Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ9770

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
29-03-2007
Zaaknummer
195763 CV EXPL 05-3688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

uitruilrechten; ouderdoms- en nabestaandenpensioen en FPU; wijziging artikel 5a.7 Pensioenreglement waardoor de uitruilmogelijkheden werden beperkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

rolno: 05-3688

zaakno: 195763

typ: LB

coll:

Vonnis van de kantonrechter d.d. 27 september 2006

inzake

(Eiser),

wonende te (woonplaats eiser), aan (adres eiser),

eiser,

gemachtigde mr. S.D. van ‘t Hullenaar te Amsterdam,

verschijnende bij J.L.G. Jeukens, gerechtsdeurwaarder,

tegen

de stichting Stichting Pensioenfonds Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds,

gevestigd en kantoorhoudende te Heerlen, aan de Oude Lindestraat 70,

gedaagde,

gemachtigde mr. M.J.W.A. Beulen-Darmstadt te Heerlen,

verschijnende bij P.M.F. Otten, gerechtsdeurwaarder.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

(Eiser) heeft ABP gedagvaard voor de kantonrechter, met verwijzing naar producties.

ABP heeft geconcludeerd voor antwoord.

Vervolgens repliceerde (eiser) en dupliceerde ABP.

Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING:

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet, althans onvoldoende betwist het volgende vast.

Eiser, geboren (geboortedatum eiser), trad per 1 februari 2002 in dienst van de Kamer van Koophandel regio Woonplaats eiser, hetgeen met zich mee bracht dat hij (wederom) deelnemer werd in het pensioenfonds van het ABP. Hij verzocht om overdracht van zijn pensioenreserve die door zijn vorige werkgever bij Centraal Beheer was ondergebracht. Deze overdracht vond in oktober 2002 plaats en is volgens partijen correct uitgevoerd.

De reserve werd overeenkomstig de regelingen verdeeld over de drie pensioenvormen bij het ABP, te weten het ouderdoms- en nabestaandenpensioen en het FPU (Flexibel Pensioen en Uittreden), door eiser aangeduid als vroegpensioen.

Het toen van toepassing zijnde Pensioenreglement ABP (verder te noemen: PR) kende een uitruilregeling waardoor niet gebruikte FPU-rechten in bepaalde gevallen naar ouderdoms- en nabestaandenpensioen overgeheveld werden.

Met ingang van 1 januari 2003 is artikel 5a.7 van het PR gewijzigd waardoor de uitruilmogelijkheden beperkt werden tot slechts één uitruilmogelijkheid.

Het geschil tussen partijen

Eiser stelt dat hij door genoemde wijziging van het PR in een nadeliger positie is komen te verkeren. Immers bij zijn vorige pensioenregeling (Centraal Beheer) was de opbouw voor “vroegpensioen” laag (overeenkomend met 5 dienstjaren) in vergelijking met zijn opgebouwd ouderdoms- en nabestaandenpensioen van ruim 22 jaar. De overgedragen reserve werd bij het ABP gelijkelijk aangewend voor ouderdoms-, nabestaanden- en vroegpensioen, ieder voor 28 jaar. Naar zijn zienswijze is de reserve dus meer ten gunste van het FPU gekomen. Door de wijziging van 1 januari 2003 is juist in die FPU een ongunstiger regeling getroffen. Met name ingeval van invaliditeit of overlijden voordat de FPU ingaat of ten aanzien van het resterende deel daarvan, kunnen de overgebleven FPU-rechten niet meer ingeruild worden voor ouderdoms- resp. nabestaandenpensioen. Deze wijziging was hem vooraf niet bekend en indien hij die gekend had zou hij niet tot overdracht c.q. inkoop overgegaan zijn. “Met het oog op de zorgvuldigheid had het ABP (eiser) hierover moeten informeren, voor zover de aankomende wijzigingen al concreet waren”. Eiser benadrukt dat hij geen bezwaar maakt tegen het achterwege laten van de opbouw van die uitruilrechten vanaf

1 januari 2003. Het gaat hem om de vóór 1 januari 2003 verworven uitruilrechten. Hij wijst ter vergelijking op de wijziging van 1 januari 2004 waarbij het nabestaandenpensioen van 5/7 naar 5/14 van het ouderdomspensioen werd teruggebracht, echter met behoud van de bestaande rechten op 31 december 2003.

De werkwijze van het ABP acht hij ook in strijd met artikelen 32 pensioen- en spaarfondsenwet terzake afkoopverbod.

