Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ5038

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
109393 / HA ZA 06-286
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL7133
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BL7141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval met geleend paard. Letselschade bij degene die het paard leidde. Uitgangspunt is de risico-aansprakelijkheid van de bezitter van het dier en niet de bruikleenovereenkomst. Vermindering vergoedingsplicht door toepassing billijkheidscorrectie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 158
VR 2007, 43
JA 2007/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 20 december 2006

Zaaknummer : 109393 / HA ZA 06-286

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

1. [Naam eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

eiser sub 1,

procureur mr. J.O.I. Leliveld;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam B.V.],

gevestigd te Maastricht,

eiseres sub 2,

procureur mr. J.O.I. Leliveld;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te Teuven, België

gedaagde,

procureur mr. E.H.J. van der Heijden.

1. Het verloop van de procedure

Eisers, [Namen eisers], hebben gedaagde, [Naam gedaagde], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 11 januari 2004 heeft te Kerkrade een ongeval plaatsgevonden waarbij [Eiser sub 1], geboren op 27 juli 1953, zodanig ernstig voetletsel heeft opgelopen dat een deel van zijn voorvoet moest worden geamputeerd.

2.2 De toedracht van het ongeval was als volgt. [Gedaagde], wonend in België, heeft op 11 januari 2004 twee trekpaarden, die aan hem in eigendom toebehoren, ter beschikking gesteld aan [Naam persoon], die de trekpaarden nodig had ten behoeve van een carnavalsoptocht, waaraan de Kerkraadse Carnavalsvereniging deel zou nemen. [Naam persoon] heeft de paarden bij [Gedaagde] opgehaald. De paarden zijn op het terrein van [Naam persoon] ingespannen voor een oogstwagen. [Naam persoon] werd daarbij geassisteerd door [Eiser sub 1] en diens broer. [Naam persoon] nam vervolgens plaats op de bok van de oogstwagen. [Eiser sub 1] nam het rechterpaard bij de leidsels, terwijl zijn broer het linkerpaard bij de leidsels nam. Vervolgens zijn zij op weg gegaan. Door een windvlaag is op enig moment een paraplu zonder doek in de richting van het span komen aanrollen en tussen de benen van het door [Eiser sub 1] geleide paard terecht gekomen. Het paard, dat zich van de paraplu probeerde te bevrijden, kon niet vooruitlopen, omdat het andere paard stilstond en begon te steigeren. Daarbij kwam het paard met een been op één van de voeten van [Eiser sub 1] terecht. [Eiser sub 1] verloor zijn evenwicht en gleed onderuit. De oogstwagen werd vervolgens over [Eiser sub 1] c.q. over één van zijn benen getrokken, waarna het span op hol is geslagen. [Eiser sub 1] is naar het ziekenhuis overgebracht.

2.3 Ten tijde van het ongeval was [Eiser sub 1] als hovenier in loondienst bij [Eiser sub 2]. [Eiser sub 1] en [Eiser sub 2] stellen dat [Eiser sub 1] sinds het ongeval niet (meer) in staat is de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten, zodat [Eiser sub 2] op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht is om 70 % van het nettoloon aan [Eiser sub 1] door te betalen. [Eiser sub 1] meent dat [Gedaagde] als eigenaar/bezitter van het paard op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de letselschade die hij als gevolg van het ongeval op 11 januari 2004 heeft opgelopen. [Eiser sub 2] stelt dat [Gedaagde] op grond van artikel 7:107a BW ten opzichte van haar aansprakelijk is voor de betalingen die [Eiser sub 2] als gevolg van het letsel van [Eiser sub 1] ex artikel 7:629 BW verplicht is aan haar werknemer [Eiser sub 1] te doen.

2.4 [Eiser sub 1] stelt dat de buitengerechtelijke kosten € 7.500,- bedragen.

