Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ5914

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
AWB 05 / 1753 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft verweerder de WW -uitkering van eiseres beëindigd met ingang van 21 februari 2005. Bij brief gedateerd 3 mei 2005 en voorzien van de stempels "B + B" en "-9 mei 2005" heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres het bezwaarschrift niet zou hebben ingediend binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van 6 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1753 WW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Maastricht, eiseres,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Heerlen),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 3 augustus 2005

Kenmerk: B&B 652.015.10 P.H.H

Behandeling ter zitting: 9 oktober 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 3 augustus 2005 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift, gedateerd 3 mei 2005 en voorzien van de stempe1s"B + B" en "-9 mei 2005" tegen een door verweerder genomen besluit, gedateerd 24 maart 2005 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 9 september 2005 heeft eiseres tegen eerstgenoemd besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 22 november 2005 heeft eiseres op voormeld verweerschrift gereageerd. De reactie is in kopie aan verweerder gezonden.

Bij brief van 22 december 2005 heeft de rechtbank vragen gesteld aan verweerder, waarop verweerder bij brief van 28 december 2005 heeft geantwoord. Beide brieven zijn in kopie aan eiseres gezonden. Bij brief van 12 februari 2006 heeft eiseres op beide brieven gereageerd. Deze brief is in kopie aan verweerder gezonden. Bij brief van 16 februari 2006 beeft verweerder op de briefvan eiseres van 12 februari 2006 gereageerd. Een kopie van deze brief is aan eiseres gezonden, waarop eiseres bij brief van 6 maart 2006 heeft gereageerd. Een kopie van die brief is aan verweerder verzonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 9 oktober 2006, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot, dhr. [B]. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.J .M. van Haaften.

2. Overwegingen

Bij besluit van 24 maart 2005 heeft verweerder de WW -uitkering van eiseres beëindigd met ingang van 21 februari 2005. Bij brief gedateerd 3 mei 2005 en voorzien van de stempels "B + B" en "-9 mei 2005" heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres het bezwaarschrift niet zou hebben ingediend binnen de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van 6 weken.

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe heeft zij aangevoerd, dat het bezwaar op 4 mei 2005 door haar man persoonlijk is afgegeven bij het UWV.

Verweerder heeft zich –voor zover van belang – op het standpunt gesteld dat het bezwaar pas op 9 mei 2005 is ingekomen zodat het bezwaar te laat zou zijn ingediend.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder het bezwaarschrift van eiseres terecht en op goede gronden kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Meer in het bijzonder dient de rechtbank te beoordelen of eiseres al dan niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van 24 maart 2005. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat het besluit van 24 maart 2005 ook op die datum is verzonden – immers, het besluit is niet voorzien van een stempel met de datum van verzending en verweerder heeft, ter zitting daarnaar gevraagd, te kennen gegeven uit het besluit niet af te kunnen leiden wanneer het besluit is verzonden – en er veronderstellenderwijs vanuit gaande dat het bezwaar pas op 9 mei 2005 bij verweerder is

ingekomen – immers, eiseres stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift door haar man persoonlijk op 4 mei 2005 bij verweerder is afgegeven, hetgeen de rechtbank overigens op zichzelf niet onaannemelijk acht – overweegt de rechtbank als volgt.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 van de Awb zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid van de Awb vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dit geval zou die termijn derhalve zijn aangevangen per 25 maart 2005. Dat betekent dat de laatste dag waarop het bezwaar zou kunnen worden ingediend, donderdag 5 mei 2005 was.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet is de vijfde mei echter een algemeen erkende feestdag zodat op grond van artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet de termijn wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De eerste dag die daarvoor in aanmerking komt is 6 mei 2005.

Artikel 3, derde lid, van de Algemene termijnenwet bepaalt dat bij besluit bepaalde dagen voor de toepassing van die wet met algemeen erkende feestdagen gelijk kunnen worden gesteld. Dit besluit moet in de Nederlandse Staatscourant openbaar worden gemaakt.

Op 30 december 2003 is in de Staatscourant (nr. 251, pagina 7) openbaar gemaakt het besluit van 26 november 2003, nr. 03.004876, houdende gelijkstelling van 6 mei 2005, 26 mei 2006, 18 mei 2007, 27 december 2007, 28 december 2007 en 31 december 2007 met een algemeen erkende feestdag. Artikel 1 van dat besluit bepaalt onder meer dat 6 mei 2005 wordt

gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet.

Dit betekent dat - nu 7 mei 2005 en 8 mei 2005 respectievelijk op zaterdag en op zondag

vielen - op grond van artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift niet wordt verlengd van 5 mei 2005 naar 6 mei 2005, maar van 5 mei 2005 naar 9 mei 2005.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, ook al zou de primaire beslissing op 24 maart 2005 zijn verzonden en ook al zou het bezwaarschrift pas op 9 mei 2005 zijn

ingekomen, het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Verweerder heeft dan ook onterecht het bezwaarschrift van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen –UWV Heerlen –.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2006 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 17 oktober 2006

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.