Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ0701

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-10-2006
Datum publicatie
23-10-2006
Zaaknummer
AWB 05 / 2707 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens inventarisaties eind 1994 en in 2000 en 2001, waarbij alle illegale bouwwerken en gebruikssituaties in het buitengebied in kaart zijn gebracht, is vastgesteld, dat behalve de legale bouwwerken op het perceel van eisers ook een aantal bouwwerken aanwezig zijn, waarvoor verweerder nooit een bouwvergunning heeft verleend. Daarvan zijn een aantal ná 2 mei 1995 gerealiseerd.

Bij brief van 15 december 2003 heeft verweerder eisers geïnformeerd omtrent het handhavingsbeleid buitengebied en de consequenties daarvan voor het perceel van eisers. In deze brief heeft verweerder eisers tevens aangezegd, dat verweerder handhavend zal optreden tegen illegale bouw- en/of gebruikssituaties op zijn perceel. Dit handhavend optreden zal gericht zijn op verwijdering van een hondenkennel, vier tuinhuisjes en een grote overkapping van een zwembad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 2707 GEMWT

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A] en mevr.[B],

wonende te Schinveld, eisers,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Onderbanken,

gevestigd te Onderbanken, verweerder.

Datum bestreden besluit: 8 november 2005

Kenmerk: JDIG/2005/6636

Behandeling ter zitting: 30 juni 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 november 2005 heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaarschrift van 1 augustus 2005 tegen het door verweerder genomen besluit van 28 juni 2005 ongegrond verklaard.

Bij brief van 16 december 2006, aangevuld bij brief van 18 januari 2006, is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door hun gemachtigde mr. T.A.M. van Oosterhout, advocaat te Maastricht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 30 juni 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door G.E.G. Hoen.

2. Overwegingen

Eisers zijn eigenaar en gebruiker van het perceel aan de [A-straat] 1 te Schinveld, kadastraal bekend gemeente Schinveld, sectie C, nummer 344 (perceelsoppervlakte 7940 m²).

Tijdens inventarisaties eind 1994 en in 2000 en 2001, waarbij alle illegale bouwwerken en gebruikssituaties in het buitengebied in kaart zijn gebracht, is vastgesteld, dat behalve de legale bouwwerken op het perceel van eisers ook een aantal bouwwerken aanwezig zijn, waarvoor verweerder nooit een bouwvergunning heeft verleend. Daarvan zijn een aantal ná 2 mei 1995 gerealiseerd.

Bij brief van 15 december 2003 (verzonden 17 december 2003), kenmerk GHOE/2003/372) heeft verweerder eisers geïnformeerd omtrent het handhavingsbeleid buitengebied en de consequenties daarvan voor het perceel van eisers. In deze brief heeft verweerder eisers tevens aangezegd, dat verweerder handhavend zal optreden tegen illegale bouw- en/of gebruikssituaties op zijn perceel. Dit handhavend optreden zal gericht zijn op verwijdering van een hondenkennel, vier tuinhuisjes en een grote overkapping van een zwembad.

Bij brief van 2 maart 2005, kenmerk JDIG/2005/604) heeft verweerder eisers medegedeeld dat de hondenkennel, de vier tuinhuisjes en de grote overkapping van een zwembad niet kunnen worden gelegaliseerd en dat verweerder voornemens is om eiser een last onder dwangsom op te leggen, gericht op verwijdering van bovengenoemde bouwwerken. Eiser is hierbij in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijzen kenbaar te maken.

Bij brief van 1 april 2005 hebben eisers de zienswijzen ingediend. Bij brief van 25 mei 2005 heeft eiser het beroep op het gelijkheidsbeginsel (nader) toegelicht.

Bij brief van 28 juni 2005 heeft verweerder eisers (onder meer) mededeling gedaan van zijn besluit dat eiser de hondenkennel, de drie tuinhuisjes, alsmede de overkapping van het zwembad, binnen twee maanden na dagtekening van het besluit dient te verwijderen. Gelet op de ingediende zienswijzen ziet verweerder voorts af van het opleggen van een last onder dwangsom en deelt eisers voorts mede dat hij bij weigering van eiser de genoemde bouwwerken te verwijderen, ingevolge het bepaalde in artikel 5:32, derde lid, van de Awb, bestuursdwang zal toepassen.

