Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ5524

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
101729 / S RK 05-585
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Man verzoekt echtscheiding en als nevenvoorziening een bevel verdeling van de gemeenschappelijke zaken. De vrouw erkent de duurzamen ontwrichting en verzoekt zelfstandig om kinder- en partneralimentatie vast te stellen alsmede de man te veroordelen om mede te werken aan de verrekening van de onverteerde inkomsten conform artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden.

Echtscheiding wordt uitgesproken en m.b.t. de kinderalimentatie wordt het tussen partijen overeengekomen bedrag in het dictum opgenomen. Zulks evenwel met uitsluiting van de wettelijke indexering. Dit op grond van het feit dat de man sinds de invoering van de Euro maandelijks een (netto-)bedrag van 3.500 euro als inkomen als maat in een advocatenmaatschap ontvangt. De door de vrouw verzochte indexering wordt afgewezen omdat het inkomen van deze alimentatieplichtige niet wijzigt overeenkomstig het algemeen indexcijfer.

De door de vrouw verzochte partneralimentatie (3.000,-- euro p.m.) wordt vastgesteld op 1.000,-- euro per maand.

Dit ook met uitsluiting van de wettelijke indexering.

M.b.t. de verzochte partneralimentatie overweegt de rechtbank: Mede gezien HR 19.12.2003,NJ 2004,140 is onjuist de opvatting van de vrouw dat (noodzakelijke) reserveringen en investeringen in een bedrijf steeds leiden tot vermogensvorming en daarom altijd moeten worden meegerekend bij de bepaling van de welstand van partijen tijdens hun huwelijk.

Partijen zijn het eens geworden ter zake het te geven bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke zaken.

Met betrekking tot het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om het haar iver te gaan tot verrekening van de onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat het huwelijk heeft geduurd heeft de man aangevoerd dat er niets te verdelen valt omdat hij als maat in de maatschap niet de overwegende zeggenschap heeft als is omschreven in lid 4 van artikel

1:141 BW.

De rechtbank verwerpt dit standpunt. De bepalingen in de wet verrekenbedingen zijn aanvullend recht.

Maatgevend voor de verrekening is hetgeen partijen overeengekomen zijn in hun huwelijkse voorwaarden.

Analoog aan HR 12.10.2001, NJ 2003,534 beslist de rechtbank dat het aandeel dat de man jaarlijks in de winst van de maatschap opbouwt en dat in de maatschap wordt gelaten als onverteerd inkomen moet worden aangemerkt. Het feit dat dit niet opeisbaar is doet er niet aan af dat dit aandeel in de winst bepaalbaar is en dat dit met de vrouw moet worden verrekend, zodra de man uit de maatschap treedt, en op grond daarvan dit bedrag beschikbaar (liquide) wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 186
RFR 2007, 39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 21 december 2006

Zaaknummer: 101729 / S RK 05-585

De enkel¬voudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonen[M.],

procureur mr. G.M.M. van Tilborg,

en:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [M.],

procureur mr. A.J.C. Linssen.

1. Verloop van de procedure

De man heeft op 27 mei 2005 een verzoekschrift tot echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen ingediend.

Het verzoekschrift is op 30 mei 2005 betekend aan de vrouw.

Door de vrouw is op 8 september 2005 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De man heeft naar aanleiding van dit zelfstandig verzoek op 10 november 2005 een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben onderling overleg gehad inzake het zelfstandig verzoek van de vrouw en het daartegen gevoerde verweer van de man. Bij brief van 14 december 2005, welke mede ondertekend is door de procureur van de vrouw om daarmee aan te geven dat de vrouw daarmee akkoord gaat, heeft de man gevraagd een nader verweerschrift te mogen indienen.

Nadat de rechtbank die toestemming had gegeven, heeft de man binnen de door de rechtbank gestelde termijn op 10 november 2005 zijn nader verweerschrift met een aantal producties ingediend.

De vrouw heeft op 24 januari 2006 schriftelijk en zulks ook binnen de door de rechtbank gestelde termijn, op dit nader verweerschrift gereageerd.

Bij brief van 15 mei 2006 heeft de vrouw nog producties overgelegd.

De man heeft nog gereageerd bij brief, met bijlagen, d.d. 19 mei 2006.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 31 mei 2006.

Naar aanleiding van het ter terechtzitting besprokene heeft de man bij brief van 2 juni 2006 nog een productie overgelegd.

2. Beoordeling

2.1De verzoeken

Uit de stukken blijkt hetgeen de man heeft gesteld omtrent de plaats en de dag van de vol¬trek¬king van het huwelijk, de voornamen en de geboortedag van de thans nog minderjarige kinderen en de nationaliteit van partijen, met dien verstande dat de rechtbank in overeenstemming met de overgelegde bescheiden leest dat partijen in [M.] in het huwelijk zijn getreden.

De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt, samengevat, echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed alsmede de navolgende nevenvoorzieningen:

-bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als volgens de wet;

-een omgangsregeling vast te leggen van eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 20.00 uur, alsmede elke dinsdag van 18.00 uur tot de volgende ochtend. [naam kind] gaat op woensdagmorgen zelf naar school en de man zal [naam kind] naar school brengen. De man wil voorts de helft van de feestdagen en de vakanties, in onderling overleg af te spreken, omgang met de kinderen.

De vrouw heeft bij zelfstandig verzoek verzocht:

-vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de twee minderjarige kinderen van € 871,33 per maand voor de beide kinderen samen en wel met ingang van het tijdstip, waarop de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorzieningen overeengekomen regeling met betrekking tot de door de man te betalen eigenaars- en woonlasten van de echtelijke woning zal zijn beëindigd;

-vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage van € 3.000,-- per maand met dien verstande dat deze verplichting pas zal ingaan met ingang van het tijdstip, waarop de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorzieningen overeengekomen regeling met betrekking tot de door de man te betalen eigenaars- en woonlasten van de echtelijke woning zal zijn beëindigd;

-bevel tot verrekening van de tussen partijen onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat hun huwelijk heeft geduurd, conform artikel 8 van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden;

2.2 De echtscheiding:

De vrouw heeft de duurzame ontwrichting van der partijen huwelijk niet betwist, zodat deze ten processe vaststaat en het verzoek tot echtscheiding derhalve moet worden toegewezen.

