Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY8696

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-09-2006
Datum publicatie
22-09-2006
Zaaknummer
03-703041-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft het latere slachtoffer met snelheden van maximaal 160 km/uur over vele kilometers achtervolgd. Hierbij zijn zeer gevaarlijke verkeerssituaties ontstaan. Uiteindelijk raakt hij het achtervolgde voertuig. Dit komt in een slip, breekt uit naar links en klapt met de linkervoorkant tegen een boom. Hierbij overlijdt de bestuurder. De rechtbank acht doodslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2006/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703041-06

Datum uitspraak: 22 september 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 september 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard, Op de Geer 1.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, (telkens) met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte],een andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, op te jagen en/of op korte afstand te volgen en/of (vervolgens) tegen die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, aan te rijden of te botsen, waarna voornoemde personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], van de weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte], daarmede rijdende over de weg, de Prins Hendriklaan,zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijtenverkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [naam slachtoffer 1], werd gedood,

welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos, althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, als bestuurder van die personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte], toen en aldaar,een andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, heeft opgejaagd en/of op korte afstand heeft gevolgd en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal tegen die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, is aangereden of gebotst, in elk geval op zodanige wijze heeft gestuurd of gereden, dat het door hem, verdachte bestuurde voertuig in aanraking is gekomen met die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was,

door, althans mede door, welke bovenomschreven gedraging(en) van hem, verdachte, deze personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], van de rijbaan van die weg is geraakt en tegen een aldaar nabij die weg staande boom is gereden, althans gebotst,terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, de geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum, in elk geval in het arrondissement Maastricht,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer S] van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met dat opzet, en na kalm beraad en rustig overleg, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte],een andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, op te jagen en/of op korte afstand te volgen en/of (vervolgens) tegen die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, aan te rijden of te botsen,waarna voornoemde personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], van de weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Kessel,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, is ingereden op die op korte afstand van die personenauto zich bevindende [naam slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Kessel,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer 2], brigadier van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, is ingereden op die op korte afstand van die personenauto bevindende [naam slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 28 januari 2006als bestuurder van een voertuig (personenauto),

- te Neer, in elk geval in de gemeente Roggel en Neer, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, met zodanige snelheid, in elk geval zodanige wijze heeft gestuurd of gereden, dat hij de controle over dat voertuig heeft verloren, in elk geval dat voertuig begon te slingeren

en/of

- te Horn, in elk geval in de gemeente Haelen, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, het kruispunt gevormd door de Rijksweg N273 en de Heythuyserweg, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend verkeerslicht, met een voor de verkeerssituatie ter plekke veel te hoge snelheid is opgereden

en/of

- te Heel en/of Grathem en/of Ittervoort, daarmee (telkens) rijdende op de Rijksweg N273, zich meermalen, althans eenmaal, zonder verkeersnoodzaak heeft begeven op de weghelft, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, terwijl (een) hem, verdachte, tegemoetkomend(e) voertuig(en), (telkens) reeds dicht genaderd was/waren

en/of

- te Ittervoort, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, het kruispunt gevormd door de Rijksweg N273, de Thornerweg en de Margarethastraat, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend verkeerslicht, met een voor de verkeerssituatie ter plekke veel te hoge snelheid is opgereden,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd;

5.

hij op of omstreeks 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Nissan, type Sunny, gekentekend [nummer kenteken verdachte]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

hij op of omstreeks 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 200 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

7.

hij op of omstreeks 23 januari 2006, in elk geval in de maand januari 2006, in de gemeente Gennep, in elk geval in Nederland, een overschrijvingsformulier, ten name van [naam slachtoffer 3], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte dat formulier valselijk ondertekend, als zijnde de handtekening van voornoemde [naam slachtoffer 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

hij op of omstreeks 6 juli 2005 in de gemeente Brunssum opzettelijk een personenauto (merk Opel, type Corsa, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 4]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte als vervangende personenauto onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

9.

