Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AX3105

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-05-2006
Datum publicatie
22-05-2006
Zaaknummer
AWB 03 / 451 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2007:BC0537
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, een woningbouwcorporatie, heeft een woningbouwproject in de gemeente Luik (B) uitgevoerd. Verweerder heeft bij besluit van 29 december 2003 aan de activiteiten van eiseres in Luik niet de status van experiment op grond van artikel 49 van het Besluit beheer sociale huursector (BBSH) gegeven, omdat – kort gezegd – het hier gaat om activiteiten buiten het rechtsgebied van de Woningwet en van het BBSH. Verder zijn de activiteiten van eiseres naar de mening van verweerder niet toegestaan in het kader van de circulaire MG-2001-04, de zogenaamde Buitenlandcirculaire.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het project in Luik terecht heeft geweigerd in het kader van voornoemde Buitenlandcirculaire. Eiseres kan geen beroep doen op de uitzonderingssituaties, die vermeld staan in deze circulaire.

Met betrekking tot de weigering om aan het bouwproject in Luik een experimenteerstatus als bedoeld in artikel 49 van het BBSH te geven, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het BBSH een regeling inhoudt voor de rol van toegelaten instellingen in het kader van de Nederlandse volkshuisvesting, maar uit deze regeling is niet af te leiden dat deze rol zich onder alle omstandigheden zou moeten beperken tot het grondgebied van Nederland. Vast staat dat eiseres door verweerder niet is toegestaan haar werkterrein buiten haar statutair werkgebied – te weten: buiten Nederland en in België – uit te breiden. Nu deze handelwijze van verweerder tot gevolg kan hebben dat eiseres wordt beperkt in de mogelijkheden om in het buitenland te investeren, is de rechtbank van oordeel dat deze beperking valt onder het toepassingsbereik van artikel 56 van het EG-verdrag dat een verbod inhoudt het vrije kapitaalverkeer te belemmeren. Het feit dat eiseres, als rechtspersoon naar burgerlijk recht, tevens een publieke taak verricht staat daar op zichzelf niet aan in de weg. Eiseres heeft het geld geleend aan haar Belgische dochteronderneming, die de betwiste bouwactiviteiten in België uitvoert met behulp van die geldlening. Deze directe investering in de vorm van deelneming in een onderneming valt naar dezerzijds oordeel onder het kapitaalverkeer.

Wel kan de uitoefening van voornoemde publieke taak onder omstandigheden meebrengen dat de inbreuk op het vrije kapitaalverkeer in het licht van de in artikel 58 van het EG-verdrag genoemde uitzonderingsgronden, dan wel op grond van de zogenaamde “rule of reason” gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de sociale huisvesting op zichzelf als een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 58 van het EG-verdrag kan worden beschouwd. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet voldoende heeft gemotiveerd waarom met de in het bestreden besluit besloten beperking van het vrije kapitaalverkeer tevens voldaan is aan de overige, in het kader van de toepassing van artikel 58 van het EG-verdrag te stellen eisen, te weten dat de maatregel noodzakelijk en proportioneel is. Het onvoorwaardelijke karakter van de in het bestreden besluit opgenomen beperkende maatregel op de vrijheid van het kapitaalverkeer moet in strijd worden geacht met artikel 56 van het EG-verdrag.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 70
Besluit beheer sociale-huursector
Besluit beheer sociale-huursector 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AA20060655 met annotatie van H.J. van Harten, J.H. Jans
JB 2006/205
JIN 2006/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 03 / 451 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Woningstichting Sint Servatius,

gevestigd te Maastricht, eiseres,

tegen

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer -Directoraat-Generaal Wonen- Directie IBS,

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 24 februari 2003 + 29 december 2003

Kenmerk: DGW/SR2003008209 + DGW/SR2003096315

Behandeling ter zitting: 10 januari 2006

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 24 februari 2003 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen zijn – verweerders – beslissing van 5 december 2002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze brief niet is gericht op rechtsgevolg.

Tegen dit besluit is namens eiseres tijdig beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift van 8 mei 2003. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

In de loop van de onderhavige procedure heeft verweerder bij besluit van 29 december 2003 het bestreden besluit gewijzigd.