2.3 De nevenvoorzieningen:

2.3.1 De omgang:

Tegen het door de man ter terechtzitting mondeling gedaan verzoek om een omgangsregeling vast te stellen, heeft de vrouw zich niet verzet. De vrouw stemt met de door de man verzochte regeling in als daarin wordt bepaald dat de man de kinderen ’s-zondags om 19.00 uur terugbrengt in plaats van 20.00 uur. De man dient zich volgens de vrouw daarbij stipt aan de afgesproken tijden te houden. Voorts dient de man indien zich voor de omgang onvoorziene omstandigheden voordoen, hieromtrent contact op te nemen met de vrouw.

De man heeft tegen de aanpassing van het terugbrengtijdstip op zondagavond geen bezwaren gemaakt.

De rechtbank zal het verzoek van de man met aanpassing van het terugbrengtijdstip op zondagavond toewijzen. Zij gaat er daarbij vanuit dat de man zich stipt aan de in het dictum te vermelden tijdstippen houdt en dat hij zich rechtstreeks tot de vrouw wendt indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen bij of in verband met de omgang.

2.3.2 De kinderalimentatie:

2.3.2.a

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarige kinderen, ten bedrage van € 871,33 per maand voor beide kinderen samen en wel met ingang van het tijdstip, waarop de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorziening (onderling) overeengekomen regeling met betrekking tot de door de man te betalen eigenaars- en woonlasten zullen zijn beëindigd.

De vrouw verzoekt hierbij tevens om de man te veroordelen om voor zijn rekening te nemen de ten behoeve van de kinderen verschuldigde bijdragen voor deelname aan judo en scouting alsmede de ten behoeve van [naam kind] verschuldigde bijdrage voor deelname aan het voetbal alsmede de voor hem verschuldigde schoolgelden.

2.3.2.b

De man heeft in de stukken en ter terechtzitting aangegeven dat hij bereid is maandelijks voor de twee kinderen samen het bedrag van € 871,33 te voldoen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen, die, zoals door partijen onderling is overeengekomen, hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben.

Dit maakt dat al hetgeen de man heeft gesteld met betrekking tot de manier waarop de behoefte van de kinderen moet worden berekend onbesproken kan blijven.

Dat geldt niet voor het door de vrouw bijkomend gedaan verzoek om de man te veroordelen ook de ten behoeve van de kinderen verschuldigde bijdragen voor deelname aan judo en scouting, alsmede de voor [naam kind] verschuldigde contributie bij de voetbalclub alsook de voor hem verschuldigde schoolgelden te voldoen nu de man heeft betwist dat hij naast de hiervoor besproken onderhoudsbijdrage ook die kosten voor zijn rekening zou moeten nemen. Met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis ter zake het begrip ‘voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding’, stelt de man dat de term ‘betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding’ ook de zojuist vermelde voor de kinderen te maken kosten omvat.

2.3.2.c

De rechtbank volgt de man in zijn standpunt dat in de bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding zijn begrepen de kosten van lichamelijke en geestelijke opvoeding, nu zulks blijkt uit de door de man genoemde parlementaire stukken.

Daargelaten de mededeling van de man dat hij in voorkomende gevallen wel bereid is (incidenteel, zoals tot op heden reeds gedaan) ten aanzien van dit soort kosten bij te springen, is dit onderdeel van het verzoek van de vrouw niet toewijsbaar en zal enkel het bedrag van € 871,33 per maand voor beide kinderen worden toegewezen,hetgeen betekent € 435,66 per maand per kind.

2.3.2.d

Binnen dit kader heeft de man nog gesteld dat onderhoudsverplichtingen jaarlijks dienen te worden aangepast in verband met de geldontwaarding en de daarmee samenhangende stijging van de lonen en inkomen. Hierdoor wordt volgens de man bereikt dat eenmaal vastgestelde onderhoudsuitkeringen, ondanks wijzigingen in de hoogte van de lonen, blijven beantwoorden aan de wettelijke maatstaven van de draagkracht.

In dat kader stelt de man dat hij werkzaam is als advocaat en in die hoedanigheid maat is in de advocatenmaatschap [naam maatschap] (verder: de maatschap). Hij ontvangt, zoals blijkt uit de te dien einde overgelegde verklaring van de maatschap, al vier jaren lang € 3.500,-- netto per maand aan voorschot op zijn winstaandeel in de maatschap. De maatschap neemt voorts de inkomstenbelasting van de maten voor haar rekening alsmede de premie van de arbeidsongeschiktheidsverzekering de WAZ en de pensioenpremie. Deze kostenposten van de maten verrekent de maatschap evenwel met het winstaandeel van de maten in de maatschap. Dit een en ander impliceert naar de mening van de man dat de vermoedelijke stijging van de inkomsten, waar de wettelijke regeling vanuit gaat, voor zijn geval niet geldt en dus de indexering van de te betalen kinderalimentatie wat hem betreft moet worden uitgesloten.

2.3.2.e

De vrouw is het niet eens met deze zienswijze van de man. Zij stelt dat de man een voorschot op de winst als loon krijgt uitgekeerd. Volgens de vrouw valt niet in te zien waarom dat voorschot niet kan fluctueren. Temeer nu de wettelijke indexering juist is bedoeld om onderhoudsbijdragen in de pas te laten lopen met de geldontwaarding en de ontwikkeling van de prijzen.

2.3.2.f

In de rechtsliteratuur met betrekking tot het wel of niet indexeren van te betalen onderhoudsbijdragen wordt gesteld dat partijen zelf kunnen, of dat de rechter de indexering kan uitsluiten wanneer de indexering voor het geval in kwestie niet past. Uitsluiting van de indexering dient erop gegrond te zijn dat de veronderstelling waarop de indexering van rechtswege is gebaseerd (namelijk dat bij overigens gelijkblijvende omstandigheden het inkomen van de alimentatieplichtige zich wijzigt overeenkomstig het algemeen indexcijfer van artikel 1:402a lid 1 BW) in het individuele geval niet opgaat.