hij op of omstreeks 23 mei 2005 in de gemeente Heerlenmet het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi, type Lancer), gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 5]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 mei 2005 in de gemeente Heerlenopzettelijk een personenauto (merk Mitsubishi, type lancer, gekentekend[nummer kenteken slachtoffer 5]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goedverdachte voor het maken van een proefrit onder zich had, wederrechtelijk zichheeft toegeëigend;

10.

hij op of omstreeks 2 juli 2005 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toëeigening heeft weggenomen een hoeveelheid brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Shell de Schaars, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

11.

hij op of omstreeks 17 augustus 2005 in de gemeente Bergen (L),als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Baron de Liedelstraat of de Johan Vermeerstraat, in elk geval op een openbare weg, een eveneens op die weg rijdende bestuurder van een fiets [naam slachtoffer 6]) heeft ingehaald en vervolgens naar rechts heeft gestuurd, terwijl de bestuurder van de fiets zich nog rechts dichter achter hem, verdachte, bevond en/of (vervolgens) zonder verkeersnoodzaak (fors) heeft afgeremd,

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

Verbeterde schrijffouten

Tengevolge van kennelijke schrijffouten staat in de dagvaarding in regel 8 en regel 10 van het onder 2 ten laste gelegde telkens vermeld: “waarin genoemde [naam slachtoffer 1]” in plaats van “waarin genoemde [naam slachtoffer S]”.

De rechtbank herstelt deze schrijffouten, aangezien dit mogelijk is zonder dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7, 8, 9 primair, 10 en 11 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum opzettelijk [naam slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte], een andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, op te jagen en op korte afstand te volgen en vervolgens tegen die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer 1] gezeten was, aan te rijden of te botsen, waarna voornoemde personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], van de weg is geraakt en vervolgens tegen een boom is gebotst, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer S] van het leven te beroven met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, gekentekend [nummer kenteken verdachte], een andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer S] gezeten was, op te jagen en op korte afstand te volgen en vervolgens tegen die andere personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], waarin genoemde [naam slachtoffer S] gezeten was, aan te rijden of te botsen,waarna voornoemde personenauto, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 1], van de weg is geraakt en vervolgens tegen een boom is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Kessel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer 2], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op die op korte afstand van die personenauto zich bevindende [naam slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 als bestuurder van een voertuig (personenauto),

- te Neer, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, met zodanige snelheid heeft gereden, dat hij de controle over dat voertuig heeft verloren, in elk geval dat voertuig begon te slingeren;

en

- te Horn, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, het kruispunt gevormd door de Rijksweg N273 en de Heythuyserweg, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend verkeerslicht, met een voor de verkeerssituatie ter plekke veel te hoge snelheid is opgereden;

en

- te Ittervoort, daarmee rijdende op de Rijksweg N273, het kruispunt gevormd door de Rijksweg N273, de Thornerweg en de Margarethastraat, in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend verkeerslicht, met een voor de verkeerssituatie ter plekke veel te hoge snelheid is opgereden,

door welke gedragingen van verdachte telkens gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg telkens kon worden gehinderd;

5.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto, merk Nissan, type Sunny, gekentekend [nummer kenteken verdachte], toebehorende aan [naam slachtoffer 3], waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 200 euro, toebehorende aan [naam slachtoffer 3];

7.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep een overschrijvingsformulier, ten name van [naam slachtoffer 3], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte dat formulier valselijk ondertekend, als zijnde de handtekening van voornoemde [naam slachtoffer 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

8.

hij op 6 juli 2005 in de gemeente Brunssum opzettelijk een personenauto, merk Opel, type Corsa, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 4], toebehorende aan [naam slachtoffer 4], welk goed verdachte als vervangende personenauto onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

9.

hij op 23 mei 2005 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto, merk Mitsubishi, type Lancer, gekentekend [nummer kenteken slachtoffer 5], toebehorende aan [naam slachtoffer 5];

10.

