Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY3950

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
AWB 04 / 2224 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvolledig onderzoek naar WAO-uitkeringen toepassing van verkeerde norm (art.21 WWB) leiden tot vernietiging van besluit inzake de langdurige toeslag ex 36 WWB

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 2224 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser]

wonende te Maastricht, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Domein Sociale en Culturele Zaken, onderdeel Sociale Zaken),

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 16 november 2004

Kenmerk: 100000871

Behandeling ter zitting: 10 mei 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 november 2004 heeft ver-weerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 7 oktober 2004 tegen een door verweer-der genomen besluit van 29 september 2004, waarbij zijn aanvraag om een langdurigheids-toeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 december 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht. Bij brief van 24 januari 2005 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 5 mei 2006 zijn vanwege eiser nadere stukken ingediend ter zake van zijn inkomenspositie in het jaar 2004.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 10 mei 2006, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.M.G. Crompvoets, kantoorgenoot van mr. Wudka. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer H.M. Pluymaeckers

2. Overwegingen

De rechtbank stelt voorop dat de stukken die zijn ingediend op 5 mei 2006 binnen de termijn die artikel 8:58 Awb stelt door de rechtbank zijn ontvangen. De rechtbank zal deze stukken zo nodig wel in de beoordeling betrekken, nu verweerder ter zitting heeft aangegeven zich daartegen niet te verzetten.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of verweerder terecht en op goede grond de aanvraag van 17 mei 2004, waar-bij werd verzocht om een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 WWB heeft afge-wezen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De volgende bepaling is naar het oordeel van de rechtbank relevant.

Artikel 36 lid 1 en 4 WWB

1. Het college verleent op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

[…]

4. In afwijking van het eerste lid verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder:

a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsonge-schiktheidsvoorziening jonggehandicapten, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van tenminste 80 procent;

b. voor wie bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is afgezien van het arbeidsdeskundig onderzoek, en;

c. die voldoet aan het eerste lid, onderdelen a, b, voorzover het inkomsten uit arbeid betreft, c, en d.

[…]

In de bestreden beslissing heeft verweerder eisers verzoek om een langdurigheidsuitkering afgewezen op grond van artikel 36 lid 4 sub c WWB juncto artikel 36 lid 1 sub a WWB. In de vier maanden voorafgaand aan de aanvraag heeft eisers netto-inkomen immers boven de toepasselijke bijstandsnorm gelegen.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat:

- het doel en strekking van artikel 36 WWB is om langdurige minima een extra financiële tegemoetkoming te geven in het kader van de armoedebestrijding;

- eiser precies past in het plaatje van artikel 36 WWB, omdat hij een WAO-uitkering ont-vangt naar de mate van 80-100% en zich op geruime afstand van de arbeidsmarkt bevindt;

- dat eisers netto-inkomen weliswaar € 1,20 boven de norm ligt, maar dat verweerder een te strikte interpretatie van artikel 36 WWB hanteert;

- dat verweerder geen oog heeft gehad voor de bijzondere omstandigheden waarin eiser door zijn medische toestand verkeert;

- dat eiser in voorkomend geval wel in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.

De in artikel 36 lid 4 WWB gestelde voorwaarden zijn cumulatief van aard. Het karakter van de uitzondering die het vierde lid op artikel 36 lid 1 WWB mogelijk maakt laat voorts geen nadere uitzonderingen toe.

Niet betwist is dat eiser een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, omdat hij is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% (sub a). Niet is gebleken echter dat in eisers geval is afgezien van een arbeidskundige beoordeling bij de laatste herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid (sub b). Partijen hebben daaromtrent tegenover de rechtbank desgevraagd immers geen uitsluitsel kunnen geven.

De rechtbank is gezien het bovenbeschreven karakter van het vierde lid van artikel 36 WWB van oordeel dat verweerder nu hij de beslissing mede baseert op genoemd artikellid ten on-rechte geen onderzoek heeft ingesteld naar de aard van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die eiser ontvangt, in het licht van artikel 36 lid 4 aanhef en sub b WWB.

De consequentie van dit oordeel dient te zijn dat de afwijzing niet gelegen kan zijn in het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 4 WWB en de rechtbank dient derhalve te onderzoeken of de afwijzingsgrond die is gelegen in artikel 36 lid 1 aanhef en sub a WWB voldoende is om het besluit te dragen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uitgaande van de norm van €1103,34 in de periode tot 1 april 2004 en de norm van €1103,02 tot 17 mei 2004 eiser met zijn uitkering respectievelijk €2,09 per maand en €1,20 boven deze norm uitkwam.

De rechtbank stelt vast dat van de zijde van eiser op zich niet bestreden is dat het netto-inkomen van eiser in de maanden januari tot en met maart 2004 €2,09 en €1,20 boven die norm lag. De rechtbank ziet zich echter voor de vraag gesteld of verweerder de juiste norm hanteert.

Naar het oordeel van de rechtbank is de volgende bepaling van belang, zoals die luidde ten tijde van de datum in geding, 17 mei 2004.

Artikel 21 WWB

Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is de norm per kalendermaand, indien het betreft:

a. een alleenstaande: € 567,79 [per 1 april 2004: € 578,11];

b. een alleenstaande ouder: € 794,90 [per 1 april 2004: € 809,35];

c. gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger zijn dan 65 jaar: € 1135,57 [per 1 april 2004: € 1.156,21].

De rechtbank merkt op dat de genoemde bedragen zijn gewijzigd bij de ministeriële regeling van 24 maart 2004 (Stcrt. 2004, 58) en in werking zijn getreden op 1 april 2004, de datum van publicatie van deze regeling in de Staatscourant.

De rechtbank stelt vast dat de door verweerder in de rapportage van 29 september 2004 (gedingstuk B-3) gehanteerde norm, die ten grondslag is gelegd aan het besluit, niet overeen komt met de wettelijke norm, zoals die is neergelegd in artikel 21 WWB.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het onderhavige beroep voor gegrond worden ge-houden, omdat verweerder geen toepassing heeft gegeven aan de juiste norm.

De in artikel 36 lid 1 WWB opgenomen voorwaarden zijn cumulatief van aard. Ten over-vloede overweegt de rechtbank derhalve dat van de zijde van eiser met de grieven dat het doel en strekking van artikel 36 WWB is om langdurige minima een extra financiële te-gemoetkoming te geven in het kader van de armoedebestrijding en dat eiser precies past in het plaatje van artikel 36 WWB, omdat hij een WAO-uitkering naar de mate van 80-100% en zich op geruime afstand van de arbeidsmarkt bevindt een onmiskenbaar beroep doet op het gelijkheidsbeginsel zoals dat is vastgelegd in onder meer artikel 26 van het Internationaal verdrag voor burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) en op de mogelijkheid voor verweer-der om te anticiperen op de aanstaande wetswijziging van artikel 36 lid 1 sub b WWB.

Omdat de rechtbank gezien bovenstaande overwegingen ter zake van de toepasselijke norm niet toekomt aan de beoordeling van deze grieven, geeft zij verweerder in overweging deze grieven in de heroverweging van de thans te vernietigen beslissing op bezwaar mee te nemen.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het beroep voor gegrond moet worden gehouden, omdat het besluit niet toereikend is gemotiveerd, en dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a, Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,= toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemid-deld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,= x 1 = € 644,=.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75 lid 2 Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. E.V.L. Heuts in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2006 door mr. Heuts voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Heuts

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 7 juli 2006

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.