Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY9078

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
03-700079-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt vrij van poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en mishandeling. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn, mede gelet op de aard van de bij het slachtoffer geconstateerde verwondingen, dat door verdachte met een mes is gestoken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700079-06

Datum uitspraak: 27 september 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 september 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2006 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals- en/of borststreek en/of een arm van die [slachtoffer] heeft gestoken, althans met voornoemd mes heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 5 februari 2006 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp in de hals- en/of borststreek en/of een arm van die [slachtoffer] heeft gestoken, althans met voornoemd mes heeft gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 5 februari 2006 in de gemeente Kerkrade opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals- en/of borststreek en/of een arm van die [slachtoffer] heeft gestoken, althans met voornoemd mes heeft gezwaaid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij, op of omstreeks 6 februari 2006, in de gemeente Landgraaf, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor wat betreft het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, voor zover dit betreft de zinsnede “althans met voornoemd mes heeft gezwaaid” innerlijk tegenstrijdig en derhalve nietig is, nu noch de dood zou kunnen intreden, noch (ernstig) letsel kan worden toegebracht door het enkele zwaaien met een mes.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn, mede gelet op de aard van de bij het slachtoffer geconstateerde verwondingen, dat door verdachte met een mes is gestoken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 6 februari 2006 in de gemeente Landgraaf, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 540 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op het strafbare feit dat moeten worden gekwalificeerd als:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit onder 1 subsidiair zal worden veroordeeld tot

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

en ter zake van het feit onder 2 tot

- een geldboete van € 480,- en

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De hoogte van de straf is gerelateerd aan het vastgestelde ademalcoholpercentage.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft de zinsnede “althans met voornoemd mes heeft gezwaaid”, als vermeld in het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde;

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een geldboete van € 550,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. B. Damen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.P.J.M. Vugs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 september 2006, zijnde mr. B. Damen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.