Het ABP stelt dat de wijziging van het betreffende artikel ten tijde van het verzoek van eiser nog slechts in de voorbereidende, de onderhandelingsfase verkeerde en formeel pas is doorgevoerd (gepubliceerd in de Staatscourant van 20 december 2002, nr. 246) nadat de waardeoverdracht zijn beslag al had gekregen. Het ABP is van mening dat het niet van haar gevergd kan worden elk voornemen tot wijziging van het PR aan betrokkenen bij offertes over de waardeoverdracht ongevraagd ter kennis te brengen. Ook kan de overeenkomst tot overdracht van de reserve niet inhouden dat die uitsluitend volgens de regeling op dat moment aangewend zou mogen worden. Volgens de algemeen geldende regeling kunnen wijzigingen tot stand komen. Er is ook geen verwachting gewekt dat geen wijziging voor eiser van toepassing zou zijn.

Eiser vordert voor recht te verklaren dat de in 2002 verworven uitruilrechten voor eiser gehandhaafd dienen te worden en verzoekt het ABP te veroordelen maatregelen te treffen om de verworven uitruilrechten met terugwerkende kracht te herstellen.

In de interne procedures zijn de bezwaar- en beroepschriften van eiser ongegrond verklaard.

BEOORDELING:

1.Op 26 augustus 2002 bracht het ABP een offerte uit om de elders door eiser opgebouwde pensioenaanspraken over te nemen, welke offerte door eiser op 21 oktober 2002 schriftelijk aanvaard werd. Eiser stelt dat hij niet tot waardeoverdracht besloten zou hebben indien hij op de hoogte geweest was van de wijziging van het PR per

1 januari 2003. Het ABP had hem moeten informeren. Deze stelling impliceert een beroep op dwaling.

Het is juist dat de al dan niet verstrekte informatie van belang is voor een beroep op dwaling.

Nu het ABP verklaard heeft dat de wijziging van het betreffende artikel ten tijde van het verzoek van eiser nog slechts in de voorbereidende, de onderhandelingsfase verkeerde, kan in beginsel geen beroep op dwaling gedaan worden. Het karakter van onderhandeling brengt immers met zich mee dat besluiten over de betreffende onderwerpen nog steeds niet genomen zijn of indien wel genomen, nog gewijzigd kunnen worden. Het ABP had ten tijde van het verzoek van eiser nog geen wetenschap over de uitkomst van de onderhandelingen.

Dit zou anders zijn indien eiser aan het ABP aangegeven zou hebben dat een eventuele wijziging van artikel 5a. 7 PR voor hem van bijzondere betekenis zou zijn.

Indien dat het geval was geweest had het ABP ook dienen mede te delen dat dienaangaande overleg gevoerd werd, met mogelijk besluiten tot wijziging van de bestaande regeling. Gesteld noch gebleken is dat eiser in die zin iets aan het ABP heeft laten weten. Een beroep op dwaling, voor zover dat uit de stellingen van eiser volgt, kan derhalve niet gehonoreerd worden.

2.Eiser spreekt over inleveren van ouderdoms- en nabestaanden pensioen tengevolge van de reglementswijziging. Deze stelling is onjuist zoals het ABP terecht opmerkt. Immers ingevolge het per 1 januari 2003 geldende reglement behoudt hij bij de ingang van zijn pensioen het uitzicht (voorwaardelijk recht) op toevoeging van zijn opgebouwd c.q. beschikbaar FPU kapitaal, indien hij geen gebruik gemaakt heeft van FPU. Zoals het woord “uitruil” al aangeeft gaat het om ruilen van opgebouwd kapitaal voor een ander doel dan waarvoor het oorspronkelijk bedoeld was. In een pensioenverzekering is zo’n bepaling van uitruil goed mogelijk maar niet noodzakelijk. Twee andere uitruilmogelijkheden (bij invaliditeit en overlijden) zijn komen te vervallen.

Indien geen gebruik gemaakt wordt van enige uitruilmogelijkheid, worden de beschikbare (opgebouwde) tegoeden voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen geenszins verminderd. Een mogelijke toevoeging door ruil kan sinds 1 januari 2003 nog slechts op één in plaats van drie wijzen plaats vinden. Het voorwaardelijk recht op behoud van niet besteed FPU-kapitaal door middel van ruil blijft derhalve bestaan.

3.Eiser voert aan dat in strijd met het afkoopverbod, zoals neergelegd in artikel 32 PSW gehandeld zou zijn. Dit verbod houdt in dat eenmaal opgebouwde rechten niet mogen worden aangetast. Terecht voert het ABP hiertegen aan dat eiser van het in artikel 32b neergelegde wettelijk recht op waardeoverdracht gebruik gemaakt heeft. Artikel 32 PSW laat immers ruimte voor uitzonderingen op het afkoopverbod, waarvan het recht op individuele waardeoverdracht, zoals geregeld in artikel 32b PSW, er een is.