De man heeft aangetoond dat hij sinds de invoering van Euro op 1 januari 2002 € 3.500,-- per maand krijgt uitbetaald op zijn bankrekening als voorschot op de winst en dat de maatschap daarnaast reeds genoemde fiscale verplichtingen, de premies arbeidsongeschiktheidsverzekering en de lijfrentepremies voor de maten voldoet. Uit de door de man te dien einde overgelegde bescheiden is op te maken dat de door de maten niet opgenomen winsten worden toegevoegd aan het reeds opgebouwde kapitaal van de maatschap en dat eventueel gemaakte verliezen in een boekjaar van dit kapitaal worden afgeschreven.

Uit de door de man overgelegde bescheiden blijkt tevens dat hij naast het inkomen uit de maatschap nog een bescheiden invaliditeitsuitkering via het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (verder: ABP) ontvangt. In 2005 beliep die uitkering bruto € 321,17 per maand en dat is € 211,34 netto per maand.

2.3.2.g

De vrouw heeft niet weersproken dat partijen sedert de invoering van de Euro hebben geleefd van het bedrag van € 3.500,-- per maand dat de man uit de maatschap ontvangt en het inkomen van de vrouw dat (tot aan het begin van deze procedure) netto circa € 1.400,- per maand heeft bedragen. Niet duidelijk is sinds wanneer de man de invaliditeitsuitkering heeft ontvangen. Doch nu de man onweersproken heeft gesteld dat het gezinsinkomen van partijen – afgerond - € 5.150,-- per maand (zijnde € 3.500,-- uit de maatschap, € 211,34 invaliditeitsuitkering en circa € 1.400,-- per maand aan netto-inkomen van de vrouw) bedroeg en partijen daar alle lasten van hebben voldaan, gaat de rechtbank ervan uit dat partijen reeds een aantal jaren over dit maandinkomen van circa € 5.150,-- beschikken.

Nu het hoofdbestanddeel van het gezinsinkomen al een aantal jaren € 3.500,-- per maand bedraagt en dit zich niet wijzigt overeenkomstig het algemeen indexcijfer als bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW, vloeit hieruit voort dat de door hem te betalen bijdrage voor de kinderen in dit geval niet geïndexeerd moeten worden vastgesteld.

De rechtbank acht het voor de hand liggen dat de invaliditeitsuitkering die de man ontvangt wel overeenkomstig het indexcijfer wordt aangepast. Nu die invaliditeitsuitkering evenwel slechts circa 1/17e deel van het totale inkomen van de man uitmaakt, kan er vanuit gegaan worden dat die aanpassingen zo gering zijn dat daarmee voor de te leveren bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen geen rekening hoeft te worden gehouden.

De rechtbank zal ter zake de kinderalimentatie aldus beslissen.

2.3.3 De partneralimentatie:

2.3.3.a

De vrouw verzoekt de man te veroordelen om met een bedrag van € 3.000,-- per maand bij te dragen in haar kosten van levensonderhoud en te dien aanzien te bepalen dat deze verplichting voor de man ingaat zodra de tussen partijen getroffen voorlopige regeling ter zake de betaling van de man van de eigenaars- en woonlasten van de echtelijke woning (die circa € 2.100,-- per maand belopen) eindigt.

De vrouw voert aan dat zij, gelet op de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd, behoefte aan die bijdrage heeft. De vrouw gaat er daarbij vanuit dat wanneer zij dit bedrag bruto ontvangt, zij daarvan dan netto ongeveer € 1.500,-- per maand overhoudt. Wanneer zij dit van de man netto te ontvangen bedrag samenvoegt met haar eigen inkomen ad circa € 1.400,-- netto per maand uit haar deeltijdbaan en een kleine WW-uitkering, denkt de vrouw in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen en leven in dezelfde welstand als waarin partijen met hun kinderen tijdens het huwelijk hebben geleefd.

De vrouw betwist de stelling van de man dat hij bij een inkomen van € 3.711,-- netto per maand draagkracht mist om de door haar gevraagde bijdrage te kunnen betalen. Volgens de vrouw komt dit bedrag aan alimentatie overeen met het bedrag aan (woon)lasten dat de man op dit moment voor de vrouw betaalt. Praktisch verandert er dus vrijwel niets voor de man.

De vrouw is daarnaast van mening dat bij het vaststellen van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van het bruto winstaandeel dat de man in de maatschap heeft. Wanneer daarvan uitgegaan wordt kan er geen sprake van zijn dat hij geen draagkracht heeft om de kinder- en partneralimentatie te betalen volgens de vrouw.

2.3.3.b

De man betwist de gestelde behoefte van de vrouw. Te dien aanzien stelt de man voorop dat de vrouw die behoefte op geen enkele manier inzichtelijk heeft gemaakt.

Los daarvan betoogt de man dat de verzochte bijdrage moet worden afgewezen. De vrouw is volgens de man in staat om geheel in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hij stelt daartoe dat toen partijen in 1992 huwden, de vrouw full time werkte[naam bedrijf]an het [naam en plaats bedrijf]. De vrouw is ook bij de geboorte van hun eerste kind [naam kind] in mei 1992 full time blijven werken. Pas bij de geboorte van [naam kind] in 1995 is de vrouw 32 uren per week gaan werken. Sinds 1999 heeft de vrouw naast haar werk als directiesecretaresse bij het [naam bedrijf] een tweede baan erbij genomen. Zij organiseert in Nederland cursussen voor Post-Graduates. In 2003 heeft de Universiteit een reorganisatie aangekondigd en die in 2004 doorgevoerd. Sindsdien verkeert de vrouw in de situatie dat zij nog maar één deeltijdbaan heeft. De man is van mening dat de vrouw heeft verzuimd inspanningen te doen om haar full time baan te behouden dan wel haar deeltijdbaan weer met een tweede deeltijdbaan aan te vullen, zodat haar inkomen op een dusdanig niveau zou zijn gebleven dat zij in eigen onderhoud had kunnen (blijven) voorzien. Temeer volgens de man nu de vrouw kan bogen op 16 jaar ervaring binnen de universitaire wereld en het huwelijk en het krijgen van kinderen in dit geval omstandigheden zijn die feitelijk op geen enkele manier belemmerend hebben gewerkt in zake haar carrièremogelijkheden.

