Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AX9313

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
26-06-2006
Zaaknummer
AWB 06 / 1279 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan de Hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat van de dienst Limburg als rechtsverkrijgende van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (verder te noemen: de vergunninghouder) op grond van artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) vergunning verleend ten behoeve van het realiseren van een vispassage in het rivierbed aan de linkeroever van de rivier de Maas tussen km 15 en km 16 in de gemeente Maastricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 1279 WET VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Arbra B.V.,

gevestigd te Bemelen, verzoekster,

tegen

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (Inspectie Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te Den Haag, verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 april 2006

Kenmerk: IVW/TeW/06U000110 (DLB 2006/4103)

Behandeling ter zitting: 9 juni 2006

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 10 april 2006 – verzonden 13 april 2006 – heeft verweerder aan de Hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat van de dienst Limburg als rechtsverkrijgende van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (verder te noemen: de vergunninghouder) op grond van artikel 2 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) vergunning verleend ten behoeve van het realiseren van een vispassage in het rivierbed aan de linkeroever van de rivier de Maas tussen km 15 en km 16 in de gemeente Maastricht.

Tegen dit besluit is namens verzoekster op 24 mei 2006 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij schrijven van gelijke datum heeft de gemachtigde van verzoekster zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster en aan vergunninghouder gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 9 juni 2006, alwaar namens verzoekster is verschenen ir. A.P. van der Boom, bijgestaan door mr. R.Ph.E.M. Cratsborn, advocaat te Meerssen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.D.M. Nauwen, senior inspecteur Unit Toelating en Continuering, en de heer H. van Wanrooij. Vergunninghouder is verschenen bij de heer R. Goossens, werkzaam bij Rijkswaterstaat van de dienst Limburg.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. De voorzieningenrechter is van oordeel – in tegenstelling tot verweerders standpunt – dat verzoekster kan worden aangemerkt als een belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Verzoekster heeft namelijk een vergunning aangevraagd voor een waterkrachtcentrale, welke gesitueerd is op hetzelfde perceel als waarop de vispassage in geding wordt gerealiseerd. Deze vergunningaanvraag van verzoekster is niet afgewezen door verweerder, maar is aangehouden, hetgeen betekent dat er nog een vergunningaanvraag loopt dat ziet op hetzelfde perceel. Uit dien hoofde acht de voorzieningenrechter dat verzoekster een rechtstreeks belang heeft bij het onderhavige bestreden besluit. Wie eigenaar is van het betreffende perceel, speelt naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rol.

Voorts acht de voorzieningenrechter de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond, aangezien vergunninghouder voornemens is om op korte termijn de vispassage te uit te voeren.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Bij brief van 14 oktober 2005 heeft vergunninghouder een aanvraag om vergunning ingediend voor het maken en behouden van werken ten behoeve van het realiseren van een vispassage in de gemeente Maastricht ter hoogte van de stuw van Borgharen.

Verweerder heeft de aanvraag en de ontwerp-beschikking vanaf 13 januari 2006 voor een periode van vier weken ter inzage gelegd en belanghebbenden de gelegenheid geboden gedurende deze periode hun zienswijzen naar voren te brengen. Door verzoekster is van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Op 10 april 2006 heeft verweerder daarop de thans bestreden vergunning voor het maken en behouden van een vispassage verleend onder voorschriften, die in deze vergunning zijn opgenomen. In dit besluit is verweerder ingegaan op de door verzoekster ingebrachte zienswijzen.

Verzoekster heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder, alsook de voorzieningenrechter van deze rechtbank doen verzoeken ter zake een voorlopige voorziening te treffen.

Ingevolge artikel 2, eerst lid, aanhef en onder a, van de Wbr is het verboden zonder vergunning van de Minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wbr, voor zover hier van belang, worden in deze wet onder waterstaatswerken onder meer bij het Rijk in beheer zijnde wateren verstaan.

De vispassage is geprojecteerd in het rivierbed in het onbedijkte gedeelte van de rivier de Maas, hetgeen inhoudt dat deze vispassage vergunningplichtig is als bedoeld in het hiervoor geciteerde artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbr.

