Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY9927

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
03-700066-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op winkelbedrijf te Heerlen door drie personen, waaronder verdachte, waarbij door een persoon een neppistool is gebruikt. De buit was ruim € 30.000,00. Verdachte heeft de kennis die hij als werknemer van een winkelbedrijf te Heerlen had van de gang van zaken binnen genoemd bedrijf, meer in het bijzonder de werking van de kluis, gebruikt en met zijn twee mededaders gedeeld om de overval te plegen. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700066-06

Datum uitspraak: 3 oktober 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en adres verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Limburg Zuid, lokatie “De Geerhorst” te

Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 december 2005 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 32.145 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), volgens een van tevoren gemaakt plan, met een bivakmuts over zijn hoofd getrokken, dat winkelbedrijf binnen is gedrongen/gegaan en/of (vervolgens) een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op, althans getoond aan die [naam slachtoffer 1] en/of (een) ander(en) en/of (vervolgens) op dreigend toon tegen die [naam slachtoffer 1] en/of (een) ander(en) te zeggen "handen omhoog en handen tegen de muur boven het bureau" en/of "als jullie je bewegen of als ik jullie hoor dan schiet ik jullie beiden dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft primair verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren .

De raadsman heeft subsidiair verzocht verdachte vrij te spreken.

Meer subsidiair heeft de raadsman strafvermindering bepleit.

Ter onderbouwing van deze verweren heeft de raadsman telkens het volgende aangevoerd.

De verklaringen die de medeverdachte [naam medeverdachte] als verdachte in zijn eigen zaak bij de politie heeft afgelegd zijn, aldus de raadsman, “het enige bewijs voor betrokkenheid bij de overval” van verdachte. Volgens de raadsman zijn die verklaringen van [naam medeverdachte] echter niet in vrijheid afgelegd, nu [naam medeverdachte] door de politie onder druk zou zijn gezet en hem een raadsman, te weten mr. Weening, zou zijn onthouden. Daarmee zouden de verhorende rechercheurs, aldus de raadsman, de fundamentele waarborgen, vastgelegd in het EVRM, “in de kern” hebben geraakt. In dat verband wijst de raadsman op het “Karmancriterium”, (NJ 1999, 565).

Vanwege de eensluidende onderbouwing van de verweren, bespreekt de rechtbank genoemde verweren thans gezamenlijk.

Naar het oordeel van de rechtbank treffen deze verweren geen doel, waartoe het volgende wordt overwogen.

Van ongeoorloofde druk op [naam medeverdachte] als verdachte in zijn eigen zaak door de politie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt voorop dat een indringende ondervraging van de verdachte op zichzelf is toegestaan en dat van de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen, zoals in casu, een zekere druk uitgaat (zie NJ 2004, 700). Over het verhoor verklaarde O., brigadier van politie en een van de verhoorders van [naam medeverdachte], ter terechtzitting van 19 september 2006 dat er sprake was van een “standaard verhoor” met “open vragen” en dat het verhoor is verlopen zoals gerelateerd in het ter zake opgemaakte proces-verbaal. Daarbij is, aldus O., niet met stemverheffing ondervraagd of geschreeuwd. Voor zover O. weet, heeft ook C., hoofdagent van politie en een van de verhoorders van [naam medeverdachte], geen ongeoorloofde druk op [naam medeverdachte] uitgeoefend.

Van bijzonder belang acht de rechtbank in dit verband dat [naam medeverdachte] bij de rechter-commissaris als verdachte in zijn eigen zaak respectievelijk als getuige in de zaak van verdachte, op

27 februari 2006 respectievelijk op 21 augustus 2006 inhoudelijk niet is teruggekomen op de bij de politie afgelegde verklaringen. Dat [naam medeverdachte] ter terechtzitting op 3 mei 2006 – dus na zijn eerste verhoor bij de rechter-commissaris naar aanleiding van de vordering tot inbewaringstelling – heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de overval, doet hier niet aan af, nu hij ter terechtzitting van 19 september 2006 heeft verklaard te blijven bij de inhoud van zijn bij de politie en de rechter-commissaris afgelegde, bekennende, verklaringen.