De man grondt dit standpunt op HR 10.9.2004, NJ 2005,225 (LJN AO 9077) en geeft daartoe aan dat de Hoge Raad in die zaak in een soort gelijke situatie heeft beslist dat van de vrouw gevergd kan worden dat zij 30 uren per week werkt in plaats van 15 uren en daarbij in aanmerking genomen dat de kinderen in die zaak 9 en 12 jaren oud waren en de vrouw in dat geval in het verleden ook meer uren gewerkt had. Nu de onderhavige zaak ten aanzien van het alimentatieverzoek van de vrouw nagenoeg overeenkomt met het aangehaalde geval waarin de Hoge Raad heeft beslist, moet analoog aan die beslissing het verzoek van de vrouw in deze zaak worden afgewezen aldus de man.

De man stelt voorts nog dat, in geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat hij desondanks een bijdrage zou moeten leveren in het levensonderhoud van de vrouw, die bijdrage, gerelateerd aan het gezinsinkomen van partijen, in elk geval niet hoger dan € 970,-- per maand kan zijn. Te dien aanzien verzoekt de man aanvullend dat bij toewijzing van dit bedrag de indexering van die bijdrage moet worden uitgesloten. Een en ander op de gronden zoals al aangevoerd ter zake de kinderalimentatie.

Tenslotte stelt de man dat de door hem gemaakte draagkrachtberekening aantoont dat hij geen draagkracht heeft om de verzochte bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen betalen bij zijn inkomen van € 3.711,34 per maand.

2.3.3.c

De vrouw heeft kort voor de vastgestelde comparitie op 31 mei 2006 bij schrijven van 15 mei 2006 drie salarisspecificaties overgelegd. Ter comparitie heeft de vrouw met betrekking tot de behoefte aan een bijdrage gesteld dat zij thans als secretaresse een baan bij de Universiteit in Maastricht heeft van 38 uur per week. Uit genoemde salarisspecificaties blijkt dat haar inkomen sinds april 2006 circa € 2.539,00 bruto bedraagt. Dat is circa € 1.700,00 netto per maand.

2.3.3.d

In zijn reactie daarop vraagt de man zich af of de vrouw, gezien haar opleiding niet een hoger inkomen kan verwerven. Op de vraag welke functie de vrouw dan volgens de man zou kunnen verrichten, is de man het antwoord schuldig gebleven. De man heeft ter comparitie herhaald dat zijns inziens de behoefte van de vrouw aan de verzochte bijdrage in elk geval niet hoger kan zijn dan de gestelde € 970,-- per maand.

2.3.3.e

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw terecht stelt dat medebepalend voor haar behoefte is de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd.

In dit kader heeft de vrouw op zich niet betwist dat, zoals door de man hierboven onder 2.3.2.g is gesteld en voorgerekend, het gezinsinkomen de laatste jaren € 5.150,-- netto per maand heeft bedragen.

Hiervan uitgaande heeft de man onder bevestiging van de vrouw aangevoerd dat de kinderen € 1.200,-- per maand kosten. Na aftrek van deze kosten voor de kinderen van het besteedbare gezinsinkomen, bedraagt volgens de man, overeenkomstig de te hanteren vuistregel, de behoefte van de vrouw € 2.370,-- per maand. Nu de vrouw tot en met 31 december 2005 hiervan een bedrag van € 1.400,-- per maand aan eigen inkomsten genereerde, toont de conform de vuistregel te maken berekening aan dat de man nog met een bedrag van € 970,-- per maand zou moeten bijspringen om de vrouw in dezelfde welstand te laten leven als toen partijen tijdens hun huwelijk nog samenleefden.

Uit de door de vrouw nader overgelegde inkomensgegevens blijkt dat zij per 1 januari 2006 een full time baan als secretaresse aan de Universiteit te Maastricht heeft aanvaard en dat haar inkomen daardoor is gestegen naar € 1.700,-- netto per maand. Nu de man niet heeft kunnen aangeven op welke wijze de vrouw met haar capaciteiten en een zestienjarige ervaring als secretaresse een hoger inkomen bij een full time baan zou moeten kunnen realiseren, laat de rechtbank die opmerking voor rekening van de man. Nu voorts het gezinsinkomen over de periode dat partijen nog samenleefden de maatstaf is voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw, betekent dit een en ander in het onderhavige geval dat de vrouw nog behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage van € 670,-- netto per maand. Wanneer dit bedrag vervolgens wordt gebruteerd, komt die rekensom uit op een behoefte van circa € 1.000,-- bruto per maand.

Dit zo zijnde moet thans worden bezien of de man draagkracht heeft om met dit bedrag in het levensonderhoud van de vrouw te kunnen voorzien.

2.3.3.f

De man heeft, stellende dat hij via de maatschap iedere maand een vast netto bedrag krijgt uitgekeerd een netto draagkrachtberekening bij zijn stukken gevoegd. De man heeft in deze per 17 mei 2006 opgemaakte berekening onder de noemer maandelijkse voorschotten op de winst en overige betalingen alsmede zijn invaliditeitsuitkering een bedrag van € 4.152,-- opgevoerd als zijn totale netto maandinkomen. In het ten behoeve van de comparitie van 31 mei 2006 overgelegd schrijven met producties heeft de man uiteen gezet hoe hij dit netto maandinkomen heeft becijferd.

De vrouw heeft tegen dit opgevoerde bedrag op zich niets ingebracht. De rechtbank neemt dit bedrag als zijnde het netto besteedbare maandbedrag daarom in haar berekening over.

Bij de bepaling van het draagkrachtloos inkomen heeft de man een bedrag van € 841,-- per maand opgevoerd. De vrouw heeft ook hieromtrent niets gesteld. De rechtbank neemt derhalve ook dit bedrag, waaruit op te maken is dat de man als alleenstaande moet worden aangemerkt, over in haar berekening.

Ter zake woonlasten voert de man in zijn berekening op een bedrag van € 1.090,-- per maand aan hypotheekrente. Een bedrag van € 420,70 per maand aan hypotheekaflossingen en nog een bedrag van € 95,-- per maand aan forfaitaire eigenaarslasten. Daarnaast heeft de man een bedrag van € 821,70 aan huurlasten in zijn berekening opgenomen.