Desgevraagd is van de kant van eiseres bij brief van 6 februari 2004 aan de rechtbank medegedeeld, dat dat besluit niet aan haar bezwaren tegemoet komt.

Het beroep wordt dan ook ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen dit nieuwe besluit.

Vervolgens is de onderhavige procedure – op verzoek van partijen – een lange periode aangehouden geweest vanwege het feit dat partijen geprobeerd hebben om tot een minnelijke oplossing te komen.

Bij schrijven van 23 december 2004 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank medegedeeld dat partijen in onderling overleg geen oplossing hebben kunnen bereiken over het principiële verschil van mening.

Verweerder heeft bij schrijven van 11 februari 2005 een tweede verweerschrift ingediend en aanvullende gedingstukken aan de rechtbank gestuurd.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres bij schrijven van 11 augustus 2005 de beschikking van de Europese Commissie van 31 mei 2005 met betrekking tot Staatssteun voor Publieke Diensten aan de rechtbank doen toekomen.

Bij schrijven van 6 december 2005 en 20 december 2005 heeft verweerder nog nadere stukken aan de rechtbank doen toekomen.

Van de zijde van eiseres zijn bij schrijven van 23 december 2005 nadere stukken in het geding gebracht.

De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn in kopie aan partijen gezonden.

De gedingstukken uit de zaak met registratienummer AWB 04/420 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd. Aan partijen is daarvan op 11 november 2005 kennisgegeven.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 10 januari 2006, alwaar eiseres is verschenen bij [de heer A] en [de heer B], bijgestaan door gemachtigde mr. M.R. de Boer, advocaat te Woerden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A.H.G. van Herwijnen, mevrouw mr. J.J. Kerssemakers, mevrouw mr. M.J.C. van Amerongen en mevrouw Dassen, allen werkzaam bij het Ministerie van verweerder. Tevens is verschenen de van de zijde van eiseres meegebrachte deskundige professor mr. P.J. Slot.

2. Overwegingen

Eiseres is een op grond van artikel 70 van de Woningwet toegelaten instelling (werkzaam in het belang van de volkshuisvesting).

Op 9 oktober 2000 heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (verder te noemen: de staatssecretaris) een werkbezoek gebracht aan de provincie Limburg. Tijdens dit werkbezoek is door de directeur van eiseres aandacht gevraagd voor een door eiseres voorgenomen grensoverschrijdend woningbouwproject in de gemeente Luik (België). Afgesproken is dat eiseres hierover in overleg zal treden met de Inspectie Volkshuisvesting Limburg en dat de staatssecretaris vervolgens via dit experiment zal beoordelen onder welke voorwaarden dergelijke activiteiten van corporaties mogelijk kunnen zijn.

Bij schrijven van 1 december 2000 heeft de staatssecretaris aan de wethouder van Volkshuisvesting van de gemeente Maastricht medegedeeld dat hij heeft ingestemd met het opstarten van dit pilotproject, dat volgens de staatssecretaris gericht moet zijn op het in beeld brengen van alle “ins en outs” van de voorgestelde activiteiten. De staatssecretaris heeft verder in deze brief gesteld dat hij het vanwege de vigerende regelgeving – die niet toestaat dat corporaties in het buitenland investeren – noodzakelijk heeft geacht een moment (go/no go) in te bouwen, waarop hij kan beoordelen in hoeverre hij, zonder onherstelbare gevolgen voor met name de corporatie, het ook concreet verder uitvoeren van het experiment kan toestaan.

Op 5 maart 2001 heeft de Inspectie Volkshuisvesting Limburg van eiseres een plan van aanpak ontvangen, genaamd “Euregionaal stedennetwerk en de rol van St. Servatius”, dat zich richt op de uitwerking van het pilotproject met betrekking tot de grensoverschrijdende woningbouw in Luik, met het verzoek het plan de experimentele status te verlenen.

Bij schrijven van 29 juni 2001 heeft de staatssecretaris aan eiseres medegedeeld dat hij de in het plan van aanpak aangekondigde haalbaarheidsstudie wilde afwachten alvorens te beslissen op het verzoek van eiseres.

Bij schrijven van 15 november 2001 heeft eiseres de projectbeschrijving van het eerste woningbouwproject in Luik aan de staatssecretaris doen toekomen.