Namens eisers is tegen (dit onderdeel van) het besluit op 1 augustus 2005, aangevuld bij brief van 8 september 2005, bezwaar gemaakt. Namens eisers wordt hierbij aangevoerd dat verweerder ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten dat zij op 14 januari 1981 (kenmerk 2754/80/Ja) een vergunning heeft verleend voor de bouw van een loods op het perceel van eiser. Deze vergunning is nog steeds van kracht, zodat eisers gerechtigd zijn op de plaats waar nu de kleinere “demontabele” zwembadoverkapping is geplaatst, een wat afmeting en inhoud betreft grotere loods te realiseren. Bij besluit van 29 december 1981 heeft verweerder voorts een vergunning verleend voor de realisatie van een permanente woning op het perceel van eisers, hetgeen blijkt uit de informatie die de gemeente bij brief van 17 augustus 2005 aan eiser heeft doen toekomen. Van groot belang is de aangehechte situatietekening met daarop aangegeven het perceel van eisers waarop is ingetekend de nieuw te bouwen permanente woning en waarop reeds staat ingetekend de loods waarvoor in 1981 vergunning is verleend, op de plek waar nu de zwembadoverkapping staat. De tekening is voorzien van een stempel van de Provincie Limburg, gedateerd 17 november 1981, waaruit blijkt dat door de Provincie een verklaring van geen bezwaar is afgegeven in het kader van de vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Eisers hebben, voordat zij overgingen tot realisering van de zwembadoverkapping, omstreeks 1998/1999, eerst bij de gemeente geïnformeerd of zij deze overkapping zonder vergunning zou kunnen realiseren. Eisers is toen medegedeeld, dat als de overkapping demontabel zou blijven, er geen vergunning nodig zou zijn. Eiser heeft in aanwezigheid van de heer [C], bouwer van het zwembad, een gesprek met een medewerker van verweerder gevoerd en kan het voorgaande bevestigen. Eisers hebben daarna een bedrag van circa € 100.000,- in deze overkapping geïnvesteerd. Het voorgaande klemt te meer nu verweerder in de ‘nota handhaving bestemmingsplan Buitengebied gemeente Onderbanken d.d. 5 juli 2001’ erkent dat de eerder gehanteerde handhavingsnotitie uit 1994 niet is gepubliceerd en zelfs niet altijd als interne richtlijn is gehanteerd. Erkend wordt dat tegen de meeste gevallen in de jaren na 1994 niet handhavend is opgetreden.

Het voornemen van verweerder tot handhaving over te gaan is, gelet op het vorenstaande, uiterst onzorgvuldig, waarbij op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de belangen van eisers. Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Eisers zijn door ongelukkige omstandigheden niet in staat geweest om op de onzorgvuldige gang van zaken te wijzen. Eiser verbleef gedurende die periode noodgedwongen niet thuis, terwijl diens echtgenote, mevrouw [B] (eiseres), op dat moment zwaar overspannen thuis zat, hetgeen door medische verklaringen onderbouwd kan worden. Indien verweerder een eventueel handhavend optreden doorzet, is dit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en getuigt het van willekeur.

Ten onrechte wordt de overkapping van het zwembad niet aangemerkt als een bijgebouw in de zin van artikel 1 sub 19 van de bestemmingsplanvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied 1994. De overkapping is niet dienstbaar aan de woning, maar aan het zwembad. De gehele overkapping is vanaf de buitenkant van het perceel voor niemand zichtbaar door de doelgerichte winterharde begroeiing. Het voorgaande betekent concreet dat de 70m²-regeling niet op de zwembadoverkapping van toepassing is. Dat verweerder ondanks het feit dat de overkapping niet kan worden aangemerkt als bijgebouw toch handhavend wenst op te treden, is extra ongelukkig nu verweerder voorheen samen met de Provincie op diezelfde plek waar nu de zwembadoverkapping staat, een vergunning hebben verleend voor de realisatie van een grote loods, en de bouwvergunning tot op heden niet is ingetrokken.

Twee van de vier tuinhuisjes vallen volgens eisers eveneens niet onder de definitie bijgebouw, zoals opgenomen in artikel 1, sub 19, van het vigerende bestemmingsplan. Zij staan namelijk geheel ten dienste van het zwembad omdat daar de kachel en mechanische installatie is aangebracht. Het is zelfs onmogelijk om in deze ruimtes te verblijven, omdat de machines alle plaats innemen. Het gevolg is dat deze tuinhuisjes niet zijn aan te merken als bijgebouw, waardoor de totale oppervlakte aan tuinhuisjes (conform metingen gemeente 32m²) zijnde een bijgebouw, minder wordt dan 30m². Ingevolge het Besluit bouwvergunningsvrije- en lichtbouwvergunningsplichtige bouwwerken kan dan gesproken worden van bouwwerken waarvoor geen vergunning vereist is. Verder hebben eisers aangeboden één huisje -indien noodzakelijk- te verwijderen, zodat ook minder dan 30m² aan bijgebouwen aanwezig is.

Het hondenhok is vóór 1995 gerealiseerd, ofschoon uit de onduidelijke luchtfoto niet blijkt dat het hondenhok aanwezig is. Indien noodzakelijk en als dit wettelijk vereist is, is eiser bereid het hondenhok te verwijderen.