hij op 2 juli 2005 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toëeigening heeft weggenomen een hoeveelheid brandstof, toebehorende aan Shell de Schaars;

11.

hij op 17 augustus 2005 in de gemeente Bergen (L), als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Baron de Liedelstraat een eveneens op die weg rijdende bestuurder van een fiets [naam slachtoffer 6]) heeft ingehaald en vervolgens naar rechts heeft gestuurd, terwijl de bestuurder van de fiets zich nog rechts dicht achter hem, verdachte, bevond en vervolgens zonder verkeersnoodzaak fors heeft afgeremd,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2, 4, 5, 7 en 11meer of anders is ten laste gelegd.

Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Nadere motivering met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd, dat de verdachte van het onder 1 primair en onder 2 primair dient te worden vrijgesproken, aangezien in casu geen sprake kon zijn van moord of doodslag. Hij heeft daartoe aangevoerd:

- er blijkt nergens uit dat de opzet van cliënt gericht was op de dood van [naam slachtoffer 1] en/ of [naam slachtoffer S], of dat cliënt zelfs maar bewust de kans daarop accepteerde. Daar ging het helemaal niet om.

In zijn 5e verklaring (VOO1DOS) verklaart cliënt ook: “Ik wil hem niks doen. Ik wil hem gewoon aanspreken want ik wil mijn geld terug” en even verderop in de verklaring: “Ik wilde die man niet pakken. Ik wilde Elly hebben”. Kortom, het ging er helemaal niet om dat [naam slachtoffer 1] dood moest.

- Ik zie zelfs geen voorwaardelijk opzet in deze. Als er sprake is van voorwaardelijk opzet op iemands dood, moet je je wel realiseren dat dit wel eens het gevolg zou kunnen zijn. Maar daar zijn ze naar mijn mening niet eens aan toe gekomen om zich dat te realiseren.

De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen blijkt:

• verdachte heeft voorafgaande aan de aanrijding de door [naam slachtoffer 1] bestuurde auto over een afstand van meerdere kilometers met zeer grote snelheid achtervolgd;

• verdachte is zo hard gereden als de door hem bestuurde auto toeliet;

• dit achtervolgen vond soms tot op zeer korte afstand van de door [naam slachtoffer 1] bestuurde auto plaats;

• verdachte heeft de auto van [naam slachtoffer 1] tijdens de achtervolging minstens één keer van achteren aangereden en is desondanks [naam slachtoffer 1] blijven achtervolgen;

• verdachte heeft meerdere malen getracht de auto van [naam slachtoffer 1] in te halen en

• direct voor het ongeval wilde verdachte de auto van [naam slachtoffer 1] inhalen op de rijstrook voor het linksafslaand verkeer.

De rechtbank concludeert uit de hierboven vermelde gedragingen van de verdachte, dat deze de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [naam slachtoffer 1] de macht over het stuur zou verliezen, waardoor de door [naam slachtoffer 1] bestuurde auto van de weg zou raken met het voor [naam slachtoffer 1] dodelijke gevolg. De rechtbank hecht geen geloof aan de stelling van de raadsman van verdachte dat verdachte zich van deze mogelijkheid niet bewust zou zijn geweest. Daarvoor heeft de achtervolging te lang geduurd en was de rijstijl te agressief en gevaarlijk. Verdachte moet tot bedoeld inzicht zijn gekomen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat bij verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet voor wat betreft de feiten onder 1 primair.

De rechtbank heeft echter niet de overtuiging bekomen dat de verdachte uit was op de dood van [naam slachtoffer 1] en dientengevolge niet “na kalm beraad en rustig overleg” heeft gehandeld. Aan de conclusie dat sprake is van moord komt de rechtbank dus niet toe.

Het vorenoverwogene met betrekking tot de opzet en de voorbedachte rade geldt eveneens ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De raadsman heeft ter terechtzitting eveneens betoogd dat de verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd -zakelijk weergegeven-:

Om tot een veroordeling voor het primair ten laste gelegde te komen zal ook moeten vast staan dat de verdachte de opzet had om de politieman van het leven te beroven. Ik denk dat daar geen sprake van was.

