Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ0870

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
03-703571-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij inzake moord op een videotheekhouder in Brunssum. Na ampel beraad is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat zij niet binnen een aanvaardbare mate van twijfel kan vaststellen dat verdachte de verweten feiten heeft gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703571-05

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel Evertsoord, Paterstraat 4 te 5977 NM Evertsoord.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

zij, verdachte, op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte en/of een of meer van haar, verdachtes, mededader(s) toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

zij, verdachte, op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte en/of een of meer van haar, verdachtes, mededader(s) toen aldaar met dat opzet, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde

[naam slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam verdachte 2], op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft voornoemde [naam verdachte 2] toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden, zijnde zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 oktober 2005, in elk geval op een of meer tijdstippen gelegen in het jaar 2004 en/of in het jaar 2005 in de gemeente Brunssum, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van vorenomschreven misdrijf en/of hebbende zij, verdachte, in/op laatstgenoemde periode/tijdstip(pen) in de gemeente Brunssum, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemde [naam verdachte 2] een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld en/of voornoemde [naam verdachte 2] een plattegrond verschaft van de woning van [naam slachtoffer] en/of voornoemde [naam verdachte 2] (een) sleutel(s) verschaft om toegang te krijgen tot de woning/een of meer vertrekken van de woning van [naam slachtoffer] en/of voornoemde [naam verdachte 2] ingelicht dat [naam slachtoffer] in bed lag/lag te slapen;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[naam verdachte 2], op of omstreeks 24 oktober 2005 in de gemeente Brunssum tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft voornoemde [naam verdachte 2] toen aldaar met dat opzet, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd in het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden, zijnde zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 24 oktober 2005, in elk geval op een of meer tijdstippen gelegen in het jaar 2004 en/of in het jaar 2005 in de gemeente Brunssum, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam geweest bij het plegen van vorenomschreven misdrijf en/of hebbende zij, verdachte, in/op laatstgenoemde periode/tijdstip(pen) in de gemeente Brunssum, althans in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft tot het plegen van vorenomschreven misdrijf, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemde [naam verdachte 2] een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld en/of voornoemde [naam verdachte 2] een plattegrond verschaft van de woning van [naam slachtoffer] en/of voornoemde [naam verdachte 2] (een) sleutel(s) verschaft om toegang te krijgen tot de woning/een of meer vertrekken van de woning van [naam slachtoffer] en/of voornoemde [naam verdachte 2] ingelicht dat [naam slachtoffer] in bed lag/lag te slapen.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd tot de nietigheid van de dagvaarding, stellende, zakelijk weergegeven, dat in de tenlastelegging geen feitelijke omschrijving is gegeven van hetgeen de verdachte wordt verweten.

De rechtbank, van oordeel dat de tenlastelegging ook ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde voldoet aan de daaraan bij artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen, verwerpt het beroep van de raadsman op die grond.

Het requisitoir

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft ten aanzien van het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd tot vrijspraak.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot de vrijspraak

Door de officier van justitie is uitvoerig betoogd dat verdachte samen met haar medeverdachte het doodschieten van het slachtoffer heeft beraamd en dat zij hem bij de uitvoering van deze daad terzijde heeft gestaan. Verdachte ontkent echter alle betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer. Wel heeft zij toegegeven samen met de medeverdachte een plan te hebben beraamd om geld uit de woning van het slachtoffer te stelen maar het doden van het slachtoffer maakte geen onderdeel uit van dat plan.

De rechtbank stelt voorop dat, indien verdachte daadwerkelijk enkel uit zou zijn geweest op de diefstal van geld en het doden van het slachtoffer uitsluitend op eigen initiatief van de medeverdachte heeft plaatsgevonden, de rechtbank niet toekomt aan bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, ook niet in de meerdere subsidiaire varianten. Daarom zal de rechtbank eerst moeten onderzoeken of verdachte op voorhand wist dat het de bedoeling was het slachtoffer te doden, en vervolgens of zij bij de planning en uitvoering betrokken is geweest.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir de bewijsmiddelen, die zijn standpunt moeten onderbouwen, nog eens de revue laten passeren. De rechtbank zal dat hierna ook doen en daarbij tevens aangeven hoe zij deze bewijsmiddelen waardeert.