2.5 Op grond van het vorenstaande vorderen [Eiser sub 1] en [Eiser sub 2] dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad als volgens de wet

- zal verklaren voor recht dat [Gedaagde] aansprakelijk is voor de door [Eiser sub 1] als gevolg van het ongeval van 11 januari 2004

geleden en te lijden schade, de schade nader te begroten bij staat;

- zal verklaren voor recht dat [Gedaagde] aansprakelijk is voor de netto loondoorbetalingen door [Eiser sub 2] aan [Eiser sub 1] tot ten

hoogste 104 weken na de datum van het ongeval;

- [Gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding aan [Eiser sub 1] van een bedrag ter zake van buitengerechtelijke kosten van € 7.500,-;

- [Gedaagde] zal veroordelen in de kosten van de procedure aan de zijde van [Eiser sub 1] en [Eiser sub 2].

2.6 [Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voorzover thans van belang - het volgende inhoudt. Primair wordt aangevoerd dat hier sprake is van een bruikleenovereenkomst. Daarbij moet niet alleen [Naam persoon] als bruiklener aangemerkt worden maar ook [Eiser sub 1] (en zijn broer). Dit drietal - allen leden van de Katholieke Plattelandsjongerenvereniging - maakte al vele malen en al jaren gebruik van de paarden van [Gedaagde], ofwel voor zichzelf ofwel ten behoeve derden zoals de Katholieke Plattelandsjongerenvereniging. Dat [Naam persoon] de paarden kwam halen en terugbezorgde is in dit kader van geen belang. Hij moet daarbij als vertegenwoordiger van [Eiser sub 1] en zijn broer worden gezien. Het is een toevallige omstandigheid dat [Naam persoon] over paardenvervoer beschikte. Volgens artikel 7A:1790 BW (en ook volgens artikel 1891 van het Belgisch BW) is de uitlener slechts aansprakelijk voor schade veroorzaakt door het geleende voorwerp, indien de zaak zodanige gebreken heeft dat die mogelijk schade veroorzaken aan de bruiklener en daarvan de bruiklener niet op de hoogte heeft gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. Het is een feit van algemene bekendheid dat een paard door zijn eigen energie schade kan toebrengen. In dit verband wordt gewezen op HR NJ 1998, 567, waarin is bepaald dat de strekking van artikel 7A:1790 BW de volgende is. De uitlener, die om niet een zaak ter beschikking stelt, is alleen aansprakelijk voor de gevolgen van een gebrek van de zaak indien hij die gebreken kende en de lener niet op de hoogte heeft gesteld. Dus de bepalingen omtrent onrechtmatige daad, waarvan artikel 6:179 BW een species is, zijn niet toepasselijk.

Subsidiair wordt het volgende aangevoerd. Ingeval [Naam persoon] toch als enige bruiklener wordt aangemerkt, gelden de beperkende werking van de redelijkheid en de billijkheid. [Eiser sub 1] wist dat de paarden geleend werden en heeft daartegen geen bezwaar gehad maar er juist voordeel van gehad. [Eiser sub 1] en [Naam persoon] konden door de vriendendienst van [Gedaagde] beschikken over de paarden op de wijze waarop hen dat goeddunkte. [Gedaagde] is noch door [Naam persoon] noch door [Eiser sub 1] gewaarschuwd tegen het ten tijde van het ongeval in Nederland geldende aansprakelijkheidregime voor dieren, dat verschilt van het Belgische (daarin is degene die het dier daadwerkelijk in zijn macht heeft aansprakelijk). [Eiser sub 1] wist dat omgaan met paarden een risico in zich draagt maar is daar toch toe overgegaan. [Gedaagde] heeft dure zaken om niet uitgeleend en wordt nu geconfronteerd met een grote vordering waarop hij niet bedacht had kunnen zijn. Om deze redenen is de vordering is strijd met de redelijkheid en de billijkheid.

Secundair wordt gesteld dat de schade niet is voortgekomen uit de eigen energie dan wel het onberekenbare gedrag van het dier. [Eiser sub 1] had toen het dier onrustig werd, moeten wegstappen. In plaats daarvan heeft hij het juist bij beide leidsels gepakt en zich ernaar toe gedraaid. Daardoor kwam hij zo dicht bij het paard dat het op zijn voet kon gaan staan waardoor [Eiser sub 1] niet meer weg kon en hij overreden is kunnen worden. Artikel 6:179 BW biedt slechts bescherming tegen onberekenbaar gedrag van dieren.