Vervolgens kunnen we bezien of er dan sprake is van voorwaardelijk opzet. Wat betekent dit: de verdachte moet zich hebben gerealiseerd dat de politieman wel eens het loodje zou kunnen laten en die kans vervolgens op de koop toe hebben genomen.

Ik denk dat dit nu net te ver gaat. Het is niet zo dat cliënt zo maar ineens is weggereden. [naam slachtoffer 2] wist wat er kon gebeuren en had al een stap gedaan om aan de kant te kunnen gaan.

In de handelwijze van [verdachte] zie ik veeleer dat hij [naam slachtoffer 2] heeft willen waarschuwen dat hij weg wilde in plaats van [naam slachtoffer 2] gewoonweg aanrijden met alle risico van dien.

Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen het navolgende blijkt:

- verdachte bevond zich aan de bestuurderszijde in een stilstaande auto, waarvan de motor draaide;

- aan de bestuurderszijde was het zijraam voor een klein gedeelte open;

- verbalisant A. zei en riep tegen de bestuurder dat hij van de politie was;

- verbalisant [naam slachtoffer 2] bevond zich vóór het voertuig van verdachte;

- verdachte gaf gas zodat de motor van zijn voertuig flink toeren maakte;

- verbalisant [naam slachtoffer 2] gaf een klap op de motorkap om de aandacht te trekken;

- verbalisant [naam slachtoffer 2] bevond zich op dat moment op een afstand van een halve meter van het voertuig;

- verbalisant [naam slachtoffer 2] stond tussen het midden van het voertuig en de linkerkoplamp;

- verdachte gaf, toen hij iemand hoorde zeggen het raampje naar beneden te doen en hij een klap op de auto hoorde, gas en reed weg

- verbalisant [naam slachtoffer 2] zag in een flits het voertuig op zich af komen en sprong opzij;

- verbalisant [naam slachtoffer 2] zou door het voertuig zijn aangereden als hij niet opzij gesprongen was.

De rechtbank concludeert uit de hierboven vermelde gebeurtenissen dat verdachte, door te handelen zoals hij deed, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verbalisant [naam slachtoffer 2] door verdachte zou worden aangereden. De rechtbank acht het risico dat een persoon door een botsing met een snel optrekkende auto kan komen te overlijden aanmerkelijk. Immers, het betreft een log en zwaar voorwerp. Zou deze persoon voor de auto ten val komen, dan is er een grote kans op dodelijk letsel.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geëist dat ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit "een hoeveelheid geld" bewezen verklaard dient te worden, onder vrijspraak van “200 euro”. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij geen 200 Euro, doch 760 Euro heeft weggenomen.

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte 200 Euro heeft gestolen, aangezien zij bij het volgen van de eis van de officier van justitie buiten de grenzen van de tenlastelegging zou zijn getreden.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

feit 1 primair:

Doodslag;

feiten 2 en 3 primair:

Poging tot doodslag;

feit 4:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, driemaal gepleegd;

feit 5:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van valse sleutels;

feiten 6, 9 primair en 10:

Diefstal;

feit 7:

Valsheid in geschrift;

feit 8:

Verduistering;

feit 11:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door, P.M.F. Brookhuis, GZ psychologe, en dr. C.E.P. Dillen, psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psychologe en psychiater een rapport, gedateerd respectievelijk 6 mei 2006 en 4 augustus 2006, opgemaakt, welke rapporten als conclusie vermelden dat de verdachte is te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in die rapporten gegeven conclusies en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7, 8, 9 primair, 10 en 11 zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

