Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY5695

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-07-2006
Datum publicatie
07-08-2006
Zaaknummer
03-700653-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In algemene zin merkt de rechtbank op, dat zij - naar algemene ervaringsregels - tot uitgangspunt neemt, dat getraumatiseerde slachtoffers van zedendelicten niet altijd consistent en in chronologische volgorde verklaren. Aan de geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen zou juist getwijfeld kunnen worden indien slachtoffers van zedendelicten tijdens verhoren op verschillende tijdstippen en plaatsen telkens tot in detail dezelfde verklaring afleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700653-05

Datum uitspraak: 5 juli 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - HvB Overmaze, Willem Alexanderweg 21 te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 september 2005 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en/of hebbende verdachte, zijn, verdachtes, penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en)

en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd "als je niet meewerkt pak ik je dochtertje. Ik heb het ook al met mijn nichtje gedaan en dat kan ik bij jou ook" en/of dat verdachte tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd dat als zij, [naam slachtoffer], meewerkte, dat hij, verdachte, dan haar dochtertje niets zou doen en haar,

[naam slachtoffer], ook geen pijn zou doen en/of dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer], stevig heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer] heeft ontdaan van al haar kleding en/of de deur heeft dichtgeduwd door welke deur die [naam slachtoffer] de ruimte wilde verlaten en/of die [naam slachtoffer] hardhandig op de bank heeft gedrukt/geduwd en/of die [naam slachtoffer] bij haar hoofd heeft gegrepen terwijl hij zijn, verdachtes, penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] duwde/bracht en/of haar

hoofd (hardhandig) op en neer heeft bewogen terwijl hij zijn, verdachtes, penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] had geduwd/gebracht en/of die [naam slachtoffer] heeft laten knielen en/of die [naam slachtoffer] heeft opgedragen zijn anus te kussen en (aldus) voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 25 september 2005 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [naam slachtoffer]), met kracht een hand op/tegen de borst heeft gedrukt/geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt dienaangaande, dat uit het verhoor van het slachtoffer bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, blijkt dat zij denkt dat de blauwe plek op haar borst niet is veroorzaakt door het duwen door de verdachte, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft mishandeld door met kracht een hand op/tegen haar borst te drukken/duwen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 september 2005 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, door geweld en bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en hebbende verdachte zijn penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd "als je niet meewerkt pak ik je dochtertje. Ik heb het ook al met mijn nichtje gedaan en dat kan ik bij jou ook" en dat verdachte tegen die [naam slachtoffer] heeft gezegd dat als zij, [naam slachtoffer], meewerkte, dat hij, verdachte, dan haar dochtertje niets zou doen en haar, [naam slachtoffer], ook geen pijn zou doen en dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer], stevig heeft vastgepakt en vastgehouden en dat hij, verdachte, die [naam slachtoffer] heeft ontdaan van al haar kleding en die [naam slachtoffer] hardhandig op de bank heeft gedrukt/geduwd en die [naam slachtoffer] bij haar hoofd heeft gegrepen terwijl hij zijn penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] duwde/bracht en haar hoofd op en neer heeft bewogen terwijl hij zijn penis in de mond van voornoemde [naam slachtoffer] had geduwd/gebracht en aldus voor die [naam slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bewijsverweren van de raadsman

De raadsman heeft – kort gezegd – als verweer gevoerd dat de verklaringen van het slachtoffer als onbetrouwbaar moeten worden beoordeeld en niet voor het bewijs mogen worden gebezigd en deze verklaringen bovendien een groot aantal tegenstrijdigheden bevatten. De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [M.] (opmerking griffier: pagina 89 en volgende).

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank mag aan het door de raadsman bedoelde proces-verbaal van bevindingen niet dezelfde status worden toegekend als aan de processen-verbaal van de verhoren van het slachtoffer door de politie en het proces-verbaal van verhoor van het slachtoffer bij de rechter-commissaris.

Immers, toen de verbalisant [M.] zich in de woning van het slachtoffer bevond, kort nadat [naam slachtoffer] slachtoffer was geworden van een ernstig strafbaar feit, was geen sprake van een verhoor met een vraag/antwoord-situatie waarin op chronologische wijze de verklaring van het slachtoffer wordt gerelateerd, maar veeleer van de opvang van een heftig geëmotioneerd slachtoffer. Naderhand zijn de bevindingen door de betreffende verbalisant gerelateerd in een proces-verbaal.