De officier van justitie heeft genoemd:

De verklaring van de medeverdachte, dat hij op verzoek van verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten en dat zij hem daarbij behulpzaam is geweest.

Verdachte heeft dit bij voortduring en met klem ontkend. Wel heeft verdachte op een gegeven moment toegegeven met de medeverdachte bedacht te hebben een kleine, losstaande kluis uit de woning te stelen.

De rechtbank kan niet uitsluiten dat de medeverdachte zonder medeweten van verdachte veel verder is gegaan dan is besproken en het slachtoffer heeft gedood, om vervolgens ongestoord de woning te kunnen doorzoeken naar geld dat wellicht nog op andere plaatsen was verstopt. In dit verband is van belang dat de medeverdachte zeer goede contacten had met de kinderen van het slachtoffer. Deze hebben verklaard over contant geld dat het slachtoffer op meerdere plaatsen in zijn woning, onder andere in andere kluizen en onder zijn bed, verborg. Niet kan uitgesloten worden dat ook de medeverdachte hiervan op de hoogte was.

Zou de medeverdachte inderdaad besloten hebben het slachtoffer uit de weg te ruimen om vervolgens het hele huis te doorzoeken, dan kan de rechtbank zich voorstellen dat hij, als hij eenmaal als de schutter ontmaskerd is, er belang bij heeft van zichzelf een beeld te schetsen als de man “die handelt uit mededogen met een arme vrouw en haar kinderen” in plaats van “de brute roofmoordenaar”, en in het kader van dat verhaal verdachte te belasten.

Daarom ontkomt de rechtbank er niet aan de verklaring van de medeverdachte met de nodige voorzichtigheid te beschouwen en vooral na te gaan of, en zo ja in hoeverre, deze verklaring door andere bewijsmiddelen wordt gestaafd.

De verklaring van de getuige [naam getuige], inhoudende dat verdachte tegen hem gezegd zou hebben dat “zij hem kapot ging maken”.

Deze getuige is meerdere keren door de politie gehoord. Aanvankelijk verklaarde hij dat verdachte het slachtoffer zeker niet zou kunnen doden. Daarvoor gaf zij toch teveel om hem. Als zij gedronken had zei ze wel vaker dat ze het slachtoffer kapot ging maken, maar als ze de volgende dag weer nuchter was zei ze dat het zo niet bedoeld was. Ook verklaarde deze getuige “nooit gezegd te hebben dat verdachte en de medeverdachte achter de moord op het slachtoffer zouden zitten”.

Tijdens een verhoor op 23 februari 2006 verklaart deze getuige dan plotseling dat verdachte gezegd zou hebben “dat zij hem kapot ging maken”. Door de officier van justitie wordt deze verklaring als de waarheid gepresenteerd. Waarom dit echter de waarheid zou zijn, en niet de eerdere ontkenningen en nuanceringen, blijkt uit de verbalen van de verhoren niet.

Ook ter zitting is deze getuige gehoord. Daarbij is het de rechtbank gebleken dat de getuige zich door de verdachte verraden voelt. Hij zegt vervolgens “dat de puzzelstukjes intussen in elkaar passen” en dat verdachte wel de dader moet zijn.

Op de rechtbank komt dit over als een conclusie die meer gebaseerd lijkt te zijn op de teleurstelling die de getuige blijkbaar heeft ervaren in zijn relatie met de verdachte dan op een eigen waarneming van feiten.

Nu de getuige twee tegenovergestelde standpunten heeft ingenomen, en de wijziging in visie toch voornamelijk lijkt te zijn ingegeven door zijn gewijzigde opvatting over de verdachte, zal de rechtbank aan deze getuigenverklaring geen betekenis voor de bewezenverklaring toekennen.

De verklaring van de echtgenote van de medeverdachte, inhoudende dat zij van haar man al vóór de moord had gehoord dat hij het ging doen en dat verdachte hem daarvoor € 200.000,-- had aangeboden.