- hechtenis voor de duur van twee maanden ten aanzien van de feiten 4 en 11 en

- ter beschikking stelling, met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft vrijspraak van de feiten 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 bepleit. Voor het overige heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen en maatregel het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een van de slachtoffers geld gegeven voor de koop van cocaïne en het verrichten van seksuele diensten. Als hij, nadat hij de cocaïne heeft gekregen, achter de slachtoffers aanrijdt op weg naar de plaats waar de seksuele diensten zullen worden verricht stelt hij vast dat de cocaïne geen cocaïne is of op z’n best van zeer slechte kwaliteit. Vervolgens neemt hij ook nog waar dat de auto met beide slachtoffers opeens ver op hem uitloopt. Verdachte concludeert dat hij wordt beetgenomen, de tweede keer die avond want eerder had hij ook al een voorschot voor seksuele diensten betaald waarop de betreffende dame verdween voordat de beoogde handelingen waren verricht.

Verdachte zet met zijn auto de achtervolging in. De slachtoffers slaan op de vlucht. Daarbij wordt door beide auto’s met zeer hoge snelheid, vaak 140 – 160 km/uur, gereden over gewone verkeerswegen waarop op dat moment ook ander verkeer rijdt en ondanks dat het donker is en koud. Getuigen spreken van zeer korte afstanden tussen beide auto’s. Ook wordt er regelmatig ingehaald waarbij andere weggebruikers moeten afremmen en uitwijken om een ongeval te voorkomen. Zo is er sprake van een zeer gevaarlijke situatie.

Hoe gevaarlijk die situatie is blijkt als verdachte zeker één keer, en mogelijk vaker, de auto van de slachtoffers toucheert. Ondanks het feit dat hij dat zelf zeker één keer ook merkt stopt hij de achtervolging niet, maar gaat hij met onverminderd tempo en op dezelfde wijze door met het volgen van de slachtoffers.

Op een gegeven moment probeert verdachte wederom de auto van [naam slachtoffer 1] in te halen, dit keer door over een rijstrook voor linksafslaand verkeer te rijden. Daarbij komt het opnieuw tot een botsing tussen beide auto’s, deze keer met voor het slachtoffer [naam slachtoffer 1] fataal gevolg.

Of een van beide auto’s bewust tegen de andere heeft aangestuurd is niet vastgesteld kunnen worden. De rechtbank heeft dit aspect dan ook niet bij haar afwegingen betrokken. Wel staat vast dat verdachte de achtervolging is begonnen en deze over vele kilometers heeft voortgezet. Daarbij heeft hij bewust zeer grote risico’s genomen voor de inzittenden van de vluchtende auto en de andere weggebruikers en dat alleen maar omdat hij voor een bedrag van € 150 tot € 200 zou zijn opgelicht.

Ook heeft de rechtbank aan de hand van de opstelling van verdachte ter terechtzitting moeten constateren dat zoveel maanden later, nadat hij over zijn handelen in rust heeft kunnen nadenken, hij nog steeds het kwalijke van zijn handelen niet inziet. Verdachte wekt zelfs de indruk van mening te zijn dat hij in zijn recht stond, “want hij werd toch bedonderd”.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met de straffen als door de officier van justitie voor de verkeersovertredingen gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt de niets en niemand ontziende manier waarop de verdachte de verkeersovertredingen heeft begaan om zich aan aanhouding door de politie te onttrekken.

De redengeving van de op te leggen maatregel

De voormelde rapporten van drs. Brookhuis en dr. Dillen houden voorts in -zakelijk weergegeven:

Het rapport van P.M.F. Brookhuis, GZ psychologe:

Beantwoording van de vragen

1 Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven ?

Ja.

2 Hoe was dit ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde?

Van de combinatie van deze factoren was sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

3 Beïnvloedde de eventuele ziekelijk stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens onderzochte's gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde

Ja. De gedragingen ten tijde van het plegen van tenlastegelegde zijn herleidbaar tot voornoemde stoornis en problematiek. Er bestaat een directe relatie tussen de persoon van betrokkene en vergeldend-spanningzoekend grensverleggend gedrag zoals het tenlastegelegde.

4a/b Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven: op welke manier dat geschiedde? In welke mate dat

geschiedde?

