Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ0039

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
AWB 05 / 1751 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter zake van de verschuldigde premie over het jaar 1998 is ten aanzien van eiseres in het jaar 1999 een afrekeningsnota vastgesteld. Voorts is er in 2000 een correctie doorgevoerd over het premiejaar 1998 naar aanleiding van een looncontrole.

Op 27 april 2005 heeft eiseres een verzoek gedaan tot korting en vrijstelling van de verschul-digde basispremie over het jaar 1998. Dit verzoek is bij besluit van 28 april 2005 niet in behandeling genomen wegens overschrijding van de vijfjarentermijn, als bedoeld in artikel 13 lid 3 Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV), voor het indienen van een aanvraag premiekorting/premievrijstelling, omdat deze vaststelling reeds in 1999 had plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1751 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Vredestein Rubber Resources BV,

gevestigd te Maastricht, eiseres,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Amsterdam),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 26 augustus 2005

Kenmerk: BBK/MZA P.913.043.55 027-143.144.18-01-01

Behandeling ter zitting: 23 februari 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 26 augustus 2005 heeft verweerder een namens eiseres ingediend bezwaarschrift van 23 mei 2005 tegen een door verweerder genomen besluit van 28 april 2006 ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 september 2005 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep inge-steld door haar gemachtigde L. van den Heuvel, werkzaam bij Robidus Adviesgroep BV te Zaandam. Bij brieven van 12 en 19 september 2005 is het beroep aangevuld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 23 februari 2006, waar eiseres zich niet heeft laten vertegenwoordigen, ter zake waarvan de rechtbank een bericht van verhinde-ring is gezonden. Verweerder heeft zich ter zitting evenmin doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

Ter zake van de verschuldigde premie over het jaar 1998 is ten aanzien van eiseres in het jaar 1999 een afrekeningsnota vastgesteld. Voorts is er in 2000 een correctie doorgevoerd over het premiejaar 1998 naar aanleiding van een looncontrole.

Op 27 april 2005 heeft eiseres een verzoek gedaan tot korting en vrijstelling van de verschul-digde basispremie over het jaar 1998. Dit verzoek is bij besluit van 28 april 2005 niet in behandeling genomen wegens overschrijding van de vijfjarentermijn, als bedoeld in artikel 13 lid 3 Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV), voor het indienen van een aanvraag premiekorting/premievrijstelling, omdat deze vaststelling reeds in 1999 had plaatsgevonden.

In bezwaar voert eiseres in essentie aan dat het jaar waarin de premie pas definitief, en in ieder geval nader, wordt vastgesteld – in casu 2000 – bepalend is voor het einde van de termijn waarbinnen om premiekorting en premievrijstelling kan worden verzocht.

In de bestreden beslissing wordt het volgende standpunt ingenomen.

“Artikel 13 lid 3 CSV dient in het kader van de korting en vrijstelling naar onze mening zo uitgelegd te worden dat de verjaringstermijn van vijf jaar aanvangt na afloop van het jaar waarin de premie, waarover de korting en vrijstelling kan worden verkregen, voor het eerst wordt vastgesteld. Het is dus een absolute termijn die aanvangt na afloop van het jaar waarin de premie is vastgesteld en vijf jaar later eindigt. Eventuele latere correcties, naar aanleiding van een looncontrole of door eigen opgave van de werkgever, hebben niet tot gevolg dat een werkgever de korting en vrijstelling buiten de termijn van vijf jaar na de eerste premievaststelling kan aanvragen. Dergelijke correcties zijn immers louter het gevolg van de omstandigheid dat de eerdere premievaststelling berustte op onjuiste feitelijke grondslag. Een latere correctienota neemt bovendien niet weg dat een werkgever na de eerste reguliere premievaststelling al de mogelijkheid had om de korting en vrijstelling aan te vragen. Een correctienota is immers slechts een verhoging (of soms een verlaging) van de eerder opgelegde afrekeningsnota.”

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres tot korting op en vrijstelling van de verschuldigd basispremie over het premiejaar 1998 op goede grond buiten behandeling heeft gesteld. De rechtsvraag die daartoe beantwoord dient te worden luidt of latere correcties op de eerste premievaststelling van invloed zijn op de verjaringstermijn ter zake van de rechts-vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

In artikel 77b van de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zoals dat gold tot 31 december 2001, is de regeling neergelegd ter zake van de verschuldigde basispremie over het loon van arbeidsgehandicapte werknemers in relatie tot de totale premieplichtige loon-som.

In de Coördinatiewet sociale verzekeringen (CSV) is geregeld hoe de premieheffing in zijn werk gaat. Voor de beantwoording van de rechtsvraag zijn de volgende twee artikelen relevant.