De rechtbank neemt de door de man opgevoerde bedragen van € 1.090,-- per maand aan hypotheekrente, het bedrag van € 420,70 per maand aan aflossingen en het forfaitaire bedrag van € 95,-- per maand niet mee in haar berekening. Dit vanwege het feit dat de vrouw vaststelling van een door de man te betalen aanvullende bijdrage vraagt met ingang van het tijdstip waarop de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorziening getroffen regeling ten aanzien van de betaling door de man van de eigenaars- en woonlasten van de echtelijke woning zal zijn beëindigd en de man dus vanaf dat tijdstip genoemde lasten niet meer betaalt.

In zijn berekening heeft de man vervolgens een bedrag van € 17,95 per maand opgenomen als premie voor zijn begrafenisverzekering en een bedrag van € 50,-- per maand aan omgangskosten met de kinderen. De rechtbank zal deze posten integraal overnemen nu de vrouw te dien aanzien geen op- of aanmerkingen heeft gemaakt.

De man heeft een bedrag van € 125,-- per maand aan herinrichtingskosten in zijn berekening opgevoerd. De rechtbank zal met deze post geen rekening houden nu hiertoe niet is gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat voor de aanschaf van inboedelgoederen een lening is aangegaan, waarop nog een x-aantal maanden rente en aflossingen betaald moeten worden.

De man heeft in zijn berekening een bedrag van € 283,-- per maand opgenomen als premiebetalingen aan Zwitserleven voor zijn lijfrenteverzekering. Ter comparitie heeft de vrouw erkend dat dit bedrag werd en wordt betaald uit het vaste maandelijks voorschot op de winst van € 3.500,-- dat de man van de maatschap ontvangt.

De rechtbank zal dit maandbedrag overnemen in haar berekening.

Dat geldt niet voor de twee volgende premiebedragen die de man in de berekening heeft opgevoerd als de premiebetalingen voor de levensverzekeringen van de man (€ 38,34) en de vrouw ( € 22,90) die partijen bij Erasmus hebben afgesloten, nu ter genoemde comparitie partijen hebben gesteld dat met de premie voor deze risicoverzekeringen geen rekening gehouden moet worden bij de draagkrachtberekening.

De aan de hand van deze uitkomsten te maken draagkrachtberekening laat zien dat er zonder rekening te houden met fiscale voordelen bij de betaling van alimentatie de man draagkracht heeft tot een bedrag van € 1.540,-- per maand. Wanneer bij betaling van kinderalimentatie van € 871, 33 rekening wordt gehouden met het daarbij te behalen fiscale voordeel en vervolgens met dat gegeven de draagkracht wordt becijferd voor de aan de vrouw te betalen bijdrage van € 1.000,-- per maand en daarbij eveneens wordt rekening gehouden met het fiscaal voordeel, dan geeft dit rekenwerk als uitkomst dat de man met zijn huidige inkomen in staat is om naast de kinderbijdrage ad € 871,33 per maand met een bedrag van € 1.000,-- per maand bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zodra de kostenposten voor de echtelijke woning wegvallen.

Dit maakt, mede gezien Hoge Raad 19 december 2003, NJ 2004,140, waarin is aangenomen dat onjuist is de opvatting dat (noodzakelijke) reserveringen en investeringen in een bedrijf, steeds leidden tot vermogensvorming en daarom altijd moeten worden meegerekend bij de bepaling van de welstand van partijen tijdens hun huwelijk, dat de stelling van de vrouw dat voor het berekenen van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn winstaandeel in de maatschap van circa € 100.000,-- bruto per jaar en de man in het kader daarvan met actuele inkomensgegevens moet komen voor het vaststellen van zijn draagkracht vooralsnog onbesproken kan blijven.

De rechtbank zal op grond van het bovenstaande de door de man voor de vrouw te betalen bijdrage vaststellen op € 1.000,-- per maand met ingang van de dag dat de lasten van de echtelijke woning niet meer voor rekening van de man komen, met uitsluiting van de indexering op grond van hetgeen ter zake indexering al hierboven onder 2.3.2.f is overwogen.

2.4 Het bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke zaken.

2.4.1

De vrouw stemt in met het verzoek van de man om partijen te bevelen om ten overstaan van een notaris met elkaar over te gaan tot verdeling van de gemeenschap met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon voor ieder van hen als volgens de wet.

De rechtbank zal dit verzoek als verzocht toewijzen

2.5 Verrekening van de onverteerd gebleven inkomsten.

2.5.1

Nadat partijen op 9 maart 1992 ten overstaan van notaris mr. L.W.S. van de Weijer te Maastricht huwelijks voorwaarden waren overeengekomen, zijn zij op 13 maart 1992 gehuwd.

Partijen hebben in artikel 1 van hun huwelijkse voorwaarden bepaald dat zij met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

Met het oog op het in artikel 8 overeengekomen verrekenbeding hebben partijen in lid 2 van artikel 5 omschreven wat zij verstaan onder netto inkomen:' onder netto inkomen wordt verstaan het belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 onder aftrek van de daarvoor verschuldigde wettelijke inhoudingen of heffingen'.

In artikel 8 van de voorwaarden is het overeengekomen verrekenbeding als volgt omschreven: 'de echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun netto inkomen in de zin van artikel 5, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd'

In artikel 11, aanhef en onder a hebben partijen nog bepaald: 'Geen verrekening heeft plaats over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat '.

2.5.1.a

Op grond van deze voorwaarden en stellende dat partijen tijdens hun huwelijk nimmer de onverteerde inkomsten hebben verrekend verzoekt de vrouw om de man te veroordelen met de vrouw over te gaan tot verrekening van de tussen hen onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat hun huwelijk heeft geduurd.

