Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY5433

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-07-2006
Datum publicatie
02-08-2006
Zaaknummer
03-700160-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank zal, in reactie op de geconstateerde ernstige schending van het huisrecht, naast de toepassing van bewijsuitsluiting, tevens de modaliteit van de voorgenomen, aan de verdachte op te leggen sanctie wijzigen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet
Opiumwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 263
NBSTRAF 2006/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700160-06

Datum uitspraak: 25 juli 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juli 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 7 maart 2006 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 21 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 1,36 kilo, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 9,12 kilo in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 11 gram en/of 62.736 pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA (=MDEA), zijnde heroïne, cocaïne, MDMA, en amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op of omstreeks 7 maart 2006 te Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 250 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hasjiesj en/of ongeveer 30 kilo, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

zij op 7 maart 2006 in de gemeente Maastricht aanwezig heeft gehad ongeveer 1 gram van een materiaal bevattende heroïne en ongeveer 1,36 kilo van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 9,12 kilo van een materiaal bevattende amfetamine en 11 gram en 62.736 pillen van een materiaal bevattende MDMA, zijnde heroïne, cocaïne, MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op 7 maart 2006 te Maastricht aanwezig heeft gehad ongeveer 24052 gram hasjiesj en 11 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting naar voren gebracht – zakelijk weergegeven – dat de woning van verdachte onrechtmatig is betreden omdat op het moment van betreden geen redelijk vermoeden kon bestaan dat in de woning een hennepplantage aanwezig was. Daarom moeten alle, als gevolg van het onrechtmatig betreden van de woning aangetroffen verdovende middelen bij de bewijslevering buiten beschouwing blijven, wat dient te resulteren in vrijspraak, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het onderzoek ter terechtzitting aan haar is gebleken van het navolgende:

Op 9 januari 2006 relateert een opsporingsambtenaar dat een stadswacht en een medewerker van de milieupolitie tegenover hem het vermoeden hebben geuit dat er op het adres [D.] te Maastricht een hennepplantage aanwezig is. Dit vermoeden van deze stadswacht en deze medewerker van de milieupolitie was ontstaan doordat de rolluiken van de woning al geruime tijd gesloten waren, met uitzondering van een raam op de tweede etage, dat steeds op een kier stond. De betreffende stadswacht is ter terechtzitting als getuige gehoord. De stadswacht heeft ter zitting verklaard, dat hij in de maand december 2005 heeft gezien dat er voor de woning [D.] wapeningsmatten voor beton lagen en dat hij de opsporingsambtenaar hiervan in kennis heeft gesteld. De stadswacht heeft verder ter terechtzitting verklaard dat hij eens heeft meegemaakt dat dergelijke betonwapeningsmatten bij een hennepplantage werden gebruikt om bloempotten in te plaatsen. De stadswacht heeft tenslotte verklaard nimmer iets aan de meergenoemde opsporingsambtenaar te hebben medegedeeld over metalen isolatiematten en het gebruik daarvan bij een hennepplantage.

Op 31 januari 2006 om 23.54 uur en op 3 maart 2006 om 00.15 uur is door een medewerker van Essent Netwerk B.V. een warmtemeting verricht op oppervlakte van de woning gelegen aan de [D.] te Maastricht. Deze meting is verricht naar aanleiding van bovenvermelde mededelingen van de stadswacht en een medewerker van de milieupolitie aan meergenoemde opsporingsambtenaar en niet nader aangeduide anonieme klachten uit de woonomgeving.

Ter zitting heeft deze medewerker van Essent Netwerk B.V. verklaard dat hij op het raam op de tweede etage aan de rechterzijde van de voorgevel van de woning aan de [D.] te Maastricht een temperatuur van respectievelijk 10 en 12,5 graden Celsius heeft gemeten.

Door een hulpofficier van justitie is op 6 maart 2006 een machtiging uitgeschreven voor het binnentreden van het perceel [D.] te Maastricht zonder toestemming van de bewoners, om op grond van artikel 9 van de Opiumwet hennepplanten, alsmede voor de kweek gebruikte apparatuur in beslag te nemen.

Zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte verslag zijn op 7 maart 2006 opsporingsambtenaren met gebruikmaking van deze machtiging binnengetreden in de woning [D.] te Maastricht.

[Y.] heeft bij binnenkomst van de verbalisanten aan hen verklaard dat er geen hennepplantage in de woning aanwezig was.

Eén van de opsporingsambtenaren is vervolgens naar de eerste dieping van de woning gegaan en heeft daar in een ruimte (de in het dossier met nummer 6 aangeduide ruimte) hasjiesj aangetroffen.

[Y.] heeft zich vervolgens tegenover deze opsporingsambtenaar bekend gemaakt als eigenaar van deze verdovende middelen.

Op een daartoe strekkende vraag heeft [Y.] verklaard dat zijn vrouw, genaamd [naam verdachte.], eigenaar van de woning is en dat hij geen bezwaar had tegen een doorzoeking van de woning.

[naam verdachte] heeft vervolgens eveneens toestemming gegeven en zij heeft deze toestemming vervolgens schriftelijk bevestigd.

Bij het daarop uitgevoerde onderzoek in de woning is vervolgens een grote hoeveelheid middelen, zoals aangeduid in lijst I en lijst II van de Opiumwet, aangetroffen.

