Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY7905

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
26-10-2006
Zaaknummer
205178 CV EXPL 05-3321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ex-werknemer vordert van zijn ex-directeur schadevergoeding wegens beweerde onrechtmatige daad van die directeur in een eerdere procedure ex 7:685 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 11

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Sittard-Geleen

rolno: 3321/05

zaakno: 205178

vonnis d.d. 19 april 2006

in de zaak van:

[Naam eisende partij],

wonend te [Woonplaats eisende partij], [Gemeente van de woonplaats van eisende partij]l,

verder ook te noemen: [Naam eisende partij],

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.R. Buwalda te Assen (Stichting Univé Rechtshulp),

tegen:

[Naam gedaagde partij],

wonend te [Woonplaats gedaagde partij], [Gemeente van de woonplaats van gedaagde partij],

verder ook te noemen: [Naam gedaagde partij],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. E. Leentjes, advocaat te Leeuwarden.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[Naam eisende partij] heeft bij dagvaarding van 14 oktober 2005 een vordering ingesteld tegen [Naam gedaagde partij] en heeft zich daarvoor mede beroepen op zes aan het exploot van dagvaarding gehechte producties in fotokopievorm (later aangevuld met ‘nog een aantal produkties’).

[Naam gedaagde partij] heeft schriftelijk geantwoord onder overlegging van vijf gefotokopieerde producties.

Op basis van een tussenvonnis d.d. 14 december 2005 heeft vervolgens, na door [Naam gedaagde partij] gevraagd uitstel, op 14 februari 2006 een comparitie van partijen plaatsgevonden, van welke zitting een proces-verbaal is opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

Nadat gebleken was dat partijen er - ook in de weken na de zitting - niet in geslaagd waren overeenstemming te bereiken over een minnelijke regeling, is uitspraak bepaald (een verzoek van [Naam eisende partij] om zijn standpunt nog eens schriftelijk toe te lichten is afgewezen).

2. MOTIVERING

a. het geschil

[Naam eisende partij] vordert de veroordeling van [Naam gedaagde partij] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 2.500,= (althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag) ten titel van schadevergoeding, nog te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van dagvaarding, onder verwijzing van [Naam gedaagde partij] in de kosten van deze procedure.

Sterk samengevat baseert [Naam eisende partij] zich voor deze vordering op de stelling dat [Naam gedaagde partij] als ex-voorzitter van het bestuur van de scho(o)l(engemeenschap) in [Vestigingsplaats] waar [Naam eisende partij] werkzaam is geweest, door tussenkomst van de werkgeefster van [Naam eisende partij] aan de kantonrechter te Leeuwarden in het kader van een gerechtelijke procedure over een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [Naam eisende partij] een voor deze zeer beledigende en grievende schriftelijke verklaring heeft afgegeven, en daarmee jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld (‘inbreuk op zijn recht’ heeft gemaakt subsidiair gehandeld heeft ‘in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid’). [Naam eisende partij] is ‘van mening’ dat ‘hij in zijn eer en goede naam is geschaad en dat zijn eer en goede naam daardoor is aangetast’ (door de verklaring van [Naam gedaagde partij], die hem zonder onderbouwing ‘van allerlei dingen en zaken heeft beschuldigd waar hij geen weet van heeft’ en die ‘eenvoudigweg niet waar’ zijn) en voert ook nog aan dat de verklaring ‘enkel en alleen (is) geschreven om hem zoveel mogelijk te beschadigen en om de arbeidszaak voor de school goed te laten aflopen’.

Met betrekking tot ‘de gevorderde schade’ zegt [Naam eisende partij] ’van mening’ te zijn dat een bedrag van € 2.500,= ‘een reëel bedrag is dat voor de door hem geleden schade staat’.

[Naam gedaagde partij] verweert zich uitvoerig en met verwijzing naar stukken en feiten. Hij wijst er ook op er weinig voor te voelen ‘de ontbindingsprocedure vijf jaar na dato nog eens over te doen’.

