Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY5757

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-07-2006
Datum publicatie
08-08-2006
Zaaknummer
03-700150-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer alsmede op noodweerexces. Van putatief noodweer is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, wegens doodslag. Daarbij is o.a. rekening gehouden met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed bij de nabestaanden van het slachtoffer teweeg heeft gebracht en het gegeven dat verdachte zich met een geladen vuurwapen tijdens carnaval in drukke café’s heeft begeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700150-06

Datum uitspraak: 18 juli 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 juli 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid – Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 28 februari 2006 in de gemeente Brunssum, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd op het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 28 februari 2006 in de gemeente Brunssum, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) met een vuurwapen (een) kogel(s) afgevuurd op het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij, verdachte, op 28 februari 2006 in de gemeente Brunssum, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij toen aldaar met dat opzet, meermalen met een vuurwapen een kogel afgevuurd op het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

Primair:

doodslag

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, met noodweerexces, dan wel uit putatief noodweer.

Dienaangaande overweegt de rechtbank allereerst dat van noodweer sprake is indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding – waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Een dergelijke dreigende situatie die verdachte tot verdediging noopte, deed zich echter naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Weliswaar is komen vast te staan dat het latere slachtoffer [naam slachtoffer] en verdachte in de nacht van 27 op 28 februari 2006 in café het [M] onenigheid hebben gehad en dat [naam slachtoffer], nadat verdachte later die nacht korte tijd na [naam slachtoffer] het café had verlaten, in de richting van verdachte is gelopen en vlak voor deze is gestopt. Volgens verschillende getuigen ontstond vervolgens (wederom) een woordenwisseling tussen beiden en zou [naam slachtoffer] op een zeker moment gezegd hebben ‘ich erschiesse dich’, waarna verdachte op [naam slachtoffer] schoot en deze dodelijk trof. Zelfs indien ervan moet worden uitgegaan dat [naam slachtoffer] de woorden ‘ich erschiesse dich’ heeft geroepen, moet evenzeer uit de getuigenverklaringen worden geconcludeerd dat van enig fysiek geweld van [naam slachtoffer] tegen verdachte op dat moment geen sprake was. Evenmin bieden die verklaringen en de gedragingen van de omstanders aanleiding om aan te nemen dat er een situatie was ontstaan die redelijkerwijze deed vrezen dat [naam slachtoffer] op het punt stond fysiek geweld tegen verdachte uit te oefenen of zelfs de geuite dreigende woorden in praktijk te brengen. Dienaangaande is mede van belang dat geen van de getuigen verklaard heeft over een beweging van [naam slachtoffer] die door de verdachte redelijkerwijs had kunnen worden opgevat als een greep naar een wapen. Dit in tegenstelling tot verdachte, die over een dergelijke beweging overigens pas ter terechtzitting heeft verklaard.

De rechtbank verwerpt op grond van het voorgaande, bij gebreke van een noodweersituatie, het beroep op noodweer alsmede op noodweerexces. Van putatief noodweer is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake, nu, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verdachte niet redelijkerwijze heeft kunnen veronderstellen dat [naam slachtoffer] op het punt stond om op hem te schieten of anderszins vergaand geweld tegen hem uit te oefenen.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft ter terechtzitting, met inachtneming van het bovenstaande, eveneens aangevoerd dat verdachte ter zake het onder primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en als uiterst subsidiair het verweer gevoerd dat de gevorderde straf te hoog is.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed bij de nabestaanden van [naam slachtoffer] teweeg heeft gebracht;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is;

- het gegeven dat verdachte zich met een geladen vuurwapen tijdens carnaval in drukke café’s heeft begeven.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene),

[naam benadeelde], zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [naam benadeelde], voor zover deze vordering niet betrekking heeft op een vergoeding ter zake begrafeniskosten en immateriële schade, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [naam benadeelde], door het hiervoor onder primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van

€ 3275,40 (betreft aldus de posten begrafeniskosten en immateriële schade) en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor onder primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [naam benadeelde], aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZEVEN jaren;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [naam en adres benadeelde], te betalen een bedrag van € 3275,40 (drieduizendtweehonderdvijfenzeventig euro en veertig eurocent), zijnde de posten begrafeniskosten en immateriële schade;

- bepaalt dat de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [adres benadeelde] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij de nabestaanden van

[naam slachtoffer] (overledene) in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene), [adres benadeelde], te betalen een bedrag van € 3275,40 (drieduizendtweehonderdvijfenzeventig euro en veertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 65 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene) voormeld bedrag van € 3275,40 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 3275,40 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij de nabestaanden van [naam slachtoffer] (overledene) komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en mr. Th.M.C.J. Schalken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.H. Simonis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2006, zijnde mr. Th.M.C.J. Schalken buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.