Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY8416

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
03/082161-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging, nu de economische politierechter het beroep op overmacht (meer in het bijzonder noodtoestand) honoreert, vanwege een conflict tussen wettelijke verplichtingen enerzijds en diverse verbodsbepalingen anderzijds. Verdachte heeft daar tussen een juiste afweging gemaakt.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/142 met annotatie van Boerema
JDW 2006/79 met annotatie van Red.
NJFS 2006, 320
M en R 2006, 102

Uitspraak

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/082161-03

Datum uitspraak: 19 september 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september 2006 op tegenspraak gewezen door de economische politierechter in bovengenoemde rechtbank in de zaak tegen:

[naam verdachte],

[adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 24 juli 2003 in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, één of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse dan wel een beschermde uitheemse diersoort, te weten 1 winterkoninkje, 3 kauwen, 2 eksters, 4 huismussen, 1 heggenmus, 13 merels, 3 huiszwaluwen, 1 koekoek, 1 steenuil, 5 gierzwaluwen, 1 Turkse tortel, 4 houtduiven, 1 patrijs, 1 haas, 1 bunzing, 1 ree, 1 kokmeeuw, 1 vos, 2 waterhoentjes, 1 meerkoet, 1 bergeend, 12 wilde eenden, 6 nijlganzen, 1 knobbelzwaan, 1 (dode) vink en 1 (dode) gierzwaluw onder zich heeft gehad.

De geldigheid van de dagvaarding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de op de tenlastelegging vermelde bergeend en nijlganzen op 24 juli 2003 onder zich heeft gehad. Deze dieren komen evenwel niet voor op de lijsten met beschermde inheemse dan wel uitheemse diersoorten.

De Economische Politierechter komt dan ook tot de conclusie dat de dagvaarding voor wat betreft de genoemde dieren nietig moet worden verklaard.

De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 24 juli 2003 in de gemeente Sittard-Geleen opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 1 winterkoninkje, 3 kauwen, 2 eksters, 4 huismussen, 1 heggenmus, 13 merels, 3 huiszwaluwen, 1 koekoek, 1 steenuil, 5 gierzwaluwen, 1 Turkse tortel, 4 houtduiven, 1 patrijs, 1 haas, 1 bunzing, 1 ree, 1 kokmeeuw, 1 vos, 2 waterhoentjes, 1 meerkoet, 12 wilde eenden, 1 knobbelzwaan, 1 (dode) vink en 1 (dode) gierzwaluw onder zich heeft gehad.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de economische politierechter, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

P.M.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit wat moet worden gekwalificeerd als volgt.

Opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet, gepleegd door een rechtspersoon.

De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte heeft een beroep op overmacht gedaan. In dit verband overweegt de economische politierechter het volgende.

Verdachte drijft een hulpcentrum voor wilde dieren. Gewonde en/of ondervoede dieren worden bij haar gebracht door mensen die deze hebben gevonden, bijvoorbeeld langs de snelweg of in het veld. Naast particulieren maken ook overheidsfunctionarissen gebruik van de diensten van verdachte. Verdachte draagt zorg voor de eerste opvang en verzorging van deze dieren. Ten tijde van het gepleegde feit beschikte verdachte niet over een vergunning voor dit werk. Daarom mocht verdachte, overigens zoals iedereen, de dieren maximaal 12 uren onder zich houden teneinde de eerst zorg toe te dienen. Binnen die periode diende verdachte er voor te zorgen dat de binnengebrachte wilde dieren in de daarvoor bestemde gespecialiseerde opvangcentra werden ondergebracht.

Tot 23 juli 2003 te 16:00 uur gold echter in het gebied waarbinnen verdachte gevestigd was een algeheel vervoersverbod voor AI gevoelige vogels en een verzamelverbod voor alle andere vogels. Tot dat moment was het verdachte dus niet toegestaan AI gevoelige vogels uit zijn centrum te verwijderen. Daarnaast gold er voor de andere vogels een verzamelverbod wat betekende dat deze vogels wel vervoerd mochten worden maar niet bij andere vogels mochten worden gezet. Daarmee was het feitelijk onmogelijk voor deze vogels een ander onderkomen te vinden.

Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van verdachte nog aangegeven dat de opvangcentra in deze periode ook geen andere dieren accepteerden uit angst voor besmetting van de aanwezige vogelpopulatie. Tot 23 juli 2003 te 16:00 uur mocht verdachte dus met het overgrote deel van de bij hem in beslag genomen dieren geen kant uit en met de resterende kon hij geen kant uit.

Formeel veranderde deze situatie echter op 23 juli 2003 te 16:00 uur, toen beide verboden werden opgeheven. Vanaf dat moment was er geen formeel beletsel meer om de bij verdachte aanwezige wilde dieren in de gespecialiseerde opvangcentra te plaatsen. Een juiste wetshandhaving brengt naar de mening van de economische politierechter echter met zich mee dat verdachte een redelijke termijn wordt geboden om tot die plaatsing over te gaan. Bij het bepalen van die termijn acht de economische politierechter onder meer van belang dat:

? de inhoud van de noodmaatregelen op dat moment voortdurend veranderde en de communicatie daarover niet altijd even toegankelijk was, zodat vaak niet aanstonds duidelijk was hoe de geldende regeling luidde;

? een groot aantal dieren opeens geplaatst moest worden, waarvoor capaciteit gezocht moest worden;

? buiten de reguliere werktijden de bereikbaarheid van de opvangcentra moeizaam zal zijn.

Onder die omstandigheden is naar de mening van de economische politierechter de termijn die verdachte moest worden gegund om de dieren te plaatsen op 24 juli 2003 om 09:30, het moment van de inval, nog niet verstreken.

De Officier van Justitie heeft er nog op gewezen dat verdachte, wetende van het vervoers- en verzamelverbod, de dieren nooit had mogen accepteren. Dan was zij ook niet in de positie geraakt dat zij deze niet meer kon doorplaatsen. De economische politierechter volgt de Officier van Justitie echter niet in deze stelling. Terecht heeft verdachte gewezen op de algemene zorgplicht die op haar rust met betrekking tot het welzijn van dieren (onder andere neergelegd in de artikelen 2 Flora- en Faunawet en 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren) op grond waarvan zij gehouden is tot hulp aan zieke dieren die haar worden aangeboden.

Bovendien is de economische politierechter van mening dat verdachte ook een juiste afweging heeft gemaakt tussen de voor haar geldende voorschriften. De haar aangeboden zieke dieren hoefde zij niet te weigeren op grond van de op haar rustende zorgplicht, zoals hiervoor al geschetst. Bovendien zou een weigering betekend hebben dat de dieren, meest vogels waaronder AI gevoelige dieren, door de vinder meegenomen zouden zijn op zoek naar een andere opvangplek, waardoor het risico op verspreiding van de vogelpest alleen maar aanzienlijk zou zijn toegenomen. Eenmaal in haar opvangcentrum zou doorplaatsen van de dieren eveneens betekenend hebben dat het risico op verspreiding van de vogelpest toenam. Uit onderzoek naar de wijze van opvang op 24 juli 2003 is gebleken dat deze uitstekend was, zodat de economische politierechter er van uitgaat dat aan beide hiervoor genoemde verplichtingen, zorg voor dieren en voorkoming van het risico op verspreiding van de vogelpest, op een adequate wijze is voldaan.

Die verplichtingen vindt de economische politierechter onder de hiervoor geschetste omstandigheden aanmerkelijk zwaarder wegen dan het naleven van het voorschrift om wilde dieren niet langer dan 12 uur onder zich te houden.

De Economische Politierechter komt dan ook tot de conclusie dat aan verdachte een beroep op overmacht - meer specifiek noodtoestand - toekomt en zal haar daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

DE BESLISSINGEN:

De economische politierechter

- verklaart de dagvaarding, zoals hiervoor is omschreven, partieel nietig;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte deswege niet strafbaar en ontslaat haar dientengevolge van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, economische politierechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Josephs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2006