[Naam gedaagde partij] heeft de gewraakte brief als voormalig bestuursvoorzitter geschreven met de kennis van conflicten met [Naam eisende partij] die zich tot en met 1997 hadden voorgedaan en zegt zich voor zijn oordeel over de psyche van [Naam eisende partij] mede gebaseerd te hebben op het oordeel van de bedrijfsarts [Naam bedrijfsarts] d.d. 17 november 1999 en op een rapportage van het Educatief Centrum Noord en Oost (ECNO) uit 1997 over de verslechterde werkrelatie tussen (de directie van) de school en [Naam eisende partij]. [Naam gedaagde partij] zegt zijn verklaring ten behoeve van de ontbindingsprocedure destijds op feiten en deskundigenrapportages te hebben gebaseerd en reeds daarom zorgvuldig te hebben gehandeld. [Naam gedaagde partij] betwist dat enig recht van [Naam eisende partij] is geschonden, weet ook niet op welk recht [Naam eisende partij] doelt. Dat [Naam eisende partij] niet in eer en goede naam is geschaad, volgt mede uit de onherroepelijke vrijspraak van [Naam gedaagde partij] ter zake van strafvervolging wegens belediging / smaad / laster. [Naam gedaagde partij] heeft ook niet de grenzen overschreden van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is bij het uiten van zijn mening, mede afgemeten aan een aantal in de rechtspraak relevant geachte criteria en gelet tevens op het algemene belang dat met de verklaring gemoeid was. Het is verder niet zo dat aan een eerder door [Naam gedaagde partij] tegenover de politie afgelegde verklaring de betekenis kan worden toegekend die [Naam eisende partij] daaraan (in een parafrase) geeft. Wel zegt [Naam gedaagde partij] zich te kunnen vorstellen dat [Naam eisende partij] ‘het niet leuk heeft gevonden’ om hetgeen [Naam gedaagde partij] had opgeschreven te lezen en geeft hij toe ‘hier ook zeker spijt van’ te hebben

‘gelet op hetgeen hierachter weg is gekomen’. Daarbij komt dat [Naam eisende partij] het schadebedrag ‘volledig uit de lucht’ grijpt en op geen enkele wijze onderbouwt, aldus niet aan zijn stelplicht voldoet en ook op geen enkele wijze aantoont schade te hebben geleden, althans in een dergelijke omvang. Voor zover hij schade heeft ondervonden moet deze geacht worden te zijn gecompenseerd door de ontbindingsvergoeding van ƒ 100.000,= die zijn werkgeefster hem in opdracht van de kantonrechter te Leeuwarden heeft betaald.

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet-deugdelijk weersproken, staat - mede op basis van de overgelegde en op dat punt niet betwiste producties dan wel op grond van ter zitting gedane uitlatingen - tussen partijen het navolgende vast.

- [Naam eisende partij] is van 16 februari 1969 tot (en met) 31 december 2000 als docent en/of decaan krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest van de [Een onderwijsinstelling] te [Vestigingsplaats] en was (laatstelijk) aan de [Een onderwijsinstelling] te [Vestigingsplaats] werkzaam.

- Aan de arbeidsovereenkomst is, na een periode van arbeidsongeschiktheid die op 12 november 1998 was aangevangen en na niet geslaagde pogingen tot reïntegratie, een einde gekomen door een beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden, die op verzoek van [Een onderwijsinstelling] bij beschikking van 18 december 2000 de ontbinding uitsprak wegens duurzame verstoring van de arbeidsverhouding die niet eenzijdig aan een der partijen te verwijten viel, onder toekenning van een vergoeding van ƒ 100.000,= aan [Naam eisende partij] boven op diens aanspraken op wachtgeld.

- [Een onderwijsinstelling] heeft ter onderbouwing van haar stellingname in de ontbindingsprocedure dat verdere samenwerking met [Naam eisende partij] onmogelijk (van haar te vergen) was, voorafgaand aan de mondelinge behandeling d.d. 1 november 2000, onder (veel) meer verwezen naar een schriftelijke verklaring van [Naam gedaagde partij] met dagtekening 29 oktober 2000.

- [Naam gedaagde partij] was op dat moment geen bestuurder, maar was in de jaren 1993 tot en met 1997 voorzitter geweest van het bestuur van [Een onderwijsinstelling], althans van de Scholengemeenschap [Een onderwijsinstelling] te [Vestigingsplaats] en heeft de bewuste verklaring in die kwaliteit desgevraagd aan [Een onderwijsinstelling] verstrekt om deze in de procedure te doen gebruiken.

- In de verklaring merkte [Naam gedaagde partij] op als voorzitter met [Naam eisende partij] te hebben gesproken ‘omtrent zijn functioneren en zijn disfunctioneren en zijn onvermogen tot samenwerken en communiceren’, waarbij [Naam eisende partij] zich in die periode zou hebben laten kennen ‘als een psychisch gestoorde persoonlijkheid met een sterke voorkeur voor externe attributie’. Voor het overige bevat de verklaring feitelijke mededelingen en/of opinies over gedrag en houding van [Naam eisende partij], wie onder andere verweten wordt dat hij heeft getracht de integriteit van het bestuur systematisch aan te tasten en de school schade te berokkenen zonder dat daar aanleiding toe was.