2.5.1.b

De man heeft in zijn verweer tegen dit verzoek aangevoerd dat hij als maat in de maatschap maandelijks een voorschot op zijn winstaandeel ontvangt van € 3.500,--. De maatschap betaalt van dit winstaandeel ook de verschuldigde inkomstenbelasting, de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en de pensioenpremie voor de man. De man zegt verder onder verwijzing naar de als productie overgelegde verklaring van 15 juli 2005 van de maten in de maatschap dat het dan resterend winstaandeel in de maatschap blijft. Dit ter waarborging van de continuïteit van de maatschap. Op grond hiervan heeft de vrouw volgens de man geen recht op verrekening van het winstaandeel van de man in de maatschap omdat hij dat winstaandeel niet kan opeisen van de maatschap. Een extra opname is blijkens genoemde verklaring immers alleen mogelijk na overleg met en na uitdrukkelijke toestemming van de overige vier maten. Hieruit vloeit volgens de man al voort dat hij niet, zoals in artikel 1:141 lid 4 BW is bepaald, de overwegende zeggenschap heeft over uitkering van in de maatschap gemaakte winsten. Los hiervan is er, gelet op het bepaalde in lid 4 van artikel 1:141 BW, volgens de man bovendien sprake van een niet op zijn naam gedreven onderneming en kent de maatschap overigens ook geen afgescheiden vermogen, zoals dat onder meer het geval is bij een besloten vennootschap en een vennootschap onder firma. Uit dit alles vloeit volgens de man voort dat hij pas bij uittreding uit de maatschap over zijn aandeel in het maatschapskapitaal de beschikking krijgt en er dus op dit moment niets te verrekenen is.

2.5.1.c

De vrouw erkent dat het niet door de man genoten winstaandeel aan zijn maatschapskapitaal wordt toegevoegd en dat eventuele negatieve saldi op zijn maatschapskapitaal in mindering worden gebracht.

Uit de door de man overgelegde jaarrekening over 2003 is volgens de vrouw op te maken dat alvorens de netto winst over de maten wordt verdeeld, ieder van hen een rentevergoeding ontvangt over het gemiddelde maatschapskapitaal van dat boekjaar. Voorts blijkt uit de door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting over 2003 dat het volledige winstaandeel van de man, met inbegrip van de ontvangen rente, als belastbare winst uit onderneming wordt aangegeven. De vrouw beklemtoont dat uit die belastingaangifte blijkt dat ook het in de maatschap blijvende winstaandeel als inkomen wordt aangegeven en dat de man dientengevolge over zijn totale winstaandeel (dus inclusief het niet ontvangen deel) de verschuldigde inkomstenbelasting moet voldoen.

De vrouw betwist het standpunt van de man dat artikel 1:141 lid 4 BW ook op de maatschap van toepassing moet worden geacht. Volgens de vrouw is de maatschap een geheel andere rechtsvorm dan die waar het bepaalde in lid 4 van dit artikel op ziet.

Uit de reeds genoemde jaarrekening over 2003 blijkt volgens de vrouw verder dat het winstaandeel van de man in de maatschap op 31 december 2003 € 194.677,-- bedroeg. Dit aandeel van de man in de maatschap moet in de ogen van de vrouw worden beschouwd als een vordering die de man op de maatschap heeft. Het gaat immers om winstaandelen die de man de afgelopen jaren niet volledig heeft opgenomen maar in de maatschap heeft gelaten ter financiering van de ondernemingsactiviteiten en ter behoud van de continuïteit van de maatschap. Het om die reden in de maatschap laten van zijn winstaandeel plus de daarop verdiende en toegerekende rentevergoeding maakt niet dat daardoor zijn vorderingsrecht verloren zou gaan. Volgens de vrouw is juist sprake van het tegendeel. Die vordering op de maatschap behoort feitelijk tot het privé-vermogen van de man en komt derhalve als zodanig voor de verzochte verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden in aanmerking.

Wanneer de rechtbank beslist dat de man over de huwelijkse periode met de vrouw de onverteerde inkomsten moet verrekenen, maakt dat volgens de vrouw niet dat daardoor de continuïteit van de maatschap in gevaar komt of dat, zoals de man meent, zulks niet zou stroken met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Een dergelijke verrekening heeft volgens de vrouw in tegenstelling tot hetgeen de man meent, niet ten gevolge dat er in omvangrijke mate gelden aan de maatschap onttrokken (zouden moeten) worden waardoor de liquiditeits- en/of solvabiliteitspositie van de maatschap in gevaar zou komen. De vrouw weerspreekt ook de visie van de man dat hij een lening zou moeten afsluiten om het aan de vrouw toekomende bedrag met haar te kunnen verrekenen.

De vrouw stelt hiertoe dat in haar ogen de verrekening met gesloten beurzen kan plaatsvinden. Binnen het kader van de afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding opteert de vrouw immers voor toedeling aan haar van de aan partijen gezamenlijk toebehorende echtelijke woning. Dit maakt dat het aandeel van de vrouw in de vordering van de man op de maatschap kan worden verrekend met zijn aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning. De vrouw stelt in dit verband nog dat de getaxeerde onderhandse verkoopwaarde van de woning € 370.000,-- bedraagt, dat op de woning een tweetal hypotheken rusten ad in totaal € 206.500,--, zodat de te verrekenen overwaarde € 163.500,-- bedraagt. Het aandeel voor de man in die waarde is derhalve € 81.750,--. Wanneer vervolgens nog rekening wordt gehouden met een Aegon Beleggingsverzekering met een per 31 december 2004 belegde waarde van € 51.191,-- en dat de man op de helft daarvan aanspraak kan maken, is duidelijk dat de op basis van de huwelijkse voorwaarden te verrekenen som tussen partijen en de anderzijds op basis van de woning en beleggingspolis tussen partijen te verrekenen posten nagenoeg geheel met gesloten beurzen kan plaatsvinden. Dit maakt dat de continuïteit van de maatschap geen enkel gevaar loopt en ook dat de man financieel gezien door de verrekening op geen enkele manier in de problemen komt.

2.5.1.d

Partijen hebben tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven aan het in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding. Wanneer echtgenoten de te verrekenen inkomsten en/of het te verrekenen vermogen niet periodiek hebben verrekend, blijft die verplichting, zoals is bepaald in artikel 1:141 lid 1 BW in stand. In dat geval dient, volgens lid 1 van dit artikel, verrekend te worden het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.

2.5.1.e

Tegen het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen om met haar over te gaan tot verrekening van de tussen partijen onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat hun huwelijk heeft geduurd heeft de man gesteld dat hij als maat werkzaam is in een advocatenmaatschap en dat hij uit dien hoofde, zoals bepaald is in artikel 1:141 lid 4 BW, niet in overwegende mate bij machte is in de maatschap te bepalen dat de winst hem rechtstreeks of onmiddellijk ten goede komt. De winst blijft in de maatschap en dit maakt volgens de man, dat, nu deze bepaling in het maatschapscontract is opgenomen ter waarborging van de continuïteit van de maatschap, hij zijn winstaandeel niet kan opeisen en dit dus ook niet verrekenbaar is. Het opnemen van een groter deel van zijn aandeel in de winst van deze niet onder zijn naam gevoerde onderneming kan alleen als de vier overige maten daarmee instemmen.

