Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ4594

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
18-12-2006
Zaaknummer
108895 - HA ZA 06-222
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, WAM, artikel 2 WAM, artikel 13 lid 4 WAM, kentekenhouder, verzekeringsplicht, narisico, artikel 185 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 13 december 2006

Zaaknummer : 108895 / HA ZA 06-222

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

de naamloze vennootschap NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

procureur mr. R.A. Kempermann;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. M.H.J.M. Stassen (toevoeging).

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van een productie geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Eiseres heeft vervolgens nog een akte genomen en voorts vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres vordert gedaagde bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan eiseres van de som van € 20.936,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 18.129,85 sedert 16 februari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de proceskosten, te vermeerderen met de over de dagvaardingskosten berekende btw.

2.2 Eiseres stelt daartoe dat op 17 november 2003 te Duitsland op de Bundesautobahn 1 in de richting Bremen een ongeval is veroorzaakt door de bestuurder van de aan gedaagde in eigendom toebehorende auto, merk Volvo, kenteken [……]. De toedracht van het ongeval was dat voornoemde bestuurder op de linkerrijbaan tegen de achterzijde van een voor hem als gevolg van filevorming stilstaande BMW Mini is gereden, die als gevolg van deze aanrijding is “doorgedrukt” tegen de achterzijde van een zich onmiddellijk vóór deze auto in de file bevindende Audi. De ten gevolge van de aanrijding aan de BMW Mini en de Audi ontstane schade bedraagt € 18.129,85.

2.2.1 Op 17 november 2003 bestond geen dekking voor de Volvo, aangezien de verzekering op dat moment reeds was geroyeerd wegens premieachterstand, terwijl eiseres ook nimmer is gebleken van een (andere) nieuwe verzekering ten behoeve van de Volvo. Aangezien gedaagde op 17 november 2003 als houder van het kenteken van de Volvo stond geregistreerd bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, droeg eiseres echter het narisico op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), aldus eiseres.

2.2.2 Gelet hierop heeft eiseres, daartoe door de benadeelden aangesproken, op grond van het bepaalde in artikel 3 WAM aan benadeelden voornoemde som van € 18.129,85 voldaan.

2.3 Bij dagvaarding heeft eiseres gesteld dat de schade aan gedaagde als kentekenhouder van de Volvo kan worden toegerekend, zodat gedaagde aansprakelijk is. Eiseres is “op grond van de uitsluiting conform de geldende polisvoorwaarden alsmede ex artikel 15 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen gerechtigd de door haar aan benadeelden uitgekeerde schadebedragen op gedaagde als aansprakelijk persoon te verhalen nu de schades niet door de met eiseres gesloten verzekering waren gedekt”, aldus eiseres bij dagvaarding onder 7. Ter comparitie heeft eiseres de grondslag van haar vordering jegens gedaagde nader ingevuld. Zij heeft in dit verband gesteld dat de grondslag is gelegen in artikel 2 WAM, waaruit volgt dat gedaagde als kentekenhouder verplicht was voor de Volvo een verzekering in stand te houden. Nu gedaagde dat niet heeft gedaan, pleegt hij een onrechtmatige daad jegens eiseres, aangezien artikel 13 lid 4 WAM voor eiseres de verplichting in het leven roept de schade aan de benadeelden te vergoeden. Voorts is de grondslag gelegen in artikel 6:162 BW. Het is immers onzorgvuldig van gedaagde dat hij als kentekenhouder de verzekering voor de Volvo niet in stand heeft gehouden. In de derde plaats heeft eiseres verwezen naar het bepaalde in artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

2.3.1 Naast het bedrag van € 18.129,85 vordert eiseres vergoeding van wettelijke rente, waarvan het reeds vervallen deel berekend tot 16 februari 2006 volgens eiseres € 885,13 bedraagt, alsmede een bedrag van € 1.921,14 aan buitengerechtelijke kosten.

2.4 De vordering wordt door gedaagde weersproken.

3. De beoordeling

3.1 Als door eiseres gesteld en door gedaagde erkend dan wel niet (voldoende) betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de door partijen overgelegde stukken, staat vast dat zich op 17 november 2003 het door eiseres gestelde ongeval tussen voornoemde auto’s heeft voorgedaan alsmede dat de BMW Mini en de Audi door dit ongeval schade hebben geleden (de rechtbank laat de juistheid van het door eiseres gevorderde bedrag in het midden).