- [Naam gedaagde partij] heeft ter zitting d.d. 14 februari 2006 moeten erkennen de kwalificatie van arts, psychiater of psycholoog te missen om op eigen gezag een gefundeerd medisch-psychiatrisch dan wel psychologisch oordeel over [Naam eisende partij] of diens gedrag / houding te vellen.

- [Naam eisende partij] heeft na afloop van de ontbindingsprocedure op een ongenoemd gebleven moment een strafklacht tegen [Naam gedaagde partij] (en tegen twee andere bestuurders) ingediend wegens veronderstelde laster / smaad zonder [Naam gedaagde partij] zelf daaromtrent te informeren of zonder [Naam gedaagde partij] te benaderen over hetgeen hij deze verweet .

- Omdat strafvervolging uitbleef, heeft [Naam eisende partij] zich daarover bij het Gerechtshof te Leeuwarden bij klacht d.d. 22 mei 2001 op de voet van artikel 12 Sv. verzet.

- Bij beschikking d.d. 24 oktober 2002 heeft het Hof de op de niet-vervolging van [Naam gedaagde partij] gerichte klacht gehonoreerd en diens vervolging bevolen (en in het geval van de twee andere bestuurders de klacht afgewezen).

- De strafvervolging heeft uiteindelijk geleid tot vrijspraak van [Naam gedaagde partij] bij vonnis d.d. 14 november 2003 van de Politierechter te Leeuwarden, welk vonnis onherroepelijk is.

c. de beoordeling

Strikt genomen behoeft de voor [Naam gedaagde partij] gunstig uitgevallen uitspraak van de strafrechter op

vervolging wegens laster, subsidiair smaad (onherroepelijke vrijspaak) niet te betekenen dat er geen sprake zou kunnen zijn van aan [Naam gedaagde partij] toe te schrijven belediging of aantasting van de eer en goede naam van [Naam eisende partij] in civielrechtelijk opzicht, een bijzondere vorm van onrechtmatige daad. Toch moet in het licht van alle relevante feiten geconcludeerd worden dat [Naam eisende partij] er niet in is geslaagd zodanige feiten en omstandigheden te stellen, dat deze - mits erkend, niet-weersproken of in geval van tegenspraak bewezen, althans voldoende specifiek te bewijzen aangeboden - met zich brengen dat door toedoen van [Naam gedaagde partij] een subjectief recht van [Naam eisende partij] is geschonden, althans dat door [Naam gedaagde partij] is gehandeld in strijd met hetgeen hem in het maatschappelijke verkeer zou hebben betaamd. De kantonrechter zal het dan nog niet hebben over het feit dat [Naam eisende partij]s vordering hoe dan ook dient te sneuvelen op het ontbreken van iedere vorm van onderbouwing van daadwerkelijk ondervonden schade (te onderscheiden van schade door het verlies van de baan), van de omvang daarvan en van de causale relatie met de [Naam gedaagde partij] verweten gedraging.

Op zichzelf is frappant dat [Naam eisende partij] in veel van wat hij [Naam gedaagde partij] verwijt verband legt met het arbeidsconflict tussen hem en [Een onderwijsinstelling] en met de afloop daarvan, die hem kennelijk nog steeds niet zint. Toch heeft [Naam gedaagde partij] niet aan de basis gestaan van het besluit ontbinding ex 7:685 BW te verzoeken (althans daaromtrent is niets gesteld) en kan evenmin met vrucht worden volgehouden dat [Naam gedaagde partij] aan de uiteindelijke beslissing van de rechter een doorslaggevende of zelfs maar ondersteunende bijdrage heeft geleverd. De ‘bijdrage’ beperkte zich tot een schriftelijke verklaring die door de kantonrechter Leeuwarden in zijn beschikking d.d. 18 december 2000 niet eens wordt genoemd, en valt (als het stuk al in weerwil van de voor verantwoordelijkheid van [Een onderwijsinstelling] en niet van [Naam gedaagde partij] komende late indiening tot de processtukken is toegelaten) zonder meer in het niet bij de eigen uitvoerige argumentatie van [Een onderwijsinstelling] in het proces. [Een onderwijsinstelling] wilde na een aantal jaren tevergeefs gepoogd te hebben de inactieve werknemer [Naam eisende partij] te reïntegreren wegens de ontstane impasse de samenwerking door de rechter doen beëindigen. [Naam gedaagde partij] was toen al lang weg als bestuurder en verhaalt in zijn verklaring dan ook zijn ervaring met en opinie over [Naam eisende partij], stoelend op een bestuursverleden in de jaren 1993 tot en met 1997. Als het al zo is dat [Naam gedaagde partij] in met name het opiniërende gedeelte van zijn verklaring d.d. 29 oktober 2000 wat vrijmoedig en weinig gefundeerd opvattingen over de persoon [Naam eisende partij] heeft geventileerd, valt eerstens niet aan te nemen dat de kantonrechter te Leeuwarden daarop blindgevaren is, maar kan verder uit de beschikking niet worden afgeleid dat dit de oordeelsvorming ook maar enigermate beïnvloed heeft.

