Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ0582

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
03-890025-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld wegens bijstandsfraude. Het bedrag dat de verdachte en diens (ex-)echtgenote onterecht hebben ontvangen is weliswaar hoog en de pleegperiode aanzienlijk, doch gelet op de gezondheid van de verdachte, de omstandigheid dat hij samen met zijn echtgenote de zorg draagt voor hun gehandicapte zoon en het slechts zeer geringe recidivegevaar, acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke straf passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/890025-05

Datum uitspraak: 20 oktober 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 oktober 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 1996 tot en met 30 januari 2005 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning van [K.] (gelegen aan de [adres woning K.]) en/of de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas en/of water en/of electriciteit, en althans opzettelijk eet- en/of drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die voorzieningen en/of eet- en/of drinkwaren geheel of gedeeltelijk werd(en) betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet en/of de Wet Werk en Bijstand, welke door [K.] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte of door oplichting of door verduistering, in elk geval door enig misdrijf was verkregen, hebbende verdachte aldus (telkens) opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 maart 1996 tot en met 30 januari 2005 in de gemeente Maastricht opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de woning van [K.], gelegen aan de [adres woning K.] en de in die woning aanwezige voorzieningen, te weten gas en water en elektriciteit, en eet- en drinkwaren heeft genuttigd, wetende dat die voorzieningen en eet- en drinkwaren geheel of gedeeltelijk werden betaald van een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet of de Wet Werk en Bijstand, welke door [K.] - met wie verdachte op bovengenoemd adres samenwoonde - door valsheid in geschrifte was verkregen, hebbende verdachte aldus opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel getrokken.

De bijzondere overweging omtrent het bewijs

De verdachte en diens raadsman hebben aangevoerd dat de verdachte en zijn (ex-)echtgenote weliswaar uitkeringsfraude hebben gepleegd, doch niet gedurende de gehele door de officier van justitie tenlastegelegde periode.

Op grond van de verklaringen van de verdachten, afgelegd bij de sociale recherche, de verklaringen van de buurtbewoners en van de dochters van de verdachten, acht de rechtbank evenwel bewezen dat er tussen de verdachte en zijn (ex-)echtgenote gedurende de gehele tenlastegelegde periode sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Onder het begrip samenwonen verstaat de rechtbank, in tegenstelling tot de verdachte, het voeren van een gezamenlijke huishouding.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

opzettelijk uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed voordeel trekken.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte terzake van het feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat zijn cliënt en zijn (ex-)echtgenote weliswaar uitkeringsfraude hebben gepleegd, doch niet gedurende de hele door de officier van justitie tenlastegelegde periode. Voorts heeft de raadsman gewezen op de bijzondere omstandigheden waarin zijn cliënt en de medeverdachte verkeerden en heeft hij gewezen op de omstandigheid dat sinds de datum dat de verdachten werden aangehouden, anderhalf jaar zijn verstreken. De raadsman heeft primair gepleit voor schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel, gelet op de bijzondere omstandigheden en het tijdverloop. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De officier van justitie heeft de oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf gevorderd. Daarbij heeft zij de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen en heeft zij overwogen dat een kortere pleegperiode niet zou hebben geleid tot een lagere strafeis. Het bedrag dat de verdachte en diens (ex-)echtgenote onterecht hebben ontvangen is weliswaar hoog en de pleegperiode aanzienlijk, doch gelet op de gezondheid van de verdachte, de omstandigheid dat hij samen met zijn echtgenote de zorg draagt voor hun gehandicapte zoon en het slechts zeer geringe recidivegevaar, acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijke straf, zoals bepleit door de raadsman, passender.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de opgelegde werkstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. Vinken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2006, zijnde

mr. R. Niessen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.