2.5.1.f

De vrouw betoogt dat nu de maatschap een heel andere ondernemingsvorm is dan waarop het bepaalde in lid vier van artikel 1:141 BW ziet, het beroep van de man op dit artikel moet worden gepasseerd.

De vrouw stelt dat uit de jaarrekening van 2003 blijkt dat het door de man inmiddels opgebouwde winstaandeel in de maatschap € 194.677,-- bedraagt. Volgens de vrouw wil dat met andere woorden zeggen dat de man tot dit bedrag een vordering op de maatschap heeft opgebouwd. Nu die vordering tot het privé-vermogen van de man moet worden gerekend, dient hij die op grond van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden met haar te verrekenen.

2.5.1.g

De Wet regels verrekenbedingen is per 1 september 2002 van kracht geworden. Deze wet bevat bepalingen van aanvullend en dwingend recht. In die wet is de tot dusverre bestaande jurisprudentie met betrekking tot in huwelijkse voorwaarden voorkomende verrekenbedingen gecodificeerd en in de rechtsliteratuur wordt algemeen aangenomen dat deze regels onmiddellijke werking hebben indien het, zoals in de onderhavige zaak, om periodieke verrekenbedingen gaat. Dit maakt, volgens de rechtsliteratuur ook dat voor zover in bestaande huwelijkse voorwaarden onderdelen van een verrekenbeding niet geregeld zijn, de bepalingen van afdeling 2 titel 8 Boek 1 BW aanvullend werken. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:132 BW gaat evenwel hetgeen partijen in hun huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen boven een regel van aanvullend recht.

Partijen hebben in artikel 8 van hun in maart 1992 overeengekomen huwelijkse voorwaarden bepaald dat zij elk jaar van hetgeen zij van hun netto inkomen na aftrek van wat daarvan nodig is voor de gemeenschappelijke huishouding, overhouden met elkaar dienen te verrekenen.

Tussen partijen staat vast dat het in de maatschap geparkeerde aandeel in de winst inkomen van de man is, dat ook fiscaal als zodanig wordt aangemerkt. Daarover wordt immers door de man via de maatschap inkomstenbelasting betaald. De geparkeerde winst voldoet daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan het begrip inkomen zoals partijen dat in artikel 5 van hun huwelijkse voorwaarden hebben omschreven.

Artikel 1:141 lid 4 BW is een regel van aanvullend recht Nu partijen evenwel de verrekening van winst hebben geregeld bij huwelijkse voorwaarden prevaleert deze regeling boven het bepaalde in artikel 1:141 lid 4 BW, zulks nog daargelaten dat de rechtbank van oordeel is dat artikel 1:141 lid 4 BW niet voor de maatschap geldt. Uit de wetsgeschiedenis valt immers af te leiden dat hier bedoeld zijn ondernemingen met een afgescheiden vermogen, zoals de besloten vennootschap of de vennootschap onder firma.

Uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank het aandeel van de man in het maatschapskapitaal in beginsel dient te worden verrekend.

2.5.1.h

De man heeft onbetwist gesteld dat alle maten in de maatschap gelijke zeggenschap hebben en dat geen van de maten zonder toestemming van de andere maten meer geld uit de maatschap kan opnemen dan zijn voorschot op de winst. De man stelt met andere woorden dat zijn tijdens het huwelijk van partijen opgebouwd aandeel in de winst van de maatschap niet opeisbaar is en dus ook niet verrekenbaar is.

2.5.1.i

In zijn arrest van 12.10.2001, NJ 2003,534 heeft de Hoge Raad de beslissing van het hof dat het aandeel van de man in de (in dat geval) specialistenmaatschap in de gemeenschap van goederen van partijen valt en, anders dan de man in die zaak had gesteld, dat aandeel wél voor verdeling vatbaar is, in stand gelaten.

In de onderhavige zaak moet naar het oordeel van de rechtbank ter zake het aandeel van de man in de maatschap analoog aan zojuist genoemde uitspraak worden vastgesteld dat zijn aandeel in het maatschapskapitaal tot aan het nog te bepalen peilmoment moet worden verrekend en dit inclusief de rentevergoedingen die de maatschap ieder jaar over het niet opgenomen winstaandeel heeft vergoed en die ook aan het maatschapskapitaal zijn toegevoegd. Het aandeel in het maatschapskapitaal bestaat behalve uit de niet uitgekeerde winst ook uit de rentevergoedingen. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze rentevergoedingen ook voor verrekening in aanmerking, niet zozeer op grond van de huwelijkse voorwaarden, die hierover niets regelen, maar op grond van de aanvullende werking van lid 1 van artikel 1:141 BW. Dit artikellid bepaalt dat de verplichting tot verrekening zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet is verrekend, alsmede over de vruchten daarvan.

2.5.1.j

In de stukken en ter comparitie heeft de man gesteld en verklaard dat hij pas over zijn aandeel in de maatschap minus zijn aandeel in de maatschapsschulden kan gaan beschikken als hij de maatschap opzegt.

Aan de hand van de over 2003 overgelegde jaarrekening van de maatschap alsook aan de hand van de over 2004 overgelegde conceptjaarrekening is, mede gezien hetgeen de man nog heeft gesteld in zijn schrijven van 19 mei 2006, in de onderhavige zaak bepaalbaar wat per nader te bepalen peildatum het exacte aandeel van de man in het maatschapskapitaal is en dus ook welk bedrag hij met de vrouw dient te verrekenen.

Evenals in de hierboven aangehaalde zaak waarin de Hoge Raad op 12 oktober 2001 uitspraak heeft gedaan, geldt op grond van de door de man met zijn maten in de maatschap gemaakte afspraken dat hij eerst over zijn aandeel kan beschikken bij uittreding uit of opzegging van de maatschap, dat zijn aandeel dus niet spoedig liquide gemaakt kan worden.