4.Eiser heeft ingestemd met de wijze waarop de waardeoverdracht in oktober 2002 werd bestemd voor doeleinden volgens de ABP-regeling. De overdracht is correct verlopen, zo hebben beide partijen verklaard. Zoals in het voorgaande aangegeven is het uitzicht op FPU-pensioen niet aangetast.

5.Onder verwijzing naar een wijziging per 1 januari 2004 (nabestaandenpensioen van 5/14 i.p.v. 5/7) stelt eiser dat de opgebouwde rechten op die datum middels overgangsrecht behouden bleven. Dat zou op dezelfde wijze met de opgebouwde rechten van FPU dienen te geschieden. Terecht wijst het ABP op een belangrijk verschil tussen beide situaties. Bij het nabestaandenpensioen vond een halvering van de in het vooruitzicht gestelde rechten plaats. Bij overgangsregeling bleef dat uitzicht, voorzover berekend volgens de oude regeling tot aan de datum van de nieuwe regeling, ongewijzigd van kracht. Bij de FPU blijft per 1 januari 2003 het uitzicht ongewijzigd beschikbaar waarvoor het bedoeld is, namelijk gebruik kunnen maken van de FPU-regeling. Alleen indien daarvan geen gebruik gemaakt wordt, is er nu nog slechts één in plaats van drie uitruilmogelijkheden. Met andere woorden het nabestaandenpensioen werd gehalveerd, het FPU-pensioen bleef 100% gelden.

6.Voorts valt op te merken dat een pensioenstelsel zoals dat van het ABP, een samenhangend stelsel is, waarbij niet elk onderdeel separaat met elk ander onderdeel vergeleken kan en dient te worden. Wijzigingen zullen in een totaal kader van een redelijk, op de maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen afgestemd, stelsel tot stand dienen te komen. De vergelijking met een enkel ander onderdeel dient derhalve gepasseerd te worden.

7.Eiser bestrijdt niet dat volgens de wettelijke regelingen en die van het PR wijzigingen aangebracht mogen worden, maar die zouden geen “verworven rechten” mogen aantasten. Zoals in het voorgaande reeds aangegeven gaat het om uitzicht op recht c.q. voorwaardelijke rechten die pas geëffectueerd worden indien aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt. In beginsel worden bij wijzigingen de geëffectueerde rechten eerbiedigd en de voorwaardelijke rechten (uitzicht) opnieuw afgewogen binnen het pensioenstelsel in zijn geheel.

Eiser maakt ook geen bezwaar tegen de wijziging van de regeling als zodanig, maar tegen het ontbreken van overgangsrecht voor bepaalde uitruilmogelijkheden. Er is wel overgangsrecht voor artikel 5a.7 tot stand gekomen, maar dat is op de situatie van eiser niet van toepassing. Zoals gezegd behoort de regeling van de uitruilmogelijkheden tot de voorwaardelijke FPU-rechten van eiser en die kunnen in een totaalpakket van pensioenvoorzieningen gewijzigd of verminderd worden.

In casu heeft het ABP aldus de wijzigingen van artikel 5a.7 PR tot stand kunnen brengen, zulks op basis van de resultaten van het overleg van sectorwerkgevers en centrales, verenigd in de Raad voor het overheidspersoneel, conform de verplichtingen uit artikel 4 van de Wet privatisering ABP (WPA).

De kantonrechter zal grote terughoudendheid dienen te betrachten ten aanzien van de juistheid en redelijkheid van de resultaten van het overleg. Het ABP heeft enige indicatie gegeven van de factoren die in het overleg een rol gespeeld hebben. De kantonrechter is niet gebleken dat tijdens dat overleg aperte fouten gemaakt zijn of apert onredelijke conclusies getrokken zijn. De gewijzigde regeling van artikel 5a.7 PR met beperkt overgangsrecht, dient dan ook als vaststaand aangenomen te worden.

8.Eiser heeft gesteld dat het nadeel dat hij lijdt door de sociale partners niet voorzien of beoogd is bij het formuleren van de nieuwe regels. Het kan niet anders dan dat de sociale partners weten dat het inbrengen (overdragen) van kapitaal naar het ABP niet altijd op precies dezelfde wijze tot uitzicht leidt als bij het vorige pensioenfonds.

Dat is een gegeven van algemene bekendheid. En als dan in de regeling die betrekking heeft op dat uitzicht wijziging komt, kan dat tot verdere verschillen leiden. Eiser heeft niet of onvoldoende onderbouwd dat de sociale partners dat niet geweten zouden hebben.

9.Op grond van het vorenstaande zullen de vorderingen derhalve afgewezen worden en zal eiser als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding veroordeeld worden.

BESLISSING:

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen van eiser af.

Veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure, aan de zijde van gedaagde gevallen en tot aan dit vonnis begroot op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. drs. W.G.A.M. Veugelers, kantonrechter-plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.