Deze getuige is gehoord door de politie en is tevens ter zitting ondervraagd. Zij heeft steeds aangegeven dat alle informatie waarover zij beschikt afkomstig is van haar man. Bij de beoordeling van haar verklaring heeft de rechtbank zich er dus rekenschap van gegeven dat zij niets anders kan verklaren dan wat haar man haar heeft verteld. Eigen informatie heeft zij immers niet.

Dat maakt dat de rechtbank haar verklaring weinig bruikbaar acht om de verklaring van de meest belastende getuige in deze zaak, haar man, te verifiëren.

Daarbij komt dat zij tijdens eerdere verhoren heeft verklaard dat zij niet vóór de moord wist dat haar man het zou gaan doen. De rechtbank kan niet uitsluiten dat deze verklaring de waarheid behelst en dat zij later, om het verhaal van haar man geloofwaardiger te maken, haar verhaal is gaan bijstellen, in die zin dat haar man de moord van te voren al zou hebben verklapt.

?Het telefoonverkeer tussen de verdachte en de medeverdachte op de ochtend van de moord.

Het staat vast dat verdachte en de medeverdachte vóór de moord telefonisch contact met elkaar hebben gehad. Dit is gebeurd met twee mobiele telefoons waarvan de simkaarten voor deze gelegenheid waren vervangen. Verdachte heeft voor deze simkaarten gezorgd.

Ook staat vast dat verdachte de medeverdachte vóór de moord door middel van deze telefoons heeft laten weten dat het slachtoffer sliep en dat de zoon, die bij het slachtoffer verbleef, weg was. Met andere woorden, dat de kust vrij was.

Verdachte heeft echter verklaard dat deze maatregelen werden getroffen in het kader van het plan een kluis uit de woning te stelen, en niet om het slachtoffer te vermoorden. De rechtbank heeft in het dossier niets aangetroffen op grond waarvan zij kan vaststellen dat deze verklaring niet de waarheid is. En ook anderszins komt haar deze verklaring niet als volstrekt ongeloofwaardig voor.

De onmogelijkheid om de kluis te ontvreemden.

De kluis waarop verdachte en haar medeverdachte het voorzien hadden, althans volgens verdachte, is een losstaand model van ongeveer 30 kg. Volgens de officier van justitie is het onmogelijk een dergelijke kluis uit het huis te dragen. Daarbij komt dat de medeverdachte over een muur heeft moeten klimmen om in de woning te komen en daarna, met kluis, weer over die muur zou hebben moeten klimmen om de woning te verlaten. Dat is zeker niet mogelijk, aldus de officier van justitie.

Bovendien is deze kluis gewoon in de woning van het slachtoffer aangetroffen, wat ook niet strookt met het plan om deze kluis te stelen. Verdachte liegt dus, als zij dit verhaal opdist.

Voor de rechtbank staat het echter niet vast dat het onmogelijk is deze kluis uit de woning te dragen en over de muur te tillen. Daar is, volgens het dossier, geen voldoende doorslaggevend onderzoek naar gedaan. Reeds daarom kan deze verklaring van de verdachte dus niet als een pertinente leugen worden afgedaan.

Bovendien, indien tijdens de diefstal daadwerkelijk blijkt dat de kluis inderdaad niet te verslepen is, dan blijft de mogelijkheid open dat op dat moment de medeverdachte eigenhandig besloten heeft het plan te wijzigen, en de woning grondig te doorzoeken naar ander geld, met de voor het slachtoffer fatale gevolgen.

Het bedrag van € 1.500,--, dat verdachte na de daad aan de medeverdachte heeft betaald.

De medeverdachte heeft verklaard dat hij € 1.500,-- heeft moeten betalen aan de leverancier van het wapen. Dit geld was van de verdachte afkomstig. Verdachte heeft kort na de daad inderdaad € 1.500,-- aan de medeverdachte overhandigd. Zij heeft hierover echter verklaard dat het ging om een lening als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de medeverdachte.

Omdat vast staat dat de verdachte met regelmaat bedragen leende aan de medeverdachte, of diens vrouw, kan de rechtbank deze verklaring niet zonder meer naar het rijk der fabelen verwijzen. In het dossier is echter geen nadere informatie beschikbaar op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen dat het geld daadwerkelijk voor de aanschaf van het wapen was bedoeld.