Bij schrijven van 17 april 2002 is door eiseres nadere informatie verstrekt aan de staatssecretaris over de afspraken die tot dusver door eiseres in het onderhavige kader met een aantal partijen gemaakt zijn.

In de tussentijd heeft eiseres verzocht om goedkeuring tot wijziging van haar statuten. Het Centraal Fonds Volkshuisvesting heeft in deze kwestie positief geadviseerd met uitzondering van het deel van de statutenwijziging dat zag op de uitbreiding van het werkterrein buiten de landsgrenzen. Eiseres heeft daarop haar verzoek om statutenwijziging aangepast. Bij brief van 20 december 2002 heeft verweerder zijn goedkeuring hieraan verleend. Eiseres is uitsluitend bevoegd werkzaam te zijn in de gemeenten Eijsden, Gulpen-Wittem, Maastricht, Margraten, Meerssen, Vaals en Valkenburg aan de Geul.

Op 8 augustus 2002, 5 september 2002 en 8 oktober 2002 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen eiseres en medewerkers van verweerder naar aanleiding van het standpunt van de staatssecretaris dat eiseres geen buitenlandse activiteiten mag ondernemen.

Voornoemde gesprekken hebben tot resultaat gehad dat op 5 december 2002 aan eiseres is bericht dat verweerder niet kan instemmen met het verzoek van eiseres om woningen te mogen realiseren in Luik. Verweerder deelt tevens mede voornemens te zijn eiseres een aanwijzing te geven, zoals bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Besluit beheer sociale huursector (BBSH), indien eiseres haar verzoek om te bouwen in Luik handhaaft.

Tegen dit schrijven van 5 december 2002 heeft eiseres op 19 december 2002 bezwaar doen maken. In bezwaar is aangevoerd dat het besluit van 5 december 2002 in strijd is met Europese regelgeving, in het bijzonder de vrijheid van kapitaalverkeer geregeld in de artikelen 56 en volgende van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag). Eiseres is voorts van mening dat in het besluit van 5 december 2002 de relevante feiten onjuist en onvolledig zijn weergegeven en onvoldoende zijn meegewogen. Met name wordt volgens eiseres uit het oog verloren dat de staatssecretaris in het verleden in principe zijn toestemming heeft verleend voor het starten van het onderhavige pilotproject, en nog slechts toezicht wilde houden op de nadere uitwerking van deze pilot. Dit toezicht diende zich te concentreren op de juridische en financiële structuur teneinde te voorkomen dat er volkshuisvestingsgelden uit Nederland zouden verdwijnen in de vorm van onrendabele investeringen, aldus de staatssecretaris volgens eiseres. In het besluit van 5 december 2002 is dit standpunt van de staatssecretaris geheel buiten beschouwing gelaten en is volgens eiseres totaal niet aangegeven welke volkshuisvestingsbelangen zich tegen uitvoering van deze pilot zouden verzetten. Het besluit van 5 december 2002 is dan ook naar de mening van eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen.

Van de zijde van eiseres is tot slot in bezwaar aangevoerd dat eiseres, gelet op de uitlatingen van de staatssecretaris in het verleden, erop mocht vertrouwen dat de principiële vraag of de Woningwet en het BBSH dergelijke activiteiten toestaan, in beginsel in positieve zin voor eiseres zou worden beantwoord en dat eventuele bezwaren van verweerder uitsluitend betrekking zouden kunnen hebben op de uitwerking van het plan in de gekozen juridische en financiële structuur. In lijn daarmee mocht eiseres erop vertrouwen dat toepassing zou worden gegeven aan de circulaire MG-2001-04, betreffende het ondersteunen door toegelaten instellingen van projecten in het buitenland, dan wel aan artikel 49 van het BBSH, waarin de mogelijkheid is geopend een pilotproject te starten.