Daarnaast staat tussen partijen vast dat het kenteken van de Volvo op 17 november 2003 stond geregistreerd op naam van gedaagde, dat gedaagde op deze datum niet had voldaan aan de verplichting om voor de Volvo een verzekering in stand te houden conform de bij en krachtens de WAM gestelde bepalingen en dat eiseres het narisico als bedoeld in artikel 13 lid 4 WAM droeg.

Ter comparitie heeft eiseres bevestigd dat zij ervan uitgaat dat gedaagde ten tijde van het ongeval niet de bestuurder van de Volvo was alsmede dat voorheen [naam verzekeringnemer] ten aanzien van de Volvo verzekeringnemer van eiseres was.

3.2 Voor de beoordeling van de onderhavige vordering dient de rechtbank allereerst de vraag te beantwoorden of aan eiseres in de gegeven omstandigheden een wettelijke ingang toekomt om gedaagde voor de door het ongeval ontstane schade aansprakelijk te houden.

Naar het oordeel van de rechtbank komt eiseres een dergelijke ingang niet toe, zodat de vordering niet kan slagen. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

3.3 Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde jegens eiseres niet onrechtmatig gehandeld. Alhoewel het bepaalde in artikel 2 lid 1 WAM met zich brengt dat voor gedaagde als kentekenhouder ten tijde van het ongeval een verzekeringsplicht voor de Volvo bestond, volgt uit die bepaling noch uit een andere bepaling van de WAM dat gedaagde vanwege het verzaken van die plicht jegens eiseres civielrechtelijk aansprakelijk is te houden voor de schade. De verzekeringsplicht van artikel 2 lid 1 WAM heeft als strekking dat aan verkeersslachtoffers zoveel mogelijk hun schade wordt vergoed. Nu voornoemde bepaling niet strekt tot bescherming van verzekeraars, levert schending van die verplichting geen handelen in strijd met de wet jegens eiseres op, ook niet nu zij uit hoofde van haar narisico aan de benadeelden schade heeft moeten vergoeden. Evenmin schendt gedaagde hierdoor een zorgvuldigheidsnorm jegens eiseres.

3.3.1 De rechtbank is voorts niet gebleken dat anderszins grond bestaat om gedaagde op basis van artikel 6:162 BW jegens eiseres aansprakelijk te achten. Daartoe is te minder reden nu gedaagde op 17 november 2003 niet de bestuurder was van het schadeveroorzakende voertuig en hij dus de schade niet heeft veroorzaakt.

3.3.2 Het door eiseres gedane beroep op artikel 185 WVW 1994 dient eveneens te falen, nu uit artikel 185 lid 3 WVW 1994 volgt dat het in dat artikel bepaalde geen toepassing vindt ten aanzien van schade die door een motorrijtuig is toegebracht aan een ander motorrijtuig in beweging. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de BMW Mini en de Audi in de file geheel stilstonden, dienen beide auto’s, nu zij op dat moment op een Duitse autosnelweg aan het verkeer deelnamen naar het oordeel van de rechtbank immers te worden gezien als “in beweging”, hoezeer zij ook - noodgedwongen door filevorming - op dat moment tot stilstand waren gekomen.

3.3.3 De stelling van eiseres, dat gedaagde aansprakelijk is op grond van “de uitsluiting conform de geldende polisvoorwaarden”, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk zodat de rechtbank deze stelling zal passeren. De stelling van eiseres, dat gedaagde op 17 november 2003 eigenaar was van het betreffende voertuig, is in het licht van hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen voor de beoordeling van de onderhavige vordering evenmin relevant, zodat de rechtbank daaraan eveneens voorbij zal gaan.

3.3.4 Aan al het voorgaande doet overigens niet af dat gedaagde op 17 november 2003 kentekenhouder was.

3.4 De rechtbank komt tot de slotsom dat de vordering zal worden afgewezen, nu eiseres noch krachtens artikel 15 WAM jegens gedaagde een verhaalsrecht toekomt noch gedaagde op grond van het bepaalde in de artikelen 6:162 BW en 185 WVW 1994 jegens eiseres aansprakelijk is te houden.

3.5 Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gevallen en tot op heden begroot op € 460,-- aan griffierecht en € 1.158,-- voor salaris procureur, een en ander op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Brandts, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.