Betrokkene heeft aangegeven zich gedupeerd te hebben gevoeld doordat hij tegen de afspraak in geen waar (seks en drugs) voor zijn geld heeft gehad, zo is zijn beleving. Hij heeft zich 'genaaid gevoeld' en het recht in eigen hand genomen. Hij heeft van de mensen die met hem de afspraak waren aangegaan, alsnog zijn deel op willen eisen. Betrokkene heeft daarop de auto, waarin de slachtoffers [naam slachtoffer S] en [naam slachtoffer 1] zaten, achtervolgd.

In deze beleving en reactiewijze -in casu het tenlastegelegde gedrag, indien bewezen - komt zowel de krenking 'het gevoel besodemieterd te worden' bij betrokkene naar voren, alsook 'dit gedrag niet over mijn kant laten gaan', resulterende in vergeldingsdrang.

(...............)

4c Welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is ?

Uitgaande van de beschreven problematiek lijkt betrokkene ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde niet geheel de verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te hebben kunnen nemen en onvoldoende zelfregulerend vermogen te hebben (gehad) om zijn gedrag bij te sturen. In een mate dat betrokkene ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

(...............)

5a Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

5b Welke andere factoren en condities dienen hierbij in ogenschouw genomen te worden ?

5c Is iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?

Als onderlinge elkaar beïnvloedende factor( en) is het gevaar te noemen dat betrokkene met name bij krenking, afwijzing, ervaren van onrecht, zich impulsief opnieuw in risicovergrotende omstandigheden kan begeven. Betrokkene wekt de indruk in ieder opzicht - ook betreffende middelengebruik en seksueel gedrag - grenzeloos te zijn.

De factor middelenmisbruik is te noemen welke bij voornoemde persoonlijkheidsstoornis en problematiek, ook in de toekomst de drempel bij betrokkene kan verlagen om tot gevaarlijke situaties, zoals huidige tenlastegelegde, te komen.

Van sociale inbedding was ten tijde van het onderzoek aangaande familiecontacten, alsook stabiele relaties en hulpverleningscontacten, alsook daginvu1ling/werk, in afnemende mate sprake.

6 Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en conditie en eventuele onderlinge beïnvloeding, binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

Aan de rechtbank worden navolgende afwegingen voorgelegd.

Betrokkene is tien jaar -van 1989 tot 1999- in het kader van de TBS met verpleging behandeld in de kliniek Veldzicht. Hierbij is in maart 1998 door het PBC een verlengingsadvies gegeven voor 2 jaar.

Het PBC rapport uit 1998 eindigde met de opmerking "betrokkene voorziet dat, wanneer hij zich weer in gezelschap van zijn oude vrienden zal begeven, er risico op drugsgebruik en daarmee samenhangende problemen is. Hieruit blijkt betrokkene's nog beperkte inzicht Hij is nog niet in staat de relatie tussen zijn afhankelijke wijze van relateren en de daarmee opgewekte verlatingsangst te koppelen aan onlustbestrijding door enerzijds druggebruik en anderzijds grensoverschrijdend gedrag.”

Deze opmerking is momenteel onverminderd van kracht. Daarenboven is een ontwikkeling in de laatste vijf jaren, dat betrokkene in oud (grenzeloos) gewoonte gedrag is teruggevallen.

De actuele houding van betrokkene, die overigens wel te doorbreken is, is dat hij momenteel geen hulpverlening meer wenst. Hij heeft de reclassering weggestuurd en laten weten geen vertrouwen te hebben in diens contact en begeleiding. Momenteel is er bij betrokkene ook nauwelijks intrinsieke motivatie bemerkbaar. Wel is te bemerken dat betrokkene er baat bij heeft als in het onderzoek met hem het gesprek wordt aangegaan, en hij zich meer bereikbaar kan opstellen.

Gelet op de ernst van het tenlastegelegde en de TBS-achtergrond van betrokkene is het verzoek aan Uw college om in de zaak van betrokkene een tweede onderzoeker (psychiater) te benoemen, teneinde tot een zo zorgvuldig mogelijke afweging te komen ten aanzien van het advies.