Nu is vastgesteld dat de man zijn tijdens het huwelijk opgebouwd aandeel in het maatschapskapitaal plus de rente daarover met de vrouw moet verrekenen, maar op dit moment dat aandeel niet opeisbaar is, ligt het voor de hand om onder de specifieke omstandigheden van dit geval de man te veroordelen om met de vrouw over te gaan tot verrekening van de tussen partijen onverteerd gebleven inkomsten over de jaren dat hun huwelijk heeft geduurd met dien verstande evenwel dat die verrekening niet eerder hoeft plaats te vinden dan nadat de man zijn aandeel uit de maatschap heeft ontvangen.

2.5.1.k

In artikel 1: 135 lid 2 BW is bepaald dat op de verrekening de artikelen181,183 en 195 tot en met 200 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing zijn (...) en dat ook de artikelen 677 tot en met 680 Rv van overeenkomstige toepassing zijn.

Uit het bepaalde in artikel 680 lid 1 Rv is op te maken dat een verrekening als in deze zaak aan de orde ook via het bepaalde in artikel 3: 185 BW kan worden afgewikkeld.

In deze zaak is ten aanzien van de aan partijen gemeenschappelijk toekomende zaken onder 2.4 reeds vastgesteld dat die verdeling via een te geven bevel ten overstaan van een notaris zal dienen plaats te vinden. Uit hoofde van het bepaalde in artikel 3: 185 BW is de rechter die de verdeling of, zoals in casu, de verrekening vaststelt niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd of verzocht. Hij moet daarbij wel naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Rekening houdend met de bijzondere omstandigheden van dit geval komt het de rechtbank billijk voor om ten aanzien van het verrekenverzoek, te bevelen dat die verrekening ten overstaan van de notaris dient plaats te vinden. Temeer nu de vrouw opteert voor toedeling aan haar van de aan partijen gezamenlijk toebehorende echtelijke woning en zij te dien aanzien heeft gesteld dat bij de overdracht van de woning aan haar mede de verrekening van de onverteerde inkomsten kan worden betrokken. De rechtbank acht het in deze zaak te geven bevel tot verrekening in elk geval in het belang van partijen nu naar het oordeel van de rechtbank op voorhand niet uitgesloten kan worden dat partijen langs die weg de financiële afwikkeling van de woningoverdracht alsook de overige gevolgen van de echtscheiding, waaronder de verrekening van het aandeel van de man in het maatschapskapitaal ondanks het feit dat dit niet beschikbaar is maar wel bepaalbaar is, nagenoeg met gesloten beurzen kunnen laten plaatsvinden zoals door de vrouw naar voren is gebracht.

2.5.1.l

Uit dit alles vloeit voort dat partijen naast de reeds genoemde verrekening van het winstaandeel van de man in de maatschap ten overstaan van een te benoemen notaris dienen over te gaan tot verrekening van de spaarsaldi op hun gezamenlijke (Post)bankrekeningen en hun privé (Post)bankrekeningen en zulks per in de volgende alinea te bepalen peildatum en voorts dat al hetgeen overigens nog is aangevoerd ter onderbouwing van, dan wel als verweer tegen het verrekenverzoek niet meer besproken hoeft te worden.

2.6 De peildatum

Partijen hebben in artikel 11 aanhef en onder a van hun huwelijkse voorwaarden vastgelegd dat geen verrekening plaats heeft over de tijd dat partijen anders dan in onderling overleg niet samenwonen (...).

Geen van partijen heeft gesteld wanneer zij definitief uit elkaar zijn gegaan. Dit zo zijnde geldt conform het bepaalde in artikel 1:142 lid 1 sub b BW voorshands dat de verrekenperiode van de onverteerde inkomsten loopt tot aan het moment dat de man op 27 mei 2005 het verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend. Nu dit een bepaling van aanvullend recht is, kunnen partijen bij de ten overstaan van de te benoemen notaris te voeren onderhandelingen op grond van het bepaalde in artikel 11 van de huwelijkse voorwaarden een andere peildatum overeenkomen.

2.7 De proceskosten.

In verband met het bepaalde in artikel 237 Rv zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

3. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt uit tussen partijen, op [datum en plaats huwelijk] gehuwd, echtscheiding.

Stelt vast dat de man eenmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede elke dinsdag van 18.00 uur tot de volgende ochtend omgang kan hebben met der partijen minderjarige kinderen:

- [voornamen kind], geboren op [geboortedatum] te [M.] en [voornamen kind], geboren op [geboortedatum] te [M.];

[naam kind] gaat op woensdagmorgen zelf naar school en [naam kind] wordt door de man gebracht.

Veroordeelt de man om ten behoeve van genoemde minderjarigen aan de vrouw te betalen een bedrag van € 435,66 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering welke hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen zal of kan worden verleend, met dien verstande dat deze betaalplicht ingaat op het moment dat de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorziening overeengekomen regeling met betrekking tot de door de man te betalen eigenaars- en woonlasten zal zijn beëindigd.

Sluit de wettelijke indexering van dit bedrag uit.

Veroordeelt de man om aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van € 1.000,-- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van het tijdstip waarop de tussen partijen bij wijze van voorlopige voorziening getroffen regeling ten aanzien van de betaling door de man van de eigenaars- en woonlasten van de echtelijke woning zal zijn beëindigd, doch niet eerder dan nadat deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [M.].

Sluit de wettelijke indexering van dit bedrag uit.

Beveelt de verdeling van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende goederen, voor zover aanwezig, welke verdeling dient te geschieden ten overstaan van een notaris.

Beveelt de verrekening van de onverteerde inkomsten van de man en de vrouw en bepaalt dat die verrekening dient plaats te vinden ten overstaan van een notaris.

Benoemt, indien partijen geen andere notaris zijn overeengekomen, mr. A.C.J. Huenges Wajer te Maastricht, dan wel zijn plaatsvervanger als die ten overstaan van wie de verdeling en verrekening zal plaatsvinden, zulks op tijd en plaats als door de gekozen, respectievelijk benoemde notaris te bepalen.

Benoemt mr. N.M.T.L. Povel, kandidaat-notaris te Maastricht tot onzijdig persoon om de man bij de verdeling en verrekening te vertegenwoordigen, indien deze zou weigeren of in gebreke zou blijven voor de notaris te verschijnen of medewerking aan de verdeling en verrekening te verlenen.

Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Hazen, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uit¬ge¬sproken op 21 december 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/