Dat de arbeidsovereenkomst in de ogen van [Naam eisende partij] ‘gewoon had kunnen blijven voortbestaan’, was in elk geval niet het oordeel van de kantonrechter te Leeuwarden, maar is voor de thans aanhangige procedure ook volstrekt irrelevant. [Naam gedaagde partij] heeft gelijk als hij verzucht dat deze procesgang niet kan worden benut als een verkapt beroep van de ontbindingsbeschikking d.d. 18 december 2000.

Een ander frappant gegeven is enerzijds de tijd die [Naam eisende partij] heeft laten verstrijken alvorens deze vordering aanhangig te maken (zowel in relatie tot de datum van de gewraakte verklaring, 29 oktober 2000, of de datum dat [Naam eisende partij] er kennis van nam, vlak voor de zitting van 1 november 2000 , als in relatie tot de datum van de uitspraak van de Politierechter Leeuwarden d.d. 14 november 2003) en anderzijds het feit dat hij het nimmer nodig heeft geoordeeld [Naam gedaagde partij] rechtstreeks met zijn ongenoegen over de afgegeven verklaring te confronteren, althans niet eerder dan oktober 2004. Die laatste datum blijkt niet uit het exploot van dagvaarding of uit overgelegde stukken doch uit het antwoord van de gemachtigde van [Naam eisende partij] ter gelegenheid van de comparitie op een expliciete vraag van de kantonrechter. Uit een en ander volgt niet bepaald het urgente karakter van de wens bij [Naam eisende partij] tot zuivering van de vermeend aangetaste eer en goede naam, nog daargelaten dat [Naam eisende partij] ook in de eerst op 14 oktober 2005 door dagvaarding aangevangen procedure geen rectificatie of andere genoegdoening dan betaling van een slecht gemotiveerde schadevergoeding van € 2.500,= vordert. In elk geval is het tegenover [Naam gedaagde partij], aan wie [Naam eisende partij] ernstige verwijten (eerder zelfs met potentiële strafsanctie bedreigde verwijten) maakt, weinig zorgvuldig om zonder rechtstreekse contacten actie tegen hem te ondernemen en vervolgens om hem zo lang in het ongewisse te laten.

Thans is de vraag aan de orde of [Naam gedaagde partij] al dan niet in civielrechtelijk verwijtbare mate over de schreef is gegaan. [Naam gedaagde partij] is, zoals hij zelf ter zitting in enigszins bedekte termen heeft toegegeven, buiten zijn boekje gegaan door (zonder bronvermelding) te putten uit een verklaring van een bedrijfsarts van 17 november 1999 die niet aan hem doch aan het toenmalige bestuur was gericht (en die hij dus alleen via dat bestuur heeft kunnen kennen) en deze ook nog eens wat aan te dikken met een medisch-psychologische typering van de persoon [Naam eisende partij]. Waar de bedrijfsarts (in het licht van zijn beroepsgeheim en met inachtneming van het in termen van de Wbp en bescherming van de persoonlijke levenssfeer gevoelige karakter van medische gegevens) terughoudend is in zijn mededelingen en het slechts over ‘bepaalde persoonskenmerken’ of ‘persoonlijkheidskenmerken’ heeft dan wel over ‘beperkingen van andere dan medische aard’ die de samenwerking bemoeilijken, maakt [Naam gedaagde partij] melding van ‘psychisch gestoorde persoonlijkheid’ en ‘externe attributie’ als kenmerken van de persoon [Naam eisende partij]. Het moge duidelijk zijn dat deze beide aanduidingen geen gezaghebbende uitspraken waren van de niet-medicus [Naam gedaagde partij], die bovendien ‘externe attributie’ wellicht uit de managementliteratuur kende, maar hiermee geen analyse als psycholoog / psychiater geacht werd te geven. Hoewel hij deze termen natuurlijk beter niet had kunnen gebruiken, blijkt nergens uit dat [Naam gedaagde partij] hiermee de bedoeling heeft gehad de eer en goede naam van [Naam eisende partij] aan te tasten, bedoeld als de bewuste verklaring was om een opinie aan de kantonrechter te verschaffen over de samenwerking(sproblemen) met [Naam eisende partij] in het tijdvak 1993 tot en met 1997. Dat [Naam gedaagde partij] tegen beter weten in of in strijd met hetgeen zijn werkelijke opinie over handelen en beweegredenen van [Naam eisende partij] was, verkaard heeft, is gesteld noch gebleken. Of de opinies daarmee ook wetenschappelijk aantoonbaar juist zijn, doet niet ter zake, nu niet aannemelijk is dat [Naam gedaagde partij] de bedoeling heeft gehad met hetgeen hij opschreef [Naam eisende partij] nodeloos te kwetsen of tegenover een ruimere buitenwereld belachelijk te maken.