Er is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding ex artikel 3:2 van de Awb, nu verweerder tot op heden in gebreke is gebleven om de inventarisatie eind 1994 en 2001 (waarbij alle illegale bouwwerken in beeld zijn gebracht) te overleggen, terwijl de luchtfoto uiterst onduidelijk is. Verweerder heeft niet kunnen aangeven op welke exacte datum de door haar aan eiser overgelegde foto’s zijn gedateerd. Daarnaast is verweerder tot op heden in gebreke gebleven om aan te geven bij welke illegale bouwwerken en gebruikssituaties van na 1995 in het Buitengebied door verweerder is ingestemd met legalisatie, alsmede waartegen men nog handhavend zal optreden. Door geen rekening te houden met de belangen van eiser, handelt verweerder in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

Bij brief van 8 september 2005 zijn eisers door verweerder in kennis gesteld van het voornemen genoemde bouwvergunning ex artikel 59 onder c, juncto artikel 4.1 van de gemeentelijke bouwverordening in te trekken. Bij brief van 4 november 2005 is namens eisers onder meer aangevoerd dat deze zich, gelet op het overgangsrecht, verzetten tegen intrekking. Verwezen wordt naar artikel 39, lid A en lid B, van het vigerende bestemmingsplan. Indien eisers genoodzaakt zijn om de zwembadoverkapping af te breken, zijn zij voornemens de loods te realiseren en konijnen te gaan fokken. Zelfs indien eisers besluiten alleen de loods te realiseren, is dit mogelijk op grond van het overgangsrecht, indien de afwijking van het plan naar de aard niet wordt vergroot.

Bij het bestreden besluit van 8 november 2005 heeft verweerder het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond (voor wat betreft het bezwaar dat betrekking heeft op de hondenkennel) en voor het overige ongegrond verklaard. Als gevolg van dat besluit heeft verweerder een nieuw besluit genomen, in dier voege dat het bestuursdwangbesluit alleen betrekking heeft op de vier tuinhuisjes en de zwembadoverkapping.

Namens eisers is tegen dit besluit bij brief van 16 december 2005, aangevuld bij brief van

18 januari 2006, beroep ingesteld. Hierbij is onder verwijzing naar de gronden van bezwaar

-kort samengevat- aangevoerd dat verweerder gelet op het van toepassing zijnde overgangsrecht, alsmede het gerechtvaardigde vertrouwen, niet tot bestuursdwang kan overgaan. Ten onrechte wordt volgens eisers de zwembadoverkapping door verweerder als bijgebouw aangemerkt. Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Er is geen vergelijkbare zaak in de gemeente. Voorts heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden.

Door verweerder zijn bepaalde stukken niet in de bezwaarprocedure betrokken, waardoor de commissie bezwaarschriften deze niet heeft kunnen meenemen in zijn advies. Er is dan ook sprake van strijd met de goede procesorde en er heeft geen volledige heroverweging plaatsgevonden. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering, aldus eisers.

De rechtbank overweegt als volgt.

1. Overgangsrecht

Namens eisers is in beroep aangevoerd dat verweerder volledig voorbijgaat aan het feit dat in de onderhavige kwestie ingevolge het bepaalde in artikel 39 van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 1994 het overgangsrecht van toepassing is.

De zwembadoverkapping is gezien zijn omvang beperkter dan de loods (zeker in ingeklapte toestand). Vaststaat bovendien dat het huidige gebruik voor de omgeving veel minder belastend is dan de konijnenfokkerij die eisers op basis van de vergunning zouden mogen realiseren.

De rechtbank stelt aan de hand van de gedingstukken vast dat er destijds op 5 juni 1980 (op 14 januari 1981 is een hinderwetvergunning voor een konijnenfokkerij afgegeven) een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een loods voor een konijnenfokkerij. De rechtbank leidt echter eveneens uit de gedingstukken af dat eisers nooit de intentie hebben gehad een dergelijke loods te bouwen. Daarnaast had het perceel ten tijde van het verlenen van de bouwvergunning voor een loods een geheel andere bestemming dan nu het geval is, namelijk de bestemming “agrarische doeleinden”, in plaats van de huidige bestemming “woondoeleinden”. Een beroep op het overgangsrecht leidt dus niet tot het gewenste resultaat.

2. Falend handhavingsbeleid en vertrouwensbeginsel

Ook een beroep op falend handhavingsbeleid of een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft van de handhavingsnota openbare kennisgeving gedaan en aangegeven dat tegen de gevallen van ná 2 mei 1995 handhavend zou worden opgetreden. De stelling van eisers dat verweerder van de aanwezigheid van de zwembadoverkapping -welke overkapping omstreeks 1998/1999 gebouwd blijkt te zijn, dus na 2 mei 1995- al geruime tijd op de hoogte was en door daartegen niet op te treden, het vertrouwen heeft gewekt het bouwwerk te gedogen gaat derhalve niet op. Overigens zij opgemerkt dat verweerder een zogenaamde beginselplicht tot handhaving heeft. Hiervan kan slechts in zeer bijzondere gevallen van afgeweken worden, namelijk in het geval er sprake is van concreet zich op legalisatie en in het geval handhavend optreden onevenredig c.q. onredelijk zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake.