In zijn beoordeling of vergunning kan worden verleend, hanteert verweerder een beleid dat is neergelegd in de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” van april 1997 (de beleidslijn), zoals bekendgemaakt in de Staatscourant van 1997, nr. 87. Het hierin neergelegde beleid is gericht op het scheppen van meer ruimte voor de rivier, het bieden van duurzame bescherming van mens en dier tegen overstroming bij hoogwater en het beperken van materiële schade, zulks door het handhaven van de beschikbare ruimte in het winterbed, het creëren van ruimte in de zin van vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier en beperking van schade door voor nieuwe activiteiten die in het winterbed kunnen worden toegestaan een bepaald beschermingsniveau aan te houden.

Conform de hoofdlijn van de beleidslijn worden alle nieuwe activiteiten, waaronder wijziging van bestaande activiteiten, in het winterbed van de grote rivieren getoetst, die zouden kunnen leiden tot:

- waterstandsverhoging in de huidige situatie, en/of;

- feitelijke belemmering voor toekomstige vergroting van de afvoercapaciteit, en/of;

- potentiële schade bij hoogwater.

Voor nieuwe ingrepen die wel tot bovengenoemde effect(en) zouden kunnen leiden, wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die op voorhand onlosmakelijk gebonden zijn aan het winterbed van de rivier (ja, mits) en overige activiteiten (nee, tenzij). Het “ja, mits”-criterium is van toepassing op riviergebonden activiteiten, het “nee, tenzij”-criterium op de overige activiteiten.

De riviergevonden activiteiten zijn limitatief opgenomen in de beleidslijn, waaronder – voor zover hier van belang – natuur in de uiterwaarden (of weerden); deze activiteit is toegestaan, mits wordt voldaan aan de nader in de beleidslijn gestelde voorwaarden. Zo moet de situering en uitvoering van de ingreep zodanig zijn dat de waterstandsverhoging en de belemmering voor de toekomstige verlaging zo gering mogelijk zijn, én dient er sprake te zijn van duurzame compensatie van resterende waterstandsverhogende effecten, én geldt een beschermingsniveau van 1:1250 voor potentiële schadegevallen.

Indien sprake is van een zogenoemde “nee, tenzij”-activiteit, wordt deze niet toegestaan, tenzij op basis van voorafgaand onderzoek wordt aangetoond dat sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, én de activiteit niet redelijkerwijs buiten het winterbed kan worden gerealiseerd, én de activiteit op de locatie geen feitelijke belemmering vormt om in de toekomst de afvoercapaciteit te vergroten.

Verzoekster heeft in bezwaar onder meer naar voren gebracht dat een vispassage niet valt onder de limitatieve opsomming van de categorie “ja-mits”-criterium. Verweerder heeft volgens verzoekster de vispassage ten onrechte gerangschikt onder “natuur in de uiterwaarden (of weerden)”.

De voorzieningenrechter kan verzoekster in haar standpunt volgen. De voorzieningenrechter is het met verzoekster eens dat het begrip “natuur” in de beleidslijn beperkt dient te worden uitgelegd, in die zin dat hieronder alleen maatregelen vallen die nodig zijn om de natuur te bevorderen in de uiterwaarden en weerden. Gebleken is dat de vispassage noodzakelijk is om de trekroute richting Ourthe mogelijk te maken voor trekvissen. Nergens in de beleidslijn valt af te leiden dat onder “natuur in de uiterwaarden (of weerden)” ook bedoeld wordt de natuurontwikkeling in de rivier. Verweerder heeft dan ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval het verkeerde toetsingskader gehanteerd. Niet het “ja, mits”-criterium, maar het “nee, tenzij”-criterium van de overige activiteiten had door verweerder moeten worden toegepast.

Reeds hierom komt het bestreden besluit van 10 april 2006 voor schorsing in aanmerking en kunnen de overige door verzoekster aangevoerde grieven buiten bespreking blijven.

De voorzieningenrechter merkt nog op – zij het in dit verband ten overvloede – dat bij het nemen van de beslissing op bezwaar verweerder rekening dient te houden met eerdere aanvragen die zien op hetzelfde gebied. Immers, indien verweerder dat niet zou doen, zouden de werkzaamheden waarvoor andere vergunningen zijn aangevraagd daardoor illusoir kunnen worden gemaakt.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die verzoekster in verband met de behandeling van het onderhavige verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De voorzieningenrechter kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 =

€ 644,--.

Op grond van de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat het primaire besluit van 10 april 2006 wordt geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

2. bepaalt dat aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,-- wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

3. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 644,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan verzoekster.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2006 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 23 juni 2006

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.