan hun zijde hebben, acht de voorzieningen¬rechter die kanttekeningen ook weer niet helemaal uit de lucht gegrepen, in die zin dat zij op voorhand naar het rijk der fabelen kunnen worden verwezen. Anders dan de burgemeester [zie blz. 6 en 7 van de pleitnota] is de voorzieningenrechter overigens van oordeel dat het niet aangaat om verzoekers, die juist vanwege de handelwijze van de burgemeester in een niet benijdenswaardige bewijspositie zijn gemanoeuvreerd, tegen te werpen dat zij hun ‘alternatieve verklaringen’ niet hebben onderbouwd en aannemelijk gemaakt.

Een en ander brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel, dat de door de burgemeester vergaarde feiten en omstandigheden voorshands ontoereikend moeten worden geacht om de door de burgemeester gestelde toelating (van jeugdigen) tot de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops te kunnen dragen. Daarmee is twijfelachtig of de hierop gebaseerde sluiting van de coffeeshops in de bodemprocedure overeind kan blijven.

De gevraagde voorziening zal derhalve worden toegewezen en de bij zakelijk gelijkluidende besluiten van 27 december 2006 door de burgemeester bevolen sluiting van de door verzoekers geëxploiteerde coffeeshops, zal worden geschorst tot en met zes weken na de door de burgemeester te nemen besluiten op bezwaar.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om de burgemeester te veroordelen in de kosten, die verzoekers in verband met de behandeling van de onderhavige verzoeken redelijkerwijs hebben moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De voorzieningenrechter kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,00 toe voor de indiening van de - zakelijk gelijkluidende - verzoekschriften en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Aldus bedraagt het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 644,00.

Nu sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze, gelet op het eerste lid van dit artikel, voor de toekenning van een vergoeding van beroepsmatig verleende rechtsbijstand beschouwd als één zaak.

Op grond van de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat de besluiten van 27 december 2006 worden geschorst, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

2. bepaalt dat aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ad. € 282,00

(2 x € 141,00) wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

3. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644,00 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Maastricht aan verzoekers.

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2007 door mr. Geisel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.