Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ6019

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
03-700371-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte meermalen opzettelijk brand heeft gesticht, waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was. De verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van één week schuldig gemaakt aan delicten met een sterk gevaarzettend karakter, te weten brandstichtingen in auto's en een brandstichting aan stoelen, die voor een woning stonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700371-06

Datum uitspraak: 5 december 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught - Nieuw Vosseveld 1 VBA te

Vught.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan een of meer stoelen gelegen tegen de woning in de voortuin van de [Straatnaam + huisnummer], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk het stof van die stoelen met een brandende aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer stoelen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die stoelen en/of de schutting tussen woningen en/of de hal van die woning en/of de trap naar de eerste verdieping van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat (gehele) pand en/of belendende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die/dat pand(en) bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 30 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (merk Nissan, type Micra, gekentekend [XX-XX-XX]), immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de bekleding van een/de in voornoemde personenauto aanwezige stoel(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (andere) zich in voornoemde personenauto bevindende goederen en/of andere in de nabijheid van voornoemde personenauto geparkeerde personenauto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 30 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Nissan, type Micra, gekentekend [XX-XX-XX]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer 1], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een bedrijfsauto (merk Skoda, gekentekend [YY-YY-YY]), immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met de bekleding van een/de in voornoemde personenauto aanwezige stoel(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (andere) zich in voornoemde personenauto bevindende goederen en/of voor andere in de nabijheid van voornoemde personenauto geparkeerde personenauto's, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 24 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsauto (merk Skoda, gekentekend [YY-YY-YY]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer 2] en/of aan [Naam BV] en/of aan [Naam bedrijf], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 24 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht aan stoelen gelegen tegen de woning in de voortuin van de [Straatnaam + huisnummer], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk het stof van die stoelen met een brandende aansteker aangestoken, ten gevolge waarvan die stoelen en de schutting tussen woningen en de hal van die woning en de trap naar de eerste verdieping van die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor dat pand en belendende panden, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die panden bevindende personen te duchten was;

2. primair

hij op 30 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in een personenauto (merk Nissan, type Micra, gekentekend [XX-XX-XX]), immers heeft hij, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met de bekleding van een in voornoemde personenauto aanwezige stoel, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (andere) zich in voornoemde personenauto bevindende goederen en andere in de nabijheid van voornoemde personenauto geparkeerde personenauto's, te duchten was;

3. primair

hij op 24 juni 2006 in de gemeente Heerlen opzettelijk brand heeft gesticht in een bedrijfsauto (merk Skoda, gekentekend [YY-YY-YY]), immers heeft hij, toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in aanraking gebracht met de bekleding van een in voornoemde personenauto aanwezige stoel, ten gevolge waarvan voornoemde personenauto gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (andere) zich in voornoemde personenauto bevindende goederen en voor andere in de nabijheid van voornoemde personenauto geparkeerde personenauto's te duchten was.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde aangevoerd dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, nu er geen gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

De rechtbank is daarentegen van oordeel dat er zowel bij het onder 2 als het onder 3 tenlastegelegde feit gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Ter onderbouwing hiervan verwijst de rechtbank ter zake het onder 2 tenlastegelegde allereerst naar de aangifte van [Naam slachtoffer 1] inzake de brandstichting op 30 juni 2006 in zijn auto (Nissan Micra, kenteken [XX-XX-XX]), welke auto geparkeerd stond op de [Straatnaam] te Heerlen. Uit deze aangifte blijkt dat de auto door aangever op 29 juni 2006 omstreeks 22.30 uur als voorste auto in een rij aan de rechterzijde van de weg, ter hoogte van diens woning, gelegen aan de [Straatnaam + huisnummer], te Heerlen werd geparkeerd. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat de volgende auto ongeveer twee meter van de door hem in brand gestoken auto stond.

Ter zake het onder 3 tenlastegelegde leidt de rechtbank uit het aanvullend proces-verbaal met nr. 2006085345-4 af dat ook in de onmiddellijke nabijheid van deze auto (merk Skoda, type Felicia Pickup) diverse auto’s stonden geparkeerd en dat de afstand tussen de auto die voor deze auto (Skoda) geparkeerd stond en de auto die erachter geparkeerd stond telkens ongeveer 1 meter betrof.

Gelet op het feit dat er in de onmiddellijke nabijheid van beide auto’s andere auto’s geparkeerd stonden is de rechtbank van oordeel dat er wel degelijk gemeen gevaar voor deze auto’s en de zich in deze auto’s bevindende goederen te duchten was.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

T.a.v. feit 1:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

T.a.v. feit 2 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

T.a.v. feit 3 primair:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 20 september 2006, opgemaakt, welk rapport vermeldt - zakelijk weergegeven -:

Onderzoeker beschikt, op basis van een gesprek van één uur, over onvoldoende gegevens om te kunnen komen tot een diagnose. Daarnaast is onderzoeker, op basis van de haar beschikbare informatie, niet in staat om een diagnose te stellen, een relatie tussen delict en persoonlijkheid te leggen of de vraagstelling te beantwoorden, aangezien zij door de weigerachtige houding van betrokkene over onvoldoende gegevens beschikt.