?De overval die in 1999 op het slachtoffer is gepleegd.

Het slachtoffer is videotheekhouder. In 1999 is een overval op hem gepleegd waarbij hij meerdere schotverwondingen heeft opgelopen. In het kader van het onderzoek naar die zaak zijn meerdere personen gehoord, die hebben verklaard dat verdachte achter deze overval zou hebben gezeten en dat het eigenlijk om een aanslag zou gaan. De officier van justitie verwijst nu naar dit voorval ter onderbouwing van de huidige zaak tegen de verdachte.

Het feit dat de verdachte nooit voor dit feit is vervolgd, zelfs nu nog niet, spreekt wat betreft de rechtbank boekdelen. Vooralsnog gaat het blijkbaar om niet meer dan geruchten, welke de rechtbank uiteraard niet bij haar oordeelsvorming kan betrekken.

?De verklaring van meerdere personen, dat verdachte tot een dergelijke daad in staat zou zijn.

In het kader van het onderzoek in deze zaak zijn vele personen gehoord. De rechtbank constateert dat het merendeel van deze personen een negatief beeld van verdachte schetst. Ook zijn er meerdere personen die haar zeker tot een dergelijke daad in staat achten.

Het hoeft echter geen betoog dat dergelijke “opvattingen” van de getuigen niet tot het bewijs, dat verdachte dit feit heeft gepleegd, kunnen bijdragen.

Andere bewijsmiddelen heeft de officier van justitie niet aan de orde gesteld.

De rechtbank heeft zich afgevraagd of voornoemde omstandigheden, zo nodig in onderlinge samenhang bezien, tot het bewijs kunnen leiden dat verdachte de haar verweten gedragingen heeft gepleegd. Op grond van de bewijsmiddelen heeft de officier van justitie aan de rechtbank een hypothese voorgelegd die zou kunnen kloppen. Daartegenover heeft de verdachte echter een andere gang van zaken geschilderd, die door de bewijsmiddelen zeker niet wordt uitgesloten.

Dat verdachte voor vele personen in haar omgeving iemand is die best tot dit strafbare feit in staat zou zijn, neemt de rechtbank voor kennisgeving aan; zij kan, en wil, daar echter geen gevolgen aan verbinden.

Ook heeft de rechtbank nog gekeken naar de proceshouding van verdachte.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting uitvoerig verklaard. De rechtbank is dan ook niet de mening toegedaan dat verdachte zwijgt in een situatie waar spreken geboden is om allerlei belastende omstandigheden te verklaren.

De rechtbank onderkent dat die verklaringen niet altijd even geloofwaardig overkomen. Op grond van de beschikbare bewijsmiddelen kan echter niet aangetoond worden dat verdachte liegt. Daarnaast zijn de verklaringen van verdachte niet zo onwaarschijnlijk dat het evident is dat zij niet de waarheid spreekt.

Na ampel beraad is de rechtbank dan ook tot de conclusie gekomen dat zij niet binnen een aanvaardbare mate van twijfel kan vaststellen dat verdachte de verweten feiten heeft gepleegd. Onder die omstandigheid dient de rechtbank de verdachte vrij te spreken.

DE BESLISSING:

De rechtbank

-verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

-heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. Th.J.M. Oostdijk, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2006.

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703571-05

Proces-verbaal van het voorgevallene ter openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank voornoemd van 25 oktober 2006 in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te 6442 AD Brunssum, Prins Hendriklaan 147,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost - HvB Ter Peel Evertsoord, Paterstraat 4 te Evertsoord.

Tegenwoordig:

mr. Van Leeuwen , rechter,

mr. , officier van justitie,

dhr. Schoutese , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig. Zij heeft afstand gedaan van zijn recht in persoon bij de uitspraak aanwezig te zijn.

De rechter spreekt het vonnis uit.

Waarvan proces-verbaal, vastgesteld en getekend door de rechter en de griffier.

Raadsman/vrouwe mr. A.A.Th.X. Vonken, advocaat/advocate te Maastricht.