De bezwaren van eiseres tegen het schrijven van 5 december 2002 zijn op 24 februari 2003 door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat voornoemd schrijven geen besluit is in de zin van de Awb, maar slechts een voornemen tot een besluit, te weten het voornemen tot het geven van een aanwijzing waarin de activiteiten in Luik niet worden toegestaan met daaraan gekoppeld een sanctie.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 31 maart 2003 beroep doen instellen bij deze rechtbank. Van de zijde van eiseres is aangevoerd dat de mededeling van verweerder dat het project in Luik niet wordt toegestaan mede dient te worden opgevat als een afwijzing om toepassing te geven aan het verzoek om het project de status van experiment te verlenen op grond van artikel 49 van het BBSH. De afwijzing van het verzoek om toepassing te geven aan artikel

49 van het BBSH is volgens eiseres dan ook een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Eiseres geeft voorts aan een melding te hebben gedaan van buitenlandse activiteiten, als bedoeld in de circulaire MG-2001-04. De afkeuring van het project op grond van de circulaire is volgens eiseres eveneens een besluit in de zin van de Awb.

In het verweerschrift van 8 mei 2003 heeft de Directeur Juridische Zaken namens verweerder aangegeven het bij nader inzien eens te zijn met eiseres en dat verweerder de beslissing van 24 februari 2003 op dat onderdeel zal intrekken.

Op 18 juni 2003 is het besluit van 24 februari 2003 namens verweerder door de Directeur-generaal Wonen gedeeltelijk ingetrokken.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 29 december 2003 voornoemd intrekkingsbesluit van 18 juni 2003 voor zijn rekening genomen. Vervolgens is verweerder ingegaan op de twee bezwaren van eiseres. Met betrekking tot de grief van eiseres dat ten onrechte artikel

49 van het BBSH niet is toegepast, overweegt verweerder dat de activiteiten van eiseres in Luik niet de status van experiment op grond van artikel 49 van het BBSH kan worden gegeven, omdat – kort gezegd – het hier gaat om activiteiten buiten het rechtsgebied van de Woningwet en van het BBSH. Ten aanzien van het bezwaar van eiseres dat de activiteiten niet zijn toegestaan in het kader van de circulaire MG-2001-04, overweegt verweerder dat er in dit geval geen sprake is van institutionele versterking van de sociale sector in het buitenland dan wel van andere bijzondere redenen in de zin van voornoemde circulaire op grond waarvan eiseres een investeringsbijdrage moet doen ter versterking van de sociale huursector in Luik.

Bij brief van 6 februari 2004 heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat verweerder met het nieuwe besluit van 29 december 2003 niet aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen. Eiseres is de mening toegedaan dat het besluit van 29 december 2003 in beperkte mate ingaat op de door eiseres naar voren gebrachte bezwaren, zodat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en reeds om die reden niet in stand kan blijven. Eiseres blijft voorts van mening dat verweerders besluit in strijd is met de Europese regelgeving, meer in het bijzonder de bepalingen omtrent het vrij verkeer van kapitaal binnen de grenzen van de Europese Unie. Ook is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat onvoldoende aandacht is besteed aan de bijzondere omstandigheden van het geval. Daarnaast is eiseres de mening toegedaan dat aan gedragingen en uitlatingen van de (toenmalige) staatssecretaris het gerechtvaardigde vertrouwen mocht worden ontleend dat voor de voorgenomen activiteiten toestemming zou worden gegeven.

In zijn verweerschrift van 11 februari 2005 heeft verweerder opgemerkt dat inmiddels vast is komen te staan dat het project in Luik een renovatie- en nieuwbouw project betreft voor 88 huur- en koopwoningen.

Voor zover door eiseres is aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het EG-recht heeft verweerder vooropgesteld dat het bestreden besluit beoogt te voorkomen dat eiseres haar werkterrein buiten haar statutair werkgebied uitbreidt, anders dan volgens de procedure van en in overeenstemming met de beleidsregels van 20 maart 1998 en de MG 2001-4. Verweerder erkent dat deze handelwijze tot gevolg kan hebben dat eiseres wordt beperkt in haar mogelijkheden om in het buitenland te investeren. Verweerder stelt zich echter primair op het standpunt dat deze handelwijze niet onder het verbod van artikel 56 van EG-verdrag kan worden gebracht.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder erop gewezen dat de openbare (wettelijke) opdracht aan toegelaten instellingen, zoals eiseres, ziet op het bieden van huisvesting aan huishoudens die vanwege hun financiële positie of door andere omstandigheden geen of onvoldoende toegang hebben tot huisvesting op de vrije markt binnen Nederland. De activiteiten die uit deze openbare opdracht vootvloeien zijn nauwkeurig verwerkt in het BBSH. Alle aspecten van deze activiteiten blijven binnen de grenzen van Nederland. Verweerder wijst er voorts op dat iedere EU-lidstaat thans een eigen huisvestingsbeleid voert en vele instellingen zonder winstoogmerk kent die met subsidie lokaal taken op het gebied van de sociale huisvesting uitvoeren. Verweerder benadrukt dat het onderwerp ‘sociale huisvesting’ niet onder de bevoegdheid van de EG valt.