Tertiair wordt betoogd dat er sprake is van eigen schuld conform artikel 6:101 lid 1 BW. Door de paraplu werd het paard weliswaar onrustig maar het heeft toen geen bijtende of slaande beweging naar [Eiser sub 1] gemaakt. Het is pas naar voren gerend nadat het al op [Eiser sub 1]’ voet was gaan staan en deze onder het paard was gegleden. [Eiser sub 1] is niet van het paard weggegaan maar juist dichterbij gekomen. Dit levert causaal handelen van [Eiser sub 1] op dat mede tot de schade heeft geleid. De aan [Gedaagde] toe te rekenen omstandigheden zijn miniem.

Ten verwere tegen de vordering van [Eiser sub 2] wordt het volgende aangevoerd. In deze is [Gedaagde] rauwelijks gedagvaard. Verder is de vordering niet aangetoond met bescheiden. De vordering wordt daarom betwist bij gebrek aan wetenschap.

Tegen de vordering van buitengerechtelijke kosten wordt het volgende verweer gevoerd. De belangenbehartiger van [Eiser sub 1], het letselschadebureau, werkt op basis van no cure no pay. Er is dus nog geen schade. Verder is de hoogte van de vordering onbewezen. Deze wordt betwist. Voorts bestaan de kosten deels uit gewone kosten ter voorbereiding en instructie van de zaak.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank is met partijen van oordeel dat zij bevoegd is van de vordering kennis te nemen en dat Nederlands recht van toepassing is.

3.2 [Gedaagde] betoogt niet aansprakelijk te zijn voor de gevolgen van dit ongeval nu hij het dier in bruikleen heeft gegeven en er geen sprake is van een kenbaar gebrek dat hij niet heeft medegedeeld aan [Eiser sub 1]. Deze stelling vindt geen steun in het recht en zal worden verworpen. Artikel 6:179 BW schept een risico-aansprakelijkheid voor de bezitter van een dier en dat zal in het hierna volgende tot uitgangspunt worden genomen.

3.3 De rechtbank zal thans eerst de als secundair en tertiair gevoerde verweren bespreken. Ten aanzien van het door [Gedaagde] aangevoerde dat de schade niet is voortgevloeid uit onberekenbaar gedrag dan wel de eigen energie van het dier, zoals hiervoor onder 2.6 secundair weergegeven, overweegt de rechtbank het volgende. Dat [Eiser sub 1], zoals onbestreden door [Gedaagde] gesteld (ter comparitie en in de verklaring van [Naam persoon] vervat in productie 1 bij antwoord), zich naar het dier heeft toegewend toen dat onrustig werd in plaats van weg te stappen, neemt niet weg dat ook de daarop volgende gebeurtenissen zijn voortgevloeid uit de eigen energie en het onberekenbare gedrag van het paard. Alle gedragingen van het paard vlak voor en ten tijde van het schadeveroorzakende overrijden van [Eiser sub 1] - het onrustig worden, het zich pogen te bevrijden van de paraplu, het op de voet van [Eiser sub 1] gaan staan, het steigeren, het springen en het naar voren rennen - zijn aan te merken als typische onberekenbare gedragingen van een dier. Het gedrag van [Eiser sub 1] is voorts niet als ondeskundig aan te merken. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen, zoals [Eiser sub 1] ter comparitie heeft verklaard, dat het paard al meteen bij het springen op zijn voet stond en dus, zoals ook uit de overige stukken omtrent de feiten blijkt, dat het hele complex van gebeurtenissen in een zeer korte tijdspanne geschiedde. Het betoog gevoerd ter comparitie dat [Eiser sub 1] met zijn rug tegen de borst van het paard had moeten gaan staan en het hoofd naar beneden had moeten trekken, zoals men op een eerste paardrijles zou leren, wordt gepasseerd. Indien hiermee wordt bedoeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat je zo moet handelen in omstandigheden als de onderhavige, wordt deze opvatting niet door de rechtbank gedeeld. Verder is de inhoudelijke juistheid van de bedoelde handelwijze ter comparitie gemotiveerd weersproken. De gedragingen van het paard, zoals daarvan blijkt uit de verklaringen omtrent de feiten, zijn op geen enkel moment, noch vóór het handelen van [Eiser sub 1] noch daarna, voorzienbaar geweest.