Met betrekking tot de vermeende toezeggingen van een gemeente-ambtenaar, ook al zouden deze toezeggingen in aanwezigheid van een getuige zijn gedaan, die dit onder ede wil komen bevestigen, is de rechtbank, gelet op de vaste jurisprudentie hieromtrent, van oordeel dat eisers hieraan geen gerechtvaardigde verwachtingen konden ontlenen, nu eisers wisten, althans konden weten dat het niet aan de ambtenaar maar aan Burgemeester en wethouders is om daarover een beslissing te nemen;

3. Zwembadoverkapping, bijgebouw

Van toepassing is ter plaatse het bestemmingsplan ‘Buitengebied Onderbanken 1994’.

Ingevolge artikel 11 van de bestemmingsplanvoorschriften mogen, op of in de voor woondoeleinden bestemde gronden, slechts die gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen en met dien verstande dat: (…) ‘er bijgebouwen met een goothoogte van maximaal 3,00 meter en een oppervlakte van maximaal 70m² per bouwperceel mogen worden opgericht in een zone binnen 45 meter gemeten vanuit de voorgevel van de woning en gelegen achter de op de plankaart A aangegeven voorgevelrooilijn, tenzij op de plankaart A een andere ligging is aangegeven.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1, onder 19 van de bestemmingsplanvoorschriften moet onder ‘bijgebouw’ worden verstaan: ‘een vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan een woning, zoals een garage, huishoudelijke bergruimte, hobbyruimte, veranda of serre.’

Ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Onderbanken 2003 moet onder ‘bouwwerk’ worden verstaan: ‘elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond’, bedoeld om ter plaatse te functioneren.’

De rechtbank stelt vast dat niet tussen partijen ter discussie staat dat er sprake is van een bouwwerk. Gelet op het feit dat de zwembadoverkapping bij slechtere weersomstandigheden bedoeld is om aldus een substantieel deel van het jaar ten dienste en als onderdeel van het zwembad te functioneren dient de overkapping echter ook als bijgebouw te worden aangemerkt. Doordat de zwembadoverkapping indirect dienstbaar is aan de woning van eisers (de overkapping strekt namelijk tot vergroting van het woongenot), het een vrijstaand gebouw is, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan de woning, wordt ook voldaan aan de ‘bijgebouw-definitie’ uit artikel 1, onder 19 van de bestemmingsplanvoorschriften.

Gelet op de artikel 11 in samenhang met artikel 1, onder 19 van de bestemmingsplanvoorschriften, brengt de omstandigheid dat de overkapping dienstbaar is aan het zwembad aldus met zich mee dat voor het oprichten van de overkapping op deze voor woondoeleinden bestemde grond de 70m² regeling integraal op de zwembadoverkapping van toepassing is.

4. Tuinhuisjes

De tuinhuisjes dienen ingevolge artikel 2, onder b van het Besluit bouwvergunningvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (hiern: Bblb) als op zichzelfstaande gebouwen te worden aangemerkt als bijgebouwen in de zin van het Bblb.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet juncto artikel 2, aanhef en onder b, juncto artikel 4, weede lid, van het Bblb, is een lichte bouwvergunning vereist voor het oprichten van de tuinhuisjes. Er dient derhalve wel toetsing aan het vigerende bestemmingsplan plaats te vinden. Zoals verweerder zelf heeft aangegeven in het bestreden besluit is geen bouwvergunning meer noodzakelijk indien de oppervlakte van de tuinhuisjes wordt teruggebracht naar 30 m2.

5. Belangenafweging

Eisers stellen forse schade te zullen lijden indien zij gedwongen worden de tuinhuisjes en de overkapping af te breken. De zwembadoverkapping alleen kostte al € 100.000,--. Door hiermee geen rekening te houden handelt verweerder in strijd met artikel 3:4 van de Awb. Onder verwijzing naar de overwegingen omtrent het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat gelet op het feit dat het om een investering van € 100.000,-- gaat het voor de hand had gelegen -net zoals verweerder dat heeft aangegeven- een en ander schriftelijk te vragen en een schriftelijke reactie hierop af te wachten alvorens met bouwen te beginnen. Dat eisers dit niet hebben gedaan is naar het oordeel van de rechtbank voor eigen risico en rekening.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. I.M.T. Timmermans-Wijnands als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2006 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. I.M.T. Timmermans-Wijnands w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 16 oktober 2006

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.