Naar het oordeel van verweerder zou het toestaan van werkzaamheden van toegelaten instellingen buiten Nederlands grondgebied voorts betekenen dat de Woningwet en het BBSH extra-territoriale werking krijgen.

Ook acht verweerder niet zonder belang dat het bouwen van sociale woningen in Luik erop neer kan komen dat sociale woningbouw in België gegarandeerd wordt met Nederlandse overheidsmiddelen. De lening van eiseres aan haar Belgische dochter houdt volgens verweerder een overdracht van overheidsmiddelen in die nooit marktconform kan zijn.

Indien de Nederlandse Staat in andere lidstaten gevestigde instellingen (ondernemingen) zou toelaten als ‘instellingen uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam’ zou dit naar het oordeel van verweerder bovendien neerkomen op een uitbreiding buiten het nationale grondgebied van een overheidsprerogatief; een uitbreiding waartegen de jurisprudentie van het HvJ EG zich zou verzetten.

Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat, in het geval artikel 56 EG wel toepassing vindt, het bestreden besluit niettemin in rechte dient te worden gehandhaafd omdat de inbreuk op het vrije kapitaalverkeer kan worden gerechtvaardigd met een beroep op in artikel 58 EG genoemde uitzonderingsgronden. Verweerder noemt in dit verband specifiek de openbare orde of het belang van de sociale huisvesting. Ook zou verweerder met succes een beroep kunnen doen op de in de jurisprudentie van het HvJ EG ontwikkelde ‘rule of reason’. Naar het oordeel van verweerder is de in het bestreden besluit besloten beperking van het vrije kapitaalverkeer voorts noodzakelijk te achten ter bescherming van de openbare orde, respectievelijk de sociale huisvesting en is de maatregel ook proportioneel om die doelen te bereiken. In het kader van de proportionaliteitstoets acht verweerder in het bijzonder de MG-circulaire 2001-04 van belang, die in beperkte mate in uitzonderingsgevallen buitenlandse investeringsbijdrage mogelijk maakt, waarbij voorzien wordt in preventief toezicht en de mogelijkheid van rechterlijke toetsing. Verder heeft verweerder betoogd dat de financiering van het in geding zijnde project neerkomt op een vorm van verboden staatssteun, zoals bedoeld in artikel 87 van het EG-verdrag.

Verweerder bestrijdt tenslotte dat het bestreden besluit een schending van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel zou inhouden.

Gelet op het voorgaande dient de rechtbank te beoordelen of verweerder eiseres in redelijkheid heeft kunnen weigeren voornoemd project Luik uit te voeren en aldus haar werkterrein buiten Nederland tot België uit te breiden.

De rechtbank stelt voorop dat, nu verweerder het bestreden besluit van 24 februari 2003 niet heeft gehandhaafd, het tegen dit besluit gerichte beroep niet-ontvankelijk moet worden verkaard. Van een belang van eiseres bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit is niet gebleken.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

De rechtbank merkt allereerst op dat uit de voorhanden zijnde gedingstukken is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden in Luik niet worden verricht door eiseres, maar door de Belgische dochtermaatschappij van eiseres, de CVBA genaamd “Société Immobilière Servatius Liège”.