Het in beginsel besloten circuit van een gerechtelijke procedure waarin de verklaring een rol beoogde te spelen, is wel degelijk van belang bij de beoordeling van de civielrechtelijke toelaatbaarheid van hetgeen [Naam gedaagde partij] aan het papier heeft toevertrouwd. [Naam gedaagde partij] heeft deze verklaring niet uit zichzelf doch op verzoek van het toenmalige bestuur van [Een onderwijsinstelling] opgesteld en aan de voorzitter ter hand gesteld met een beperkt oogmerk. Gesteld noch gebleken is dat [Naam gedaagde partij] zelf verdere ruchtbaarheid heeft gegeven aan zijn verklaring dan dat deze (met zijn medeweten) ter kennis is gebracht van de kantonrechter te Leeuwarden, van procespartijen en haar gemachtigden en (mogelijk) van ter zitting aanwezige derden. Reeds daarom, maar ook omdat hier sprake is van professioneel en met het oog op de beslechting van een concrete controverse in de arbeidssfeer verzamelde informatie van feitelijke en/of opiniërende aard, waarvoor (mede in verband met de beperkte gelding van het bewijsrecht in verzoekschriftprocedures als die op de voet van 7:685 BW) geen strakke bewijsregels gelden, past enerzijds een deelnemer aan het debat een zekere terughoudendheid, maar mag hem anderzijds niet te snel het verwijt treffen (te) subjectief te zijn, (te) weinig bewijsmateriaal voor een oordeel over de persoon aan te dragen of geen alternatieve weg beproefd te hebben. [Naam eisende partij] mag gevoeglijk aannemen, zeker nu hij niet met zoveel woorden de stelling van [Naam gedaagde partij] heeft betwist dat de verklaring tijdens de mondelinge behandeling van 1 november 2000 niet aan de orde is geweest, dat de kantonrechter noch een van de andere aanwezigen ter zitting louter op gezag van [Naam gedaagde partij] heeft aangenomen dat hij over ‘een psychisch gestoorde persoonlijkheid met een sterke voorkeur voor externe attributie’ beschikt.

Omdat [Naam gedaagde partij] ten slotte op aandrang van de kantonrechter zich ter zitting van 14 februari 2006 bereid had verklaard mede te werken aan het opstellen van een verklaring waarin hetgeen op 29 oktober 2000 op papier was gezet zou worden afgezwakt c.q. van haar voor [Naam eisende partij] bezwaarlijke lading zou worden ontdaan, al dan niet met een woord van excuus voor onbedoelde effecten, doch [Naam eisende partij] daar na lang onderhandelen geen genoegen mee wenste te nemen, moet de kantonrechter [Naam eisende partij]s gehandhaafde vordering in de boven omschreven zin afwijzen.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [Naam eisende partij] tevens de kosten van deze procedure te dragen, aan de zijde van [Naam gedaagde partij] te stellen op € 350,= (waarvan € 300,= als salaris voor de gemachtigde van [Naam gedaagde partij] en de overige € 50,= voor de verletkosten van [Naam gedaagde partij] zelf in verband met de gehouden comparitie).

3. BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [Naam eisende partij] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [Naam gedaagde partij] tot de datum van dit vonnis begroot op € 350,= waarin begrepen een bedrag van € 300,= aan salaris gemachtigde en een bedrag van € 50,= aan verletkosten van [Naam gedaagde partij] zelf;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht alsmede te Sittard-Geleen, en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 19 april 2006.