Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AY3943

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
AWB 06 / 1428 WWB VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Controle observaties door een niet opsporingsbevoegd ambtenaar vormen een te geringe aanleiding voor een onaangekondigd huisbezoek.

Verweerder handelt voorts onzorgvuldig door niet bij verzoekster te verifieren waarom zij niet langer een WWB - uitkering wenst te ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 1428 WWB VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[verzoekster]

wonende te [woonplaats], verzoekster,

tegen

Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland,

gevestigd te Gulpen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 9 juni 2006

Kenmerk: 6131

Behandeling ter zitting: 30 juni 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 9 juni 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster beëindigd per 4 mei 2006.

Op 15 juni 2006 is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingekomen tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 30 juni 2006, waar verzoekster in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mevrouw M.T.P.P. Gijsens.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is ge-maakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan tref-fen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat, in afwijking van hetgeen in de brief van 21 juni 2006 is aangegeven, het verzoekschrift, dat immers in cc aan verweerder was gericht, als bezwaarschrift tegen het besluit van 9 juni 2006 zal worden aangemerkt en als zodanig in behandeling zal worden genomen. Daarmee is gegeven dat namens verzoekster bezwaar is gemaakt tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd en de rechtbank Maastricht bevoegd kan worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaak kennis te nemen.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor de betrokkene uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhou-ding tot het met dat besluit te dienen belang. In het kader van deze belangenafweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over het geschil in de hoofdzaak. Nu dit oordeel een voorlopig karakter heeft, is dit niet bindend in een mogelijke bodemprocedure.

De voorzieningenrechter is van oordeel, dat aan het vereiste van de spoedeisendheid is vol-daan, nu niet is gebleken dat verzoekster over enige bron van inkomsten uit of in verband met arbeid of uit vermogen beschikt om te voorzien in de noodzakelijke behoeften van het bestaan van haarzelf en haar 10-jarige dochter.

Ten aanzien van de rechtmatigheid van verweerders besluit overweegt de voorzieningen-rechter het volgende.

Bij besluit van 9 juni 2006 heeft verweerder verzoeksters uitkering beëindigd, omdat zij daartoe zelf een verzoek zou hebben gedaan tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 4 mei 2006.

Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat het evengenoemde huisbezoek diende om met verzoekster te spreken over het frequente verblijf van haar ex-echtgenoot, die in Eindhoven zou wonen, in Vaals. Bij het intakegesprek ten behoeve van de toekenning van de bijstandsuitkering, die per 1 maart 2006 plaatsvond, was verzoekster er immers op gewezen dat het verblijf van haar ex-echtgenoot bij haar en hun dochter eventueel consequenties zou kunnen hebben voor de toepasselijke bijstandsnorm. Voorts had de cliëntmanager van verzoekster, mevrouw mr. [X], op haar weg naar en van het front-office van verweerder te Vaals meermaals waargenomen dat de auto van de ex-echtgenoot nabij de woning van verzoekster was geparkeerd zowel ’s ochtends als rond het middaguur. Tijdens het huisbezoek van de cliëntmanager en een sociaal-rechercheur heeft verzoekster aan deze personen geweigerd medewerking te verlenen de woning te onderzoeken en heeft zij voorts aangegeven niet langer een uitkering te willen ontvangen vanwege verweerder.

Verzoekster heeft ter zitting verklaard zeer te zijn overvallen door het huisbezoek en zij geeft toe dat zij weigerde medewerking te verlenen aan het huisbezoek, omdat zij zeer boos was dat zij zo werd gecontroleerd, terwijl haar over die controlemogelijkheid nooit iets was me-degedeeld. Verzoekster geeft aan dat zij wel degelijk in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert en een uitkering nodig heeft om te kunnen voorzien in de behoeften van haarzelf en haar dochter. Voorts heeft verzoekster aangegeven dat zij diezelfde dag nog op het front-office te Vaals is geweest met haar dochter en haar ex-echtgenoot, maar dat niemand haar te woord heeft kunnen staan wegens andere afspraken.

Gehoord de bovengegeven toelichtingen en gezien het dossier overweegt de voorzieningen-rechter het volgende.

De cliëntmanager van verzoekster heeft geen opsporingsbevoegdheid, maar verricht desondanks controle-observaties. Waargenomen is dat de auto van de ex-echtgenoot op verschillende dagen bij de woning van verzoekster geparkeerd was. Door verzoekster is ook nooit ontkend dat haar ex-echtgenoot haar woning bezocht. Hij kwam op verzoek van zijn dochter en verrichtte klusjes in huis.

De gemachtigde van verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat deze observaties mogelijk waren omdat deze cliëntmanager langs het huis van verzoekster kwam telkens als zij zich naar en van het front-office te Vaals verplaatste. Voorts heeft zij verklaard dat op andere dagen niet is gecontroleerd door, bijvoorbeeld, de sociale recherche.

Op basis van deze observaties is aanleiding gezien om samen met de sociale recherche een huisbezoek uit te voeren naar de woon en leefsituatie van verzoekster. Tijdens dit huisbezoek heeft verzoekster een verklaring ondertekend dat zij niet langer een uitkering wenste te ontvangen.

Dezelfde middag heeft verzoekster zich tot verweerder gericht, zonder dat het tot een nader gesprek is gekomen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder, die op de hoogte was van het bezoek van verzoekster aan het front-office in de middag van 4 mei 2006, of verzoekster daarna nog een poging hebben gedaan om met elkaar in contact te treden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet systematisch uitgevoerde observaties van een niet opsporingsbevoegde ambtenaar wel een zeer magere aanleiding vormen voor een onaangekondigd huisbezoek in de ochtenduren ter controle van de woon- en leefomstandigheden. Tevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder, zorgvuldigheidshalve, was gehouden om zich ervan te vergewissen of de verklaring van verzoekster tijdens het huisbezoek dat zij afstand deed van het recht op uitkering, gelet op de omstandigheden waaronder de verklaring is afgelegd en ook gelet op de ingrijpende consequenties ervan, daadwerkelijk in overeenstemming was met hetgeen zij wilde. Dat geldt te meer nu bij verweerder bekend was dat verzoekster zich nog diezelfde middag naar het front-office had vervoegd in de kennelijke veronderstelling met haar cliëntmanager te kunnen spreken.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ook anderszins onzorgvuldig jegens verzoekster heeft gehandeld door meer dan een maand te nemen voor de beslissing dat eiseres op eigen verzoek niet meer in aanmerking komt voor een bijstanduitkering. Dit laatste klemt te meer nu niet alleen verzoekster, maar ook haar minderjarige dochter afhankelijk was van de kort daarvoor toegekende uitkering.

Een en ander leidt tot de conclusie, dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. Het besluit moet daarom in strijd worden geacht met de artikelen 3:2 van de Awb. Te verwachten valt dat het besluit in bezwaar niet zal worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter acht dan ook termen aanwezig het primaire besluit van 9 juni 2006 te schorsen en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen in voege als in het dictum van deze uitspraak te vermelden, aangezien onverwijlde spoed, gelet op de financiële belangen van verzoekster, dat vereist.

Op grond van de artikelen 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het primaire besluit van 9 juni 2006 wordt geschorst en dat aan verzoekster met ingang van 4 mei 2006 de bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande ouder betaalbaar wordt gesteld, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;

2. bepaalt dat aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,= wordt vergoed door de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland, te Gulpen.

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2006 door mr. Geisel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 4 juli 2006

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.