Eiseres heeft ten behoeve van de uitvoering van de werkzaamheden aan haar dochtermaatschappij een geldlening verstrekt, onder – volgens eiseres – marktconforme voorwaarden. Ook bezit eiseres een aantal percelen grond met de intentie deze op termijn over te dragen aan haar dochtermaatschappij. Uit de door eiseres bij brief van 23 december 2005 overgelegde nadere stukken, alsook naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat inmiddels in december 2005 deze overdracht van de gronden heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het project in Luik terecht heeft geweigerd in het kader van voornoemde Buitenlandcirculaire. In deze circulaire worden bijdragen in natura, schenkingen en investeringsbijdragen genoemd. De bijdragen in natura en schenkingen zien op het verstrekken van kortstondige of eenmalige hulp bij herstel van huisvesting in noodgevallen of rampgebieden en incidentele ondersteuning van goede doelen in het buitenland. Hiervan is in casu geen sprake.

De investeringsbijdragen zijn alleen toegestaan, indien het Kabinet inzake huisvesting een internationale afspraak heeft gemaakt of indien er sprake is van een huisvestingsproject dat de aandacht heeft van het Ministerie van Ontwikkelingssamen-werking. De rechtbank is niet gebleken van een dergelijke internationale afspraak met Wallonië of aandacht van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking voor deze regio. Van de zijde van eiseres is een beroep gedaan op een Verdrag dat gesloten is op 28 maart 2002 tussen Nederland en het Franstalige deel van België, waarin is afgesproken om de samenwerking tussen de verdragsluitende partijen op een aantal terreinen – waaronder ruimtelijke ordening – te versterken. De rechtbank is gebleken dat het Verdrag pas op 16 december 2005 is goedgekeurd door de Staten-Generaal. De bepalingen van dit Verdrag zijn op 20 februari 2006 – en derhalve na de datum van de beslissing op bezwaar – in werking getreden. Een en ander betekent naar dezerzijds oordeel dat het Verdrag op de datum in geding nog niet gold en dus al bij voorbaat voor wat betreft de beoordeling van deze zaak buiten toepassing dient te blijven. Het beroep van eiseres op voornoemd Verdrag treft derhalve geen doel.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen beroep kan doen op de uitzonderingssituaties, die vermeld staan in de Buitenlandcirculaire MG-2001-04.

Ten aanzien van de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren aan het bouwproject in Luik een experimenteerstatus als bedoeld in artikel 49 van het BBSH te geven, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 49 van het BBSH is bepaald dat de Minister van het BBSH kan afwijken of afwijking daarvan kan toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het belang van de volkshuisvesting zijn. Naar verweerder ter zitting, desgevraagd door de rechtbank, nog eens heeft bevestigd, is verweerder van oordeel dat toepassing van deze bevoegdheid ten behoeve van eiseres niet aan de orde kan zijn, omdat de werking van deze bepaling zich niet tot het buitenland kan uitstrekken.

De rechtbank deelt dit standpunt niet. Weliswaar is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het BBSH een regeling inhoudt voor de rol van toegelaten instellingen in het kader van de Nederlandse volkshuisvesting, maar is uit deze regeling niet af te leiden dat deze rol zich onder alle omstandigheden zou moeten beperken tot het grondgebied van Nederland. Ware dat laatste het geval, dan zou er evenmin ruimte zijn voor toepassing van de hiervoor besproken Buitenlandcirculaire.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet toestaat dat eiseres haar werkterrein buiten haar statutair werkgebied – te weten: buiten Nederland en in België – uitbreidt. Nu deze handelwijze van verweerder tot gevolg kan hebben dat eiseres wordt beperkt in de mogelijkheden om in het buitenland te investeren, is de rechtbank, anders dan verweerder in zijn primaire standpunt heeft verwoord, van oordeel dat deze beperking valt onder het toepassingsbereik van artikel 56 van het EG-Verdrag dat een verbod inhoudt het vrije kapitaalverkeer te belemmeren. Het feit dat eiseres, als rechtspersoon naar burgerlijk recht, tevens een publieke taak verricht staat daar op zichzelf niet aan in de weg. Eiseres heeft geld geleend aan haar Belgische dochter-onderneming, die de betwiste bouwactiviteiten in België uitvoert met behulp van die geldlening. Deze directe investering in de vorm van deelneming in een onderneming valt naar dezerzijds oordeel onder het kapitaalverkeer.

