Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY4021

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
17-07-2006
Zaaknummer
03-700758-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte o.a. tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden en een werkstraf voor de duur van 240 uren, wegens het meermalen met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen en wegens het meermalen plegen van ontucht met zijn minderjarig kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700758-05

Datum uitspraak: 4 juli 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juni 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte]

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 1993 tot en met 13 mei 1999 in de gemeente Brunssum, meermalen, althans eenmaal (telkens) met [naam slachtoffer 1] (geboren 13 mei 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) ontuchtig betasten en/of vastpakken van de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 1] en/of uit het (telkens) ontuchtig wrijven over de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 1] en/of uit het (telkens) ontuchtig doen betasten en/of vastpakken (over de broek van hem, verdachte,) van de penis van hem, verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 13 mei 1993 tot en met 13 mei 1999 in de gemeente Brunssum meermalen, althans eenmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [naam slachtoffer 1], geboren op 13 mei 1988, immers heeft hij, verdachte, (telkens) ontuchtig de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 1] betast en/of vastgepakt en/of (telkens) ontuchtig over de vagina en/of borsten en/of

billen van die [naam slachtoffer 1] gewreven en/of (telkens) ontuchtig (over de broek van hem, verdachte,) de penis van hem, verdachte, doen betasten en/of vastpakken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 1994 tot en met 26 juli 1997 in de gemeente Brunssum, meermalen, althans eenmaal (telkens) met [naam slachtoffer 2] (geboren

26 juli 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) ontuchtig betasten en/of vastpakken van de vagina en/of borsten en/of billen van die van [naam slachtoffer 2] en/of uit het (telkens) ontuchtig wrijven over de vagina en/of borsten en/of billen van die van [naam slachtoffer 2] en/of uit het (telkens) ontuchtig doen betasten en/of doen vastpakken (over de broek van hem, verdachte,) van de penis van hem, verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 1994 tot en met 26 juli 1997 in de gemeente Brunssum meermalen, althans eenmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [naam slachtoffer 2], geboren op 26 juli 1988, immers heeft hij, verdachte, (telkens) ontuchtig de vagina en/of borsten en/of billen van die van [naam slachtoffer 2] betast en/of vastgepakt en/of (telkens) ontuchtig over de vagina en/of borsten en/of billen van die van [naam slachtoffer 2] gewreven en/of (telkens) ontuchtig (over de broek van hem, verdachte,) de penis van hem, verdachte, doen betasten en/of vastpakken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 1997 tot 20 mei 2001 in de gemeente Brunssum, meermalen, althans eenmaal (telkens) met [naam slachtoffer 3] (geboren op 20 mei 1989), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 3], hebbende verdachte (telkens) een of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [naam slachtoffer 3] geduwd/gebracht;

4.

hij in of omstreeks de periode van 20 mei 1994 tot en met 20 mei 2001 in de gemeente Brunssum meermalen althans eenmaal (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [naam slachtoffer 3], geboren op 20 mei 1989, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, (telkens) ontuchtig de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 3] heeft betast en/of vastgepakt en/of (telkens) ontuchtig over de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 3] heeft gewreven en/of in de vagina heeft geknepen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 13 mei 1993 tot en met 13 mei 1999 in de gemeente Brunssum meermalen met [naam slachtoffer 1] (geboren 13 mei 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig betasten en/of vastpakken van de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 1] en/of uit het ontuchtig wrijven over de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 1];

2.

hij in de periode van 26 juli 1994 tot en met 26 juli 1997 in de gemeente Brunssum meermalen met [naam slachtoffer 2] (geboren 26 juli 1988), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig betasten en/of vastpakken van de vagina en/of borsten en/of billen van die Van [naam slachtoffer 2] en/of uit het ontuchtig wrijven over de vagina en/of borsten en/of billen van die Van [naam slachtoffer 2];

3.

hij in de periode van 20 mei 1997 tot 20 mei 2001 in de gemeente Brunssum meermalen met [naam slachtoffer 3] (geboren op 20 mei 1989), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 3], hebbende verdachte een of meer van zijn vingers in de vagina van die [naam slachtoffer 3] geduwd/gebracht;

4.

hij in de periode van 20 mei 1994 tot en met 20 mei 2001 in de gemeente Brunssum meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [naam slachtoffer 3], geboren op 20 mei 1989, bestaande die ontucht hierin dat hij, verdachte, ontuchtig de vagina en/of borsten en/of billen van die [naam slachtoffer 3] heeft betast.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsvrouwe heeft zich op basis van de ontkenning door de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde niet heeft begaan, voor zover dit het betasten van de vagina van de respectievelijke slachtoffers betreft.