Van onthouding van een advocaat c.q. een advocaat naar zijn keuze, aan [naam medeverdachte] is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd blijkt uit de stukken, onder meer uit het proces-verbaal van verhoor van [naam medeverdachte] d.d. 24 februari 2006, dat [naam medeverdachte] zelf zich niet door mr. Weening maar door een andere advocaat wilde laten bijstaan.

De beweerde schending van de door artikel 6 van het EVRM genoemde waarborgen en, meer in het bijzonder, van het door de raadsman in dit verband genoemde “Karmancriterium”(zie NJ 1999,565) ontbeert daarom naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

De rechtbank verwerpt derhalve genoemde door de raadsman gevoerde verweren.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 december 2005 in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 32.145 Euro, toebehorende aan winkelbedrijf [benadeelde partij], welke diefstal werd voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door bedreiging met geweld tegen

[naam slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededaders, volgens een van tevoren gemaakt plan, met een bivakmuts dat winkelbedrijf binnen zijn gegaan en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gericht op die [naam slachtoffer 1] en op dreigende toon tegen die [naam slachtoffer 1] hebben gezegd: "handen omhoog en handen tegen de muur boven het bureau" en "als jullie je bewegen of als ik jullie hoor dan schiet ik jullie beiden dood".

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moeten worden gekwalificeerd als volgt:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Zoals vermeld heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft indien de rechtbank toch tot een veroordeling mocht komen, om strafvermindering verzocht.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is;

- het feit dat verdachte werknemer was bij een bedrijf te Heerlen en het feit dat hij de kennis die hij in die hoedanigheid had van de gang van zaken binnen genoemd bedrijf, meer in het bijzonder betreffende de werking van de kluis, heeft gebruikt – en met zijn mededaders heeft gedeeld – om de overval te plegen; alsmede

- de mate waarin het bewezen verklaarde aan met name [naam slachtoffer 1] persoonlijk leed teweeg heeft gebracht en de schade die aan het bedrijf is toegebracht.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden:

- dat bij de overval in beperkte mate geweld is gebruikt en

- dat verdachte ter zake van een soortgelijk feit nog niet eerder is veroordeeld.

Ter terechtzitting is vast komen te staan dat de, in de beslissing als zodanig te noemen, in beslag genomen goederen niet toebehoren aan verdachte. De rechtbank zal de teruggave van die voorwerpen gelasten aan de redelijkerwijze als zodanig te beschouwen rechthebbenden daarvan.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij:

- [naam slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1],

zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van

€ 260,48 alsmede immateriële schade tot het door haar gevorderde bedrag van € 1.000,--.

Nu de rechtbank de door de benadeelde partij gestelde schadeposten alsmede de omvang daarvan niet onredelijk voorkomen, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [naam slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij

[naam slachtoffer 1] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tevens tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 6 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- gelast de teruggave van het navolgende inbeslaggenomene, te weten:

(nummer 6:) een cd-rom (Cd-R), merk Nashua

(met beeldmateriaal van overval),

aan de eigenaar: J. gevestigd te [adres J.];

- gelast de teruggave van het navolgende inbeslaggenomene, te weten:

(nummer 7:) 8 videobanden, merk Sony (VHS),

aan de eigenaar: [benadeelde partij], gevestigd te [adres benadeelde partij];

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag van 1.260,48 Euro (eenduizend tweehonderd zestig Euro en achtenveertig centen);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 1], wonende te[adres naam slachtoffer 1], te betalen een bedrag van 1.260,48 Euro (eenduizend tweehonderd zestig Euro en achtenveertig centen), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] voormeld bedrag van 1.260,48 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van 1.260,48 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Van Binnebeke, voorzitter, mr. Wöretshofer en

mr. Provaas, rechters, in tegenwoordigheid van Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 oktober 2006,

zijnde mr. Wöretshofer buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.