Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY6572

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-07-2006
Datum publicatie
21-08-2006
Zaaknummer
03/703565-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat uit de aanwezigheid van de verdachte bij beide genoemde panden niet voortvloeit dat hij degene is geweest die de aldaar aangetroffen hennepplantages heeft ingericht dan wel dat hij hierbij betrokken is geweest. Ook de door verdachte ondernomen activiteiten ten behoeve van zijn pand aan de M. leveren dergelijk bewijs niet op, nu niet blijkt dat deze activiteiten zijn ondernomen ten behoeve van de aldaar aangetroffen hennepplantage en deze activiteiten voorts ook zeer wel voor andere, legale doeleinden zouden kunnen zijn aangewend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703565-05

Datum uitspraak: 21 juli 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

gedagvaard onder de naam: [naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichtingen Limburg-Zuid – locatie Huis van Bewaring Overmaze te 6222 NA Maastricht, Willem Alexanderweg 21.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 28 maart 2006, in de gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een of meer panden (onder meer aan de H-straat te Geleen en/of de R-straat te Geleen en/of de B-straat te Geleen en/of de M-straat te Sittard, in elk geval in een of meer panden) in het arrondissement Maastricht een hoeveelheid hennep en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 28 maart 2006 in de gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van (telkens) meer dan 30 gram hennep en/of hashish, zijnde hennep en/of hashish (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 28 maart 2006 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Maastricht, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een (duurzaam) samenwerkingsverband van een of meer personen, te weten [naam verdachte] en/of [naam verdachte 2] en hem, verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk telen en/of bereiden en/of

bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, hennep en/of hashish.

De geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is gebleken dat in de dagvaarding in regel 7 van het onder 1 ten laste gelegde staat vermeld “M-straat te Sittard”, terwijl op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat dit de “M-straat te Sittard” betreft. Voorts is de rechtbank gebleken dat tengevolge van een kennelijke schrijffout in de dagvaarding in regel 4 van het onder 3 ten laste gelegde staat vermeld “[naam verdachte]” in plaats van “[naam verdachte 3]”. De rechtbank herstelt deze kennelijke fouten nu zij van oordeel is dat de verdachte hierdoor niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is de rechtbank voorts van oordeel dat de dagvaarding slechts een voldoende feitelijke omschrijving omvat van de panden alwaar de hennepplanten zich zouden hebben bevonden, voor zover worden genoemd de panden aan de H-straat te Geleen, de R-straat te Geleen, de B-straat te Geleen en de M-straat te Sittard. De term “onder meer” zoals gehanteerd in het onder 1 ten laste gelegde duidt op nog andere panden. Nu deze andere panden in de tenlastelegging niet nader worden omschreven, voldoet de tenlastelegging naar het oordeel van de rechtbank in zoverre niet aan de hieraan krachtens artikel 261, lid 1 van Wetboek van Strafvordering te stellen eisen. De dagvaarding dient naar het oordeel van de rechtbank derhalve voor wat betreft de term “onder meer” nietig te worden verklaard.

