Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY7673

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
07-09-2006
Zaaknummer
03-700123-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aard van de gedragingen brengt niet naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer mee; de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer speelt hierin mede een rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700123-06

Datum uitspraak: 5 september 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 februari 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader(s), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht met tot vuisten gebalde handen tegen het

hoofd en/of tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt/gestampt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gescheurde milt en/of een klaplong en/of een oogkasfractuur), heeft toegebracht, door deze tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met kracht met tot vuisten gebalde handen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, te slaan/stompen en/of meermalen, althans eenmaal, (telkens) met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd en/of tegen het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te schoppen.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Zoals de rechtbank hierna ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde nader zal overwegen, acht zij wettig en overtuigend bewezen dat door de verdachte en zijn medeverdachte excessief geweld is uitgeoefend tegen het slachtoffer, welk geweld bestond in het met vuisten slaan tegen hoofd en lichaam alsmede het met geschoeide voet trappen tegen het lichaam van het slachtoffer. Niet is echter komen vast te staan dat verdachte en/of zijn medeverdachte daadwerkelijk van plan was/waren om [slachtoffer] van het leven te beroven. Rest de vraag of bij hen wel voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] bestond. Die vraag wordt door de rechtbank ontkennend beantwoord.

Hoewel het geweld excessief was en heeft geleid tot zeer ernstige en levensbedreigende verwondingen, brengen het trappen tegen het lichaam en het slaan tegen het hoofd en het lichaam naar het oordeel van de rechtbank niet naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer met zich.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 17 februari 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gescheurde milt, een klaplong en een oogkasfractuur, heeft toegebracht, door deze tezamen en in vereniging met die ander opzettelijk meermalen met kracht met tot vuisten gebalde handen tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan en meermalen met geschoeide voet tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schoppen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het slachtoffer heeft verschillende verklaringen afgelegd over het tegen haar uitgeoefende geweld. In al deze verklaringen heeft zij steeds aangegeven dat verdachte is begonnen met het slaan, waarna op enig moment ook de medeverdachte geweld heeft uitgeoefend en aldus verdachte is gaan ‘helpen’. Uit die verklaringen ontstaat het beeld dat vanaf bedoeld moment verdachte en medeverdachte in nauwe samenwerking het slachtoffer met vuisten hebben geslagen tegen hoofd en lichaam alsmede hebben getrapt tegen het lichaam. Mede gelet op het beeld dat de rechtbank van het slachtoffer op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft gekregen, alsmede gelet op hetgeen door de medeverdachte over de gedragingen van verdachte is verklaard, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan hetgeen het slachtoffer aangaande de mishandeling heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer een of twee keer met de vlakke hand heeft geslagen en overigens geen geweld heeft uitgeoefend, gelet op het voorgaande alsmede gelet op zijn boosheid tegen het slachtoffer (zij zou verdachte’s leven hebben ontwricht) ongeloofwaardig. Evenmin blijkt uit de gang van zaken zoals die voornamelijk door het slachtoffer is geschetst, dat verdachte zich daadwerkelijk heeft gedistantieerd van het geweld. Daar komt bij dat het, naar het oordeel van de rechtbank, op de weg van verdachte, als initiator van het geweld, had gelegen om zijn medeverdachte van verdergaand geweld te weerhouden indien verdachte inderdaad niet zou hebben gewild dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht.

Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat de verwondingen van het slachtoffer mogelijk een andere oorzaak hebben gehad, moet dit verweer worden verworpen. Gelet op het door getuige [naam getuige] aangegeven tijdstip waarop de medeverdachte in de woning is aangekomen en de ruzie is begonnen (ca. 19.50 uur) en het tijdstip waarop de politie de melding heeft ontvangen dat er een mishandeling had plaatsgevonden (ca. 20.00 uur), is het hoogst onwaarschijnlijk dat het letsel een andere oorzaak heeft gehad dan de door verdachte en medeverdachte gepleegde mishandeling. Ook overigens blijkt noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting enige redelijke andere verklaring voor het ontstane letsel.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit en moet worden gekwalificeerd als volgt:

subsidiair:

medeplegen van zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouwe heeft ter zake het primair en subsidiair ten laste gelegde geconcludeerd tot vrijspraak.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- het excessief gebruikte geweld jegens een volstrekt weerloos slachtoffer, welk geweld zeer vergaand en levensbedreigend letsel bij dit slachtoffer heeft veroorzaakt.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF maanden;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis -waaronder op de voet van het bepaalde bij artikel 72, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering begrepen de tijd gedurende welke de verdachte in verzekering was gesteld- gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. W.A.P. Hillen en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 september 2006, zijnde

mr. I.P. de Groot buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.