Ten aanzien van verdachte is door dr. C.E.P. Dillen, forensisch psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psychiater een rapport, gedateerd 29 september 2006, opgemaakt, welk rapport vermeldt - zakelijk weergegeven -:

- dat verdachte zwakbegaafd is, alsook enkele kenmerken in de persoonlijkheid op antisociaal en afhankelijk vlak vertoont, dit alles zonder de ernst aan te nemen van een persoonlijkheidsstoornis;

- de stoornis was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde aanwezig;

- de aanwezigheid van de zwakbegaafdheid heeft een rol gespeeld ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten. Het gedrag van betrokkene werd immers deels gestuurd door zijn frustraties en driften op het moment van de feiten van 24 juni 2006. Door zijn zwakbegaafdheid stond hij niet stil bij de consequenties voor anderen. De antisociale kenmerken in de persoonlijkheid hebben een grote rol gespeeld in de feiten van 30 juni 2006. Ook de zwakbegaafdheid speelde hierin een rol, aangezien betrokkene zich liet meeslepen door de peer groep waarin hij zit en waartegen hij vanuit de zwakbegaafdheid te weinig weerwerk heeft;

- op grond van het bovenstaande is op basis van de factor zwakbegaafdheid een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid te adviseren.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport van dr. C.E.P. Dillen gegeven conclusie, nu blijkens het rapport voldoende is gebleken dat de aanwezigheid van zwakbegaafdheid een rol heeft gespeeld ten tijde van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank maakt de conclusie van dr. C.E.P. Dillen met betrekking tot de licht verminderde ontoerekeningsvatbaarheid mitsdien tot de hare.

Er is overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 primair en 3 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft zich voor wat betreft het primair ten laste gelegde bij het eerste feit gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van feiten 2 en 3 is de raadsman van mening dat de verdachte vrijgesproken dient te worden, omdat er geen gevaar voor andere goederen te duchten is geweest.

De raadsman heeft ten aanzien van het onvoorwaardelijk deel van de gevorderde gevangenisstraf aangevoerd dat deze te hoog is. Hij heeft gepleit voor gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich binnen een tijdsbestek van één week schuldig gemaakt aan delicten met een sterk gevaarzettend karakter, te weten brandstichtingen in auto’s en een brandstichting aan stoelen, die gelegen waren tegen een woning, waarbij opgemerkt wordt dat de aard en constructie van deze woning dusdanig was dat gevaar voor uitbreiding van de brand via de tegen de woning aangelegen brandende stoelen aanwezig was. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan mede gelet op het tijdstip waarop de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, namelijk in de nachtelijke uren. Dit betekent immers dat verdachte er ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit, de brandstichting aan de stoelen gelegen tegen een woning, ernstig rekening mee moest houden dat de bewoners van deze woning en de bewoners van de belendende woningen zich al te ruste hadden begeven en zich er derhalve niet dan wel niet tijdig bewust van zouden kunnen worden dat er brand was ontstaan. De rechtbank hecht tevens belang aan het feit dat zowel de bewoners van de betreffende woning (onder wie een kind van drie jaar), alsmede de bewoner van de belendende woning enkel nog hun woningen konden verlaten via het balkon, nu de vluchtweg via de voordeur vanwege de brand afgesloten was. Bij de brandstichtingen zijn mensenlevens in gevaar gebracht (feit 1) en is aanzienlijke materiële schade (feiten 1, 2 en 3) veroorzaakt. Deze feiten leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft zich bovendien in het geheel geen rekenschap gegeven van de gevaren voor de in het pand (en de belendende panden) aanwezige personen (feit 1) en het gevaar voor goederen (feiten 1, 2 en 3), nu hij na het plegen van deze feiten is weggelopen en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daden te beperken. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen:

-voornoemd rapport van dr. C.E.P. Dillen, gedateerd 26 september 2006, inhoudende –als advies-, indien de feiten bewezen worden verklaard:

1)een psychotherapeutische en psychosociale behandeling, enerzijds door de reclassering en anderzijds door de dependance van de polikliniek van het FPC de Grote Beek te Eindhoven;

2)-in navolging van het advies van de reclassering- begeleiding van de verdachte via de Stichting MEE.

Gezien de inhoud van vorenbedoeld rapport en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig het advies op te volgen. De rechtbank zal dan ook de navolgende bijzondere voorwaarde stellen.

De benadeelde partij

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam en adresgegevens benadeelde partij] door het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 1606,50 (zestienhonderdenzes euro vijftig) en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu bij de vordering een nota gericht aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] is gevoegd en de vordering aan deze benadeelde partij zal worden toegewezen, gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat de vordering is ondertekend door een natuurlijk persoon waarvan bij gebrek aan een uittreksel van de Kamer van Koophandel, niet duidelijk is of hij bevoegd is om de vordering in te dienen.

Het, met inachtneming van het vorenoverwogene, nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de kosten voor rechtsbijstand, zal worden afgewezen, nu deze schade op het desbetreffende formulier niet genoegzaam is toegelicht, noch op enigerlei wijze nader met bescheiden is geadstrueerd.

Nu de verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam benadeelde partij], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot EEN JAAR niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht aan de Heerderweg 25, te stellen richtlijnen, ook indien deze inhouden het volgen van een behandeling bij de dependance van de polikliniek van het FPC van de GGzE De Grote Beek te Eindhoven en bij Stichting MEE, zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

- geeft aan voornoemde instelling opdracht aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam en adresgegevens benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 1606,50 (zestienhonderdenzes euro vijftig);

- wijst af de vordering van de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] voor het overige;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam en adresgegevens benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1606,50 (zestienhonderdenzes euro vijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 32 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] voormeld bedrag van € 1606,50 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1606,50 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.E. Kramer, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en mr. I. Wijnands, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmeets, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2006.