Artikel 11 CSV (tot 31 december 2005)

1. […]

2. […]

3. Indien ten onrechte geen bedrag aan premie is vastgesteld, dan wel na de vaststelling van het te betalen bedrag aan premie of voorschotpremie blijkt, dat een lager bedrag is vastgesteld dan verschuldigd is, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het alsnog door de werkgever verschuldigde bedrag aan premie of voorschotpremie vast, zowel voor wat betreft de reeds verstreken betalingstermijnen als, ten aanzien van de voorschotpremie, voor wat betreft de nog resterende periode van het lopende premie-betalingstijdvak.

4. Indien een hoger bedrag aan premie of voorschotpremie is vastgesteld dan verschuldigd is, stelt het Landelijk instituut sociale verzekeringen, het verschuldigde op het juiste bedrag vast. Het teveel betaalde wordt verrekend, dan wel aan de werkgever terugbetaald.

5. […].

Artikel 13 CSV (tot 31 december 2005)

1. Premie wordt niet meer vastgesteld, indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

2. Premie, welke niet is ingevorderd binnen tien jaren na de vaststelling, wordt niet meer ingevorderd.

3. De rechtsvordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde premie verjaart door verloop van vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie is vastgesteld.

Uit het onderliggende dossier blijkt dat de verschuldigde premie over het jaar 1998 bij cor-rectienota van 21 augustus 2000 op een hoger bedrag is vastgesteld dan aanvankelijk was geschied bij de eerste afrekeningsnota in 1999.

De rechtbank is van oordeel dat deze correctienota moet worden beschouwd als een (nadere) premievaststelling, als bedoeld in artikel 11 lid 3 CSV juncto artikel 13 lid 1 CSV.

De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn opvatting, gebaseerd op de ratio van de nieuwe premiekortingsregeling (artikel 79b WAO) en op de grammaticale uitleg van het woord “vaststellen”, dat artikel 13 lid 3 CSV slechts betrekking heeft op de (eerste) premie-afrekeningsnota en niet op een nadere bepaling van de verschuldigde premie bij latere premie-correctienota’s.

Uit de samenhang van artikel 11 lid 3 CSV en artikel 13 lid 1 en lid 3 CSV volgt naar het oordeel van de rechtbank immers juist dat zolang verweerder de premie nader kan bepalen door middel van verhogingen dan wel verlagingen, werkgevers ten onrechte betaalde premie moeten kunnen terugvorderen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de opmerkingen van de regering ter zake van de wijzigingen in de termijnen van lid 1 en lid 3 van artikel 13 CSV in het kader van de harmonisatie tussen de socialeverzekeringswetgeving en de belastingwetgeving (memorie van toelichting, TK 84-85, 18 938, pag. 14).

Het grammaticale argument van verweerder pleit naar het oordeel van de rechtbank tegen verweerders opvatting dat de vijfjarentermijn absoluut is en begint te lopen vanaf de eerste vaststelling, nu verweerder zelf aangeeft dat de wettelijke term “vaststellen” moet worden uitgelegd als “bepalen naar grootte, aantal etc“.

Een vaststelling van een corrigerende verhoging of verlaging is naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een bepaling van de omvang van de verschuldigde premie over een bepaald jaar.

Het ratio-argument kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin ter onderbouwing van verweerders opvatting dienen. In het relevante artikel 79b WAO waarnaar verweerder verwijst is uitdrukkelijk een aanvraagtermijn opgenomen, die in artikel 77b WAO ont-breekt. De aanvraagtermijn wordt daarmee één van de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om voor korting in aanmerking te komen en geeft uitdrukking aan de veranderde opvatting dat vooraf moet worden geprikkeld en niet achteraf moet worden beloond. De regering heeft in het kader van het Belastingplan 2002 uitdrukkelijk aangegeven dat de systematiek van tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgehandicapte werknemers voor werkgevers verandert (memorie van toelichting, TK 01-02, 28 016, pag. 3 en nota n.a.v. het verslag, TK 01-02, 28 016, pag. 3), om enerzijds de administratieve lasten te verlichten en anderzijds zo in de maandelijkse premieoverzichten de prikkel onmiddellijk zichtbaar te maken.

De door verweerder veronderstelde bedoeling lag dus naar het oordeel van de rechtbank nog niet ten grondslag aan de oude regeling van artikel 77b WAO.

Nu de laatste premievaststeling ter zake van het jaar 1998 heeft plaatsgevonden in het jaar 2000, heeft eiseres tot 2006 de gelegenheid om op grond van artikel 13 lid 3 CSV ten onrechte betaalde premies van verweerder te vorderen. Aangezien de aanvraag is gedaan in april 2005 en dus binnen de termijn van vijf jaar, is de aanvraag tijdig ingediend. Verweer-der had het verzoek in behandeling dienen te nemen.

De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat verweerder het bezwaar voor gegrond had moeten houden. De bestreden beslissing komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent ter zake een punt met een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x € 322,-- x 1 = € 322,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 wordt vergoed door het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. E.V.L. Heuts in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2006 door mr. Heuts voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 22 september 2006

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.