De vrijspraak

Ten aanzien van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen aanwijzingen worden ontleend voor de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit. Zo heeft de bewoonster van het pand aan de B-straat verklaard dat zij in contact is gekomen met de eigenaar van een telefoonwinkel in Sittard over het inrichten van een hennepplantage. Tijdens observaties door de politie is voorts waargenomen dat de verdachte het pand op de B-straat is binnengegaan. Daarnaast zijn er diverse telefoongesprekken geweest tussen de verdachte en een man genaamd H, welke gesprekken betrekking zouden kunnen hebben op werkzaamheden ten behoeve van een hennepplantage. Met betrekking tot het pand op de M-straat, dat eigendom is van de verdachte, is gebleken dat de verdachte rollen isolatiemateriaal naar dit pand heeft vervoerd en dat in opdracht van de verdachte in het pand diverse werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Echter, naar het oordeel van de rechtbank vormen deze aanwijzingen – zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien – onvoldoende direct en redengevend bewijs voor het ten laste gelegde feit. Immers, uit de aanwezigheid van de verdachte bij beide genoemde panden vloeit nog niet voort dat hij degene is geweest die de aldaar aangetroffen hennepplantages heeft ingericht dan wel dat hij hierbij betrokken is geweest. Ook de door verdachte ondernomen activiteiten ten behoeve van zijn pand aan de M-straat levert dergelijk bewijs niet op, nu niet blijkt dat deze activiteiten zijn ondernomen ten behoeve van de aldaar aangetroffen hennepplantage en deze activiteiten voorts ook zeer wel voor andere, legale doeleinden zouden kunnen zijn aangewend. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting aangegeven dat de rollen isolatiemateriaal, waarmee hij bij dat pand is gezien, bedoeld waren ter isolatie van de woning. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat de persoon genaamd H, met wie de verdachte regelmatig telefoongesprekken heeft gevoerd, de bewoner van het pand op de B-straat betreft. Hoewel zulks door de betrokken politieambtenaren wordt aangenomen, heeft de rechtbank dit niet uit het dossier kunnen afleiden. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de verdachte dezelfde persoon is als de eigenaar van de telefoonwinkel met wie de bewoonster van het pand aan de B-straat contact heeft gehad over het opzetten van een hennepplantage.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de rechtbank overwogen dat van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht sprake is, indien tussen twee of meer personen een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad bestaat dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover er sprake is geweest van een samenwerkings-verband tussen [naam verdachte 3], [naam verdachte 2] en de verdachte dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, onvoldoende is gebleken van de duurzaamheid van dit samenwerkingsverband. De rechtbank acht de tijdspanne en de frequentie van de contacten tussen de verdachte en zijn beide broers hiervoor te kort.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 november 2005 tot en met 28 maart 2006 in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met een ander meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een grote hoeveelheid hennep en/of hashish, zijnde hennep en/of hashish (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van het bewijs heeft de rechtbank overwogen dat in diverse telefoongesprekken tussen de verdachte en zijn broer [naam verdachte 3] verhullend taalgebruik wordt gehanteerd.

Zo wordt op 9 december 2005 gesproken over de levering van 10 “plakken” en op 12 december 2005 over de verkoop van “zakken gras van 6 kilo en 618” voor “21 duizend en 110”.

De rechtbank acht het feiten van algemene bekendheid dat personen die in verdovende middelen handelen versluierd taalgebruik hanteren wanneer zij hierover met anderen spreken en dat de termen “plakken” en “gras” in de voornoemde context de verdovende middelen hashish respectievelijk hennep betreffen. Gelet hierop lag het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van de verdachte om een andere verklaring te geven voor de genoemde telefoongesprekken. Nu de verdachte een dergelijke verklaring niet heeft gegeven, acht de rechtbank aannemelijk dat deze gesprekken de verkoop en levering van de verdovende middelen hashish en hennep betreffen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

PM

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en dat een in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een hennepplantage, aan het verkeer zal worden onttrokken.

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit – met uitzondering van de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepplantage op de B-straat te Sittard – bepleit, alsmede van de onder 2 en 3 ten laste feiten.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft de rechtbank ten bezware van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoeveelheid verdovende middelen waarin hij heeft gehandeld niet gering is. Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor in de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. De rechtbank acht termen aanwezig om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie een lijst overgelegd met een in beslaggenomen voorwerp, te weten een hennepkwekerij. De rechtbank merkt op dat noch uit de lijst, noch uit de overige stukken in het dossier valt op te maken welke hennepkwekerij dit betreft en of deze onder de verdachte in beslag is genomen.

Desondanks zal de rechtbank de inbeslaggenomen hennepkwekerij onttrekken aan het verkeer. Immers, op grond van het bepaalde in artikel 36b en 36c van het Wetboek van Strafvordering kunnen in beslag genomen voorwerpen met betrekking tot welke een strafbaar feit is gepleegd worden onttrokken aan het verkeer, niettegenstaande een eventuele vrijspraak van de verdachte. Nu een hennepkwekerij – voor zover het de hennepplanten betreft – bestaat uit middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, stelt de rechtbank vast dat met betrekking tot deze hennepkwekerij een strafbaar feit als bedoeld in artikel 3, sub B van de Opiumwet is gepleegd. Op grond van het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet zal deze hennepplantage moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart de dagvaarding nietig voor wat betreft de term "onder meer" in het

onder 1 ten laste gelegde;

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 maanden;

- beveelt dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot drie maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

20300107803 1a 1.00 STK Hennepkwekerij

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. J.P.M. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Zuiderbaan, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2006, zijnde mr. J.P.M. Schwillens buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.