Het rapport van dr. C.E.P. Dillen:

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens en zo ja, hoe is dit in diagnostische zin te omschrijven?

Psychiatrisch diagnostisch zien we bij onderzochte een persoonlijkheidsstoornis volgens de zogenaamde B-cluster van de DSM-IV, met antisociale, narcistische en borderline elementen. Tevens is er een cocaïne afhankelijkheid bij onderzochte.

2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde?

ten tijde van het plegen van het ten1astegelegde waren de kenmerken van hoger genoemde stoornissen ook aanwezig.

3.Beïnvloedde de eventuele ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens onderzochte ‘s gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten "tijde van" het plegen van het tenlastegelegde (zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden?)

De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van onderzochte beïnvloedde zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, in die mate dat het ten laste gelegde grotendeels vanuit pathologie verantwoord kan worden.

4. Zo ja, kan de deskundige dan gemotiveerd aangeven:

a. op welke manier dat geschiedde

b. in welke mate dat geschiedde?

c. welke conclusie met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid op grond hiervan te adviseren is.

a.

De aanwezigheid van de persoonlijkheidsstoornis heeft in grote mate een rol gespeeld ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten. (.......) De cocaïne heeft dit alles nog versterkt en eventuele remmingen verminderd.

b.

De aanwezigheid van de gemengde stoornissen ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde hebben in grote mate een rol gespeeld, zonder evenwel ten volle de mogelijkheid om zijn daden te moeten kunnen controleren te ontnemen. Betreffende het gebruik van de cocaïne dient gezegd dat dit een veel voorkomende co-morbiditeit (samengaande stoornis) is van de genoemde persoonlijkheidsstoornissen. Er bleef desbetreffend bij de verdachte wel een volledige wilsvrijheid ten aanzien van bet gebruik van het middel bestaan. De cocaïne gaat onderzochte stimuleren en tot versneld ageren aanzetten, maar zonder dat dit op zich zijn oordeelsvermogen zou verstoren.

c.

Op grond hiervan is, op basis van de factor gemengde stoornis,

een verminderde toerekeningsvatbaarheid te adviseren, zo de ten laste gelegde feiten bewezen geacht worden.

5a. Welke factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene kunnen van belang zijn voor de kans op recidive?

De kans op recidive is als zijnde relatief groot in te schatten De stoornis van onderzochte is immers erg resistent gebleken bij psychiatrische behandeling. In de TBS behandeling is er wel een beperkt inzicht opgetreden in zijn problematiek, maar onvoldoende om betrokkene in crisismomenten houvast te bieden met betrekking tot zijn gedragingen. Hij gaat dan terugvallen op zijn 'automatisch repertoire' van persoonlijkheidsstoornis gebonden reactiemechanismen.

6. Welke aanbevelingen van gedragskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies op deze factoren en condities en hun eventuele onderlinge beïnvloeding en binnen welk juridisch kader zou dit gerealiseerd kunnen worden?

Naar de mening van ondergetekende is behandeling op een dubbeldiagnose afdeling met forensisch ervaring noodzakelijk gedurende voldoende lange termijn. (.........)

Gezien het toch niet geringe recidive risico is naar mening van ondergetekende een deels voorwaardelijke straf ontoereikend om de beoogde behandelingsdoelstellingen in voldoende maatschappelijk veilige condities te laten verlopen.

Blijven als opties een TBS met voorwaarden of een TBS met dwangverpleging. Onderzochte heeft in het verleden al zijn voorwaarden geschonden en is onder meer naar Duitsland gevlucht tijdens zijn TBS met dwangverpleging. (.......)

De combinatie van ernst van persoonlijkheidsstoornis, alsook het grote recidive risico rechtvaardigt naar mening van ondergetekende een toepassing van een TBS maatregel met dwangverpleging.