De rechtbank stelt, gelet op de inhoud van de zich in het dossier bevindende processen-verbaal, vast dat de verdachte ter zake wisselend heeft verklaard. Daar tegenover staan de eenduidige verklaringen van de beide slachtoffers in hun respectievelijke aangiften. De rechtbank acht dit aspect wettig en overtuigend bewezen op basis van deze aangiften én de verklaring van de verdachte dat hij de beide meisjes op een zelfde wijze heeft betast als zijn dochter, opgenomen in feit 4, en – in een later verhoor – de verklaring van de verdachte dat het zou kunnen zijn zoals de aangeefsters hebben gezegd.

Mutatis mutandis komt de rechtbank tot een zelfde oordeel ten aanzien van het binnendringen, zoals opgenomen in feit 3. Doorslaggevend acht de rechtbank dat het slachtoffer een spontane verklaring heeft afgelegd waarin zij gedetailleerd de betreffende handeling beschrijft.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 1 primair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

feit 2 primair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

feit 3:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 4:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd;

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouwe heeft bepleit dat het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde, alsmede het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen geacht kan worden. De raadsvrouwe heeft zich ter zake van het onder 4 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouwe heeft, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, gepleit tot oplegging aan verdachte van een werkstraf, welke straf verdachte bereid is te verrichten, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting rekening gehouden met de bijzondere ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juist normhandhaving, in het bijzonder de gedragingen die verdachte bij de zeer jeugdige slachtoffers heeft gepleegd.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden:

- dat verdachte ten tijde van deze feiten nog niet eerder was veroordeeld;

- dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken;

- dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte – gelet op de inhoud van het door de Reclassering Nederland omtrent verdachte opgemaakt voorlichtingsrapport d.d. 12 januari 2006 – inmiddels ten gunste gewijzigd zijn, daar uit dit rapport blijkt dat verdachte in het afgelopen jaar deelgenomen heeft aan een behandeling ter voorkoming van recidive en dat hij deze behandeling intussen ook heeft afgerond.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d.10 augustus 2004, gewezen in de zaak met het parketnummer 03/005669-03, is veroordeeld tot straf en dat verdachte nu opnieuw is schuldig verklaard aan strafbare feiten die voor die datum zijn gepleegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 63, 244, 247 (oud: geldend van 1-12-1991 tot en met 30-9-2000) en 249, alsmede de artikelen 249 (oud: geldend van 1-12-1997 tot en met 31-12-1998) en 249 (oud: geldend van 1-12-1991 tot en met 30-11-1997) van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij:

1. [naam slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1],

2. [naam slachtoffer 2], wonende te [adres slachtoffer 2], en

3. [naam slachtoffer 3], wonende te [adres slachtoffer 3],

zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar als voorschot gevorderde bedrag van € 2180,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en nu aan de verdachte ter zake van dat feit straffen zullen worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting verder is komen vast te staan dat aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 2] door het hiervoor onder 2 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar als voorschot gevorderde bedrag van € 2680,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en nu aan de verdachte ter zake van dat feit straffen zullen worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting verder is komen vast te staan dat aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 3] door de hiervoor onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar als voorschot gevorderde bedrag van € 4480,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, en nu aan de verdachte ter zake van die feiten straffen zullen worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu verdachte ter zake van de hiervoor onder 1 primair, onder 2 primair respectievelijk onder 3 en 4 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partijen [naam slachtoffer 1], [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 3] aansprakelijk is voor de schade die door die strafbare feiten is toegebracht, heeft de rechtbank tevens tot het opleggen van nader te noemen maatregelen besloten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en onder 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

- beveelt, dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], wonende te [adres slachtoffer 1], als voorschot te betalen een bedrag van 2180,87 Euro, vermeerderd met de wettelijke rente van 14 mei 1999 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam slachtoffer 1], wonende te[adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag van 2180,87 Euro (tweeduizendhonderdtachtig Euro en zevenentachtig centen), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1], voornoemd, voormeld bedrag van 2180,87 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van 2180,87 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 1] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], wonende te[adres slachtoffer 2],

als voorschot te betalen een bedrag van 2680,67 Euro, vermeerderd met de wettelijke rente van 27 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 2] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[naam slachtoffer 2], wonende te [adres slachtoffer 2], te betalen een bedrag van 2680,67 Euro (tweeduizendzeshonderdtachtig Euro en zevenenzestig centen), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 53 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2], voornoemd, voormeld bedrag van 2680,67 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van 2680,67 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 2] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3], wonende te [adres slachtoffer 3], als voorschot te betalen een bedrag van 4480,67 Euro, vermeerderd met de wettelijke rente van 21 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer 3], wonende te [adres slachtoffer 3], te betalen een bedrag van 4480,67 Euro (vierduizendvierhonderdtachtig Euro en zevenenzestig centen), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 89 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 3], voornoemd, voormeld bedrag van 4480,67 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van 4480,67 Euro heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan genoemde benadeelde partij [naam slachtoffer 3] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Vluggen, voorzitter, mr. Van Leeuwen en mr. Hillen, rechters, in tegenwoordigheid van Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juli 2006, zijnde mr. Van Leeuwen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.