Voor wat betreft de rechtmatigheid van het binnentreden en de vondst van de middelen moet de rechtbank allereerst stilstaan bij de vraag of er voldoende objectieve aanwijzingen waren dat de woning, gelegen aan het adres [D.] te Maastricht, een plaats was waar redelijkerwijze vermoed kon worden dat daar een overtreding van de Opiumwet werd gepleegd.

Van de beweerdelijke ontvangst van klachten uit de woonomgeving is klaarblijkelijk geen proces-verbaal of mutatie opgemaakt. Ten aanzien van deze klachten is daardoor geen enkel gegeven, zoals tijdstip, inhoud of herkomst, te verifiëren. De rechtbank zal daarom deze meldingen als objectieve aanwijzingen buiten beschouwing laten. Daarbij speelt mee dat de rechtbank niet uitsluit dat deze anonieme meldingen uit de woonomgeving hebben bestaan in de eerder aangehaalde meldingen van de stadswacht en van de – niet nader aangeduide - medewerker van de milieupolitie; gebleken is immers dat zij anoniem wensten te blijven.

In deze zaak heeft de hulpofficier van justitie kennelijk op grond van het door de stadswacht en de medewerker van de milieupolitie tegenover een opsporingsambtenaar geuite vermoeden dat er op het adres [D.] te Maastricht een hennepplantage aanwezig was, in combinatie met de resultaten van de op 31 januari 2006 en 3 maart 2006 uitgevoerde warmtemetingen, een machtiging tot binnentreden van deze woning afgegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de mededeling door de stadswacht en de medewerker van de milieupolitie, dat de rolluiken van de woning [D.] te Maastricht al geruime tijd gesloten waren, met uitzondering van het rolluik voor een raam op de tweede etage dat steeds op een kier stond en dat er in de maand december 2005 door de stadswacht was geconstateerd dat voor de woning [D.] te Maastricht betonwapeningsmatten lagen, objectief bezien geen redelijk vermoeden kan opleveren dat in deze woning een hennepplantage aanwezig is.

Voor wat betreft de uitgevoerde warmtemetingen heeft de rechtbank geconstateerd dat niet is na te gaan in welke verhouding de gemeten temperaturen stonden tot de temperaturen van belendende woningen, nu de temperaturen van deze belendende woningen niet zijn vastgelegd. Ook is niet na te gaan van welke aard de warmtebron is, welke bij de metingen op 31 januari 2006 respectievelijk 3 maart 2006 het verschil heeft veroorzaakt.

Ook bezien in samenhang met de resultaten van de hiervoor besproken warmtemetingen kan de mededeling door de stadswacht en de medewerker van de milieupolitie omtrent de

rolluiken van de woning [D.] te Maastricht, respectievelijk de constatering met betrekking tot de aanwezigheid van betonwapeningsmatten bij de woning, naar het oordeel van de rechtbank geen redelijk vermoeden opleveren dat op dat adres een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd. Onder de geschetste omstandigheden had een machtiging tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner in de door [Y.] en [naam verdachte] bewoonde woning niet mogen worden verstrekt.

De machtiging is door de opsporingsambtenaren gebruikt als basis voor het binnentreden in de woning [D.] te Maastricht. Op grond van wat hiervoor is overwogen kan de machtiging echter niet dienen tot legitimatie van het binnentreden zonder toestemming van de bewoner. Het binnentreden van de woning moet daarom als onrechtmatig worden beoordeeld en de onderzoeksresultaten, welke als rechtstreeks gevolg hiervan zijn verkregen – zijnde de in ruimte 6 aangetroffen verdovende middelen - moeten op grond hiervan van het bewijs worden uitgesloten. Dit betreft het bewijs van de aanwezigheid van de navolgende hoeveelheden:

212.456,4 gram hasjiesj,

4 gram cocaïne,

3 pillen van een materiaal bevattende MDMA en

41.370,9 gram hennep.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onderzoek in de woning dat heeft plaats gevonden nadat daartoe door [naam verdachte] toestemming was verleend, niet onrechtmatig is geweest; tot deze doorzoeking is door [naam verdachte] immers uitdrukkelijk toestemming verleend. De uit deze doorzoeking verkregen onderzoeksresultaten zijn niet als rechtstreeks gevolg van het eerdere onrechtmatig binnentreden door de opsporingsambtenaren verkregen en behoeven daarom niet van het bewijs te worden uitgesloten.

De rechtbank zal, in reactie op de geconstateerde ernstige schending van het huisrecht, naast de toepassing van voormelde bewijsuitsluiting, tevens de modaliteit van de voorgenomen, aan de verdachte op te leggen sanctie wijzigen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

feit 1:

handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2:

handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 zal worden veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit op grond van het feit dat het bewijs onrechtmatig is verkregen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde straf te hoog is, in aanmerking genomen het feit dat de verdachte geheel bezet is met haar werkkring in de horeca.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In reactie op de geconstateerde schending van het huisrecht zal de rechtbank – naast de hiervoor beschreven sanctie van bewijsuitsluiting – in de plaats van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis aan de verdachte geldboetes opleggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboetes heeft de rechtbank rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en

de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor onder 1 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 750,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van € 50,- per dag;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor onder 2 bewezenverklaarde tot een geldboete van € 750,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. F.C.B. van Wijmen, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2006, zijnde mr. F.C.B. van Wijmen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.