De raadsman heeft in zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota op de pagina’s 4, 5 en 6 een tiental punten weergegeven die naar de mening van de raadsman wijzen op tegenstrijdigheden in de verklaringen van het slachtoffer en daaraan de conclusie verbonden dat deze verklaringen door de rechtbank als onbetrouwbaar moeten worden beoordeeld.

In algemene zin merkt de rechtbank op, dat zij – naar algemene ervaringsregels - tot uitgangspunt neemt, dat getraumatiseerde slachtoffers van zedendelicten niet altijd consistent en in chronologische volgorde verklaren. Aan de geloofwaardigheid van afgelegde verklaringen zou juist getwijfeld kunnen worden indien slachtoffers van zedendelicten tijdens verhoren op verschillende tijdstippen en plaatsen telkens tot in detail dezelfde verklaring afleggen.

Voor zover onder de punten 1, 3, 4, 8, 9 en 10 sprake zou zijn van tegenstrijdigheden in de verklaringen van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel, dat deze niet relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de aangifte van het slachtoffer als betrouwbaar moet worden geoordeeld.

Ten aanzien van mogelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van het slachtoffer, zoals door de raadsman in zijn pleitnota is weergegeven onder de punten 2, 5, 6 en 7, is de rechtbank van oordeel, dat deze mogelijke tegenstrijdigheden voor de rechtbank geen reden zijn om integraal te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de door het slachtoffer afgelegde verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet van belang dat er geen sporen zijn aangetroffen die wijzen in de richting van verdachte. Immers: het vinden van, bijvoorbeeld, DNA-sporen van verdachte is niet een noodzakelijke voorwaarde voor het oordeel dat de verkrachting heeft plaatsgevonden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit en moet worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1: verkrachting.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. F. van Nunen, klinisch psycholoog, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 24 januari 2006, opgemaakt, welk rapport vermeldt als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit -indien bewezen- hem in licht verminderde tot verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de richtlijnen van de reclassering, ook indien zulks inhoudt het volgen van een behandeling.

De raadsman heeft ter zake van het ten laste gelegde onder 1 en 2 geconcludeerd tot vrijspraak.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft hierbij tevens rekening gehouden met hetgeen door drs. F. van Nunen, klinisch psycholoog, in het hierboven bedoelde rapport is opgemerkt ten aanzien van de persoon van de verdachte, namelijk, dat de verdachte in wezen een nog onrijpe, kinderlijke, afhankelijke, sociaal onhandige en verlegen jongen is, die zichzelf erg overschat en zich groter voordoet dan hij is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake een zedendelict is veroordeeld;

- de omstandigheid dat de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft geschonden, inbreuk heeft gemaakt op haar gevoelens van veiligheid en geborgenheid in haar eigen woning en de psychische nasleep voor het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [naam slachtoffer] zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Dit formulier is tijdig vóór het op 21 juni 2006 opnieuw aangevangen onderzoek ter terechtzitting ingediend.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] door het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 7.500,-- en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

De rechtbank overweegt in dit verband, dat uit de verklaring van de benadeelde partij ter terechtzitting en uit de schriftelijke stukken behorende bij de vordering blijkt, dat de benadeelde partij [naam slachtoffer] nog steeds onder behandeling is van psychische hulpverleners, zodat de rechtbank bij de toewijzing van de vordering zal bepalen dat het door haar gevorderde bedrag tot heden begroot wordt op € 7.500,--.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de hiervoor genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIERENTWINTIG maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot ZES maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook indien zulks inhoudt dat de veroordeelde zal deelnemen aan een behandeling bij de Forensische Polikliniek "De Grote Beek" te Eindhoven of een vergelijkbare gespecialiseerde instelling;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarde hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtofferen en adres], te betalen een bedrag tot heden begroot op € 7.500,-- (zevenduizendvijfhonderd euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer en adres] te betalen een bedrag van € 7.500,--

(zevenduizendvijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

hechtenis voor de duur van 150 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] voormeld bedrag van € 7.500,-- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 7.500,-- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. B.G.L. van der Aa, voorzitter, mr. P.E.C.M. Dahmen en mr. Th.J.M. Oostdijk, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juli 2006