3.4 Voorts heeft [Gedaagde] het verweer gevoerd dat sprake zou zijn van eigen schuld, zoals hiervoor onder 2.6 tertiair weergegeven. Mede gezien het hiervoor onder 3.3 overwogene kan niet gezegd worden dat het handelen van [Eiser sub 1] binnen de hele keten van gebeurtenissen een zodanige rol heeft gespeeld dat dit als oorzaak of mede-oorzaak voor de daarna volgende gedragingen van het paard is aan te wijzen. Dit verweer berust kennelijk deels op de misvatting dat er sprake moet zijn van opzet dan wel door de wil gestuurd, bewust gedrag van het dier. Het is juist dit verschil tussen mensen en dieren dat een risico-aansprakelijkheid als van artikel 6:179 BW nodig maakt.

3.5 De conclusie is dus dat [Gedaagde] als zijnde de bezitter van het paard (diegene die het dier voor zichzelf houdt) uit hoofde van artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de schade van [Eiser sub 1]. Thans komt de rechtbank toe aan de bespreking van het verweer, zoals onder 2.6 subsidiair weergegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat het beroep van [Eiser sub 1] op artikel 6:179 BW, gelet op alle omstandigheden van het geval, met name die genoemd bij het onderhavige verweer, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ten eerste is de omstandigheid dat [Gedaagde], die zo goed was zijn paarden uit te lenen, niet gewaarschuwd is tegen het (van het Belgische recht afwijkende) aansprakelijkheidsregime voor dieren en deze nu wordt geconfronteerd met een onvoorzienbare grote vordering, in dit kader niet relevant. Ten tweede merkt de rechtbank naar aanleiding van de stelling dat [Eiser sub 1] profiteerde van de paarden en er naar eigen goeddunken (zich manifesterend als eigenaar) over kon beschikken, op dat tussen partijen vaststaat dat [Naam persoon] op de bok van de oogstwagen zat en [Eiser sub 1] slechts het paard leidde door ernaast te lopen en het bij de leidsels vast te houden. Tenslotte is ook de omstandigheid dat [Eiser sub 1] wist dat het omgaan met paarden een risico in zich draagt maar daartoe toch vrijwillig is overgegaan in dit verband niet van doorslaggevend gewicht. In de bij dit verweer aangehaalde omstandigheden, met name hierboven als eerste en als laatste genoemde, ziet de rechtbank echter wel aanleiding om een billijkheidscorrectie ten gunste van [Gedaagde] toe te passen. De vergoedingsplicht van [Gedaagde] zal met 30% worden verminderd. De vordering van [Eiser sub 1] komt dus tot 70% van de nader te begroten schade voor toewijzing in aanmerking. Omdat hierna nog een aktewisseling zal volgen zal thans elke beslissing verder worden aangehouden.

3.6 Ten aanzien van de vordering van [Eiser sub 2] overweegt de rechtbank het volgende. Aan de hoofdvoorwaarde voor de vestiging van de aansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:107a BW, te weten aansprakelijkheid van [Gedaagde] voor de schade van [Eiser sub 1], is voldaan.

3.7 Verder heeft [Gedaagde] allereerst het verweer gevoerd dat hij rauwelijks is gedagvaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat de omstandigheid dat [Gedaagde] inzake de vordering van [Eiser sub 2] rauwelijk is gedagvaard echter, noch op zichzelf noch tezamen met het hierna te bespreken verweer, aan toewijzing van de vordering in de weg.

3.8 Gevorderd is te verklaren voor recht dat [Gedaagde] aansprakelijk is voor de netto loondoorbetalingen door [Eiser sub 2] aan [Eiser sub 1] tot ten hoogste 104 weken na de datum van het ongeval (gezien punt 17 van de dagvaarding kennelijk inhoudend: de daadwerkelijk gedane loondoorbetalingen). Op dit punt is door [Gedaagde] het verweer gevoerd dat (de omvang van) deze vordering niet met bescheiden is aangetoond. Ter comparitie is deze kwestie niet aan de orde gekomen. [Eiser sub 2] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld dienaangaande een akte te nemen. [Gedaagde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld een antwoord-akte te nemen. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rol van 24 januari 2007 teneinde [Eiser sub 2] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten als hierboven onder 3.8 is bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van der Bunt, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.