Gezien de inhoud van vorenbedoelde rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen acht de rechtbank termen aanwezig het advies op te volgen.

De rechtbank zal de verdachte ter beschikking stellen, nu de door verdachte begane feiten deels misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en zij op grond van het vorenoverwogene van oordeel is, dat de veiligheid van anderen de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede in aanmerking heeft genomen de ernst van de begane feiten en de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf.

De rechtbank zal bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu zij, op grond van het vorenoverwogene, van oordeel is dat de veiligheid van anderen de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 45, 57, 62, 225, 287, 289, 310, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer 2],[adres slachtoffer 2], [naam slachtoffer 3],[adres slachtoffer 3], [naam slachtoffer 4], [adres slachtoffer 4][naam en adres slachtoffer 5], en [naam en adres slachtoffer 6], zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 6] voornoemd door respectievelijk de hiervoor onder 3 en 11 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot de door hen gevorderde bedragen van respectievelijk € 200,- en € 1.122,- en nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf en een maatregel zal worden opgelegd, zullen deze vorderingen geheel worden toegewezen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de gestelde schade ter zake van post 2 (het gestolen geld) ad. €.2.600,- rechtstreeks door het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht, zal de benadeelde partij [naam slachtoffer 3], voor zover het dit deel van haar vordering betreft, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] door de hiervoor onder 5 en 6 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 1.110,- en nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake de posten 1 (huurauto 45 dagen), 2 (herstellen en spuiten kofferklep), 3 (reinigen auto) en 4 (benzine) niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] door het hiervoor onder 8 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 150,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 5], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake post 1 (verkoopwaarde auto) niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij[naam slachtoffer 5] door het hiervoor onder 9 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 165,- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 primair, 4, 5, 6, 7, 8, 9 primair, 10 en

11 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

-verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte deswege strafbaar;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor onder 1 primair, 2, 3 primair, 5, 6, 7, 8, 9 primair en 10 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voor de drie hiervoor onder 4 bewezenverklaarde verkeersgevaarlijke gedragingen tot een hechtenisstraf voor de tijd van DRIE KEER EEN MAAND;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor onder 11 bewezenverklaarde tot een hechtenisstraf voor de tijd van EEN MAAND;

- gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van VIJF JAREN;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

2006013105 12 1.00 STK Geluidsapparatuur Kl:grijs, PROVISION Dvx4350pr

DVD-speler en

13 Antivries;

(alle goederen aangetroffen in auto);

- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

20300113448 7 1.00 STK Cassetteband

MAXELL

aan het Korps Landelijke Politiediensten;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] [adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 200,- (TWEEHONDERD EURO);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 2] [adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 200,- (TWEEHONDERD EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] voormeld bedrag van € 200,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen.

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 200,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3],[adres slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.100,- (EENDUIZENDHONDERD GULDEN);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 3], [adres slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.100,- (EENDUIZENDHONDERD EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] voormeld bedrag van € 1.100,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen.

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1.100,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4], [adres slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 150,- (HONDERDVIJFTIG EURO);

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam slachtoffer 4], [adres slachtoffer 4] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 4], [adres slachtoffer 4], te betalen een bedrag van € 150,- (HONDERDVIJFTIG EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] voormeld bedrag van € 150,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen.

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 150,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 165,- (HONDERDVIJFENZESTIG EURO);

- bepaalt dat de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 5] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op nihil, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam en adres slachtoffer 5] een bedrag van € 165,- (HONDERDVIJFENZESTIG EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] voormeld bedrag van € 165,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 165,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 5] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam en adres slachtoffer 6], te betalen een bedrag van € 1.122,- (EENDUIZENDHONDERDTWEEENTWINTIG EURO);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 6] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam en adres slachtoffer 6], te betalen een bedrag van € 1.122,- (EENDUIZENDHONDERDTWEEENTWINTIG EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 22 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 6] voormeld bedrag van € 1.122,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1.122,- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 6] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. I.M.T. Wijnands, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2006.