Wel kan de uitoefening van voornoemde publieke taak onder omstandigheden meebrengen dat de inbreuk op het vrije kapitaalverkeer in het licht van de in artikel 58 van het EG-verdrag genoemde uitzonderingsgronden, dan wel op grond van voornoemde ‘rule of reason’ gerechtvaardigd is.

In artikel 58, eerste lid, van het EG-verdrag is – voor zover hier van belang – bepaald dat artikel 56 niets afdoet aan het recht van lidstaten om maatregelen te nemen die op grond van de openbare orde of veiligheid gerechtvaardigd zijn. Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een inbreuk op het vrije kapitaalverkeer in het geval van eiseres gerechtvaardigd wordt uit het oogpunt van het als belang van openbare orde aan te merken belang van de sociale huisvesting. De rechtbank is van oordeel dat het belang van de sociale huisvesting op zichzelf als een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 58 van het EG-verdrag kan worden beschouwd.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet voldoende heeft gemotiveerd waarom met de in het bestreden besluit besloten beperking van het vrije kapitaalverkeer tevens voldaan is aan de overige, in het kader van de toepassing van artikel 58 van het EG-verdrag te stellen eisen, te weten dat de maatregel noodzakelijk en proportioneel is. Zoals hiervoor al is overwogen, komt het bestreden besluit immers neer op een onvoorwaardelijk verbod aan eiseres in het buitenland te investeren.

Met betrekking tot het betoog van verweerder dat de investering van eiseres zou moeten worden aangemerkt als een vorm van (verkapte) staatssteun, overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat er in het geval van woningcorporaties sprake kan zijn van een voordeel dat door de overheid wordt gegeven of van compensaties voor een door de overheid opgelegde dienst van algemeen economisch belang. Voorts is de rechtbank gebleken dat de financiering van woningcorporaties in Nederland door de Europese Commissie onder de loep is genomen en dat verweerder thans doende is nieuwe regelgeving te maken, teneinde een onderscheid tussen de sociale en met de markt concurrerende activiteiten van de woningcorporaties te regelen. Deze nieuwe regelgeving moet voldoen aan de Europese wetgeving met betrekking tot de staatssteun. De nieuwe regeling zal er in de praktijk op neerkomen dat alleen de sociale activiteiten van de woningcorporaties met steun van de overheid mogen worden gefinancierd, omdat deze activiteiten als dienst van algemeen economisch belang kan worden beschouwd.

De rechtbank maakt uit de stukken op dat het complex van woningen dat in Luik waarop dit geding ziet, niet wordt gebouwd voor de sociaal zwakkeren in de Nederlandse of Belgische samenleving. Het project voorziet immers in de bouw en verkoop van koop- en huurwoningen in het hogere segment.

Nog daargelaten de vraag of het voorgaande zou neerkomen op door artikel 87 van het EG-verdrag verboden staatssteun – van de zijde van eiseres is betoogd dat deze vraag niet rechtstreeks door de rechtbank op de vraag naar de aanwezigheid van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 58 van het EG-verdrag mag worden betrokken – is de rechtbank van oordeel dat aan dit aspect in het onderhavige geval geen beslissende betekenis kan toekomen. Verweerder heeft zich immers uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat, ware het in geding zijn project geheel in Nederland uitgevoerd , hiervoor zonder meer toestemming zou zijn gegeven. Dit impliceert dat verweerder in het laatste geval geen verboden staatssteun aanwezig zou achten, terwijl er uit het oogpunt van de toepassing van artikel 87 van het EG-verdrag geen wezenlijk verschil tussen de beide onderscheiden situaties bestaat. De motivering van verweerder overtuigt dus niet.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in verband met het onvoorwaardelijke karakter van de daarin opgenomen beperkende maatregel op de vrijheid van het kapitaalverkeer, in strijd moet worden geacht met artikel 56 van het EG-verdrag. Het thans bestreden besluit van 29 december 2003 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EG heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: het Bpb).

De rechtbank kent ter zake 3 punten met elk een waarde van € 322,00 voor het indienen van twee beroepschriften en het verschijnen ter zitting. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, bepaald op zwaar (wegingsfactor 1½).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x € 322,00 x 1½ = € 1449,00.

Eiseres verzoekt voorts om vergoeding van de kosten van de door haar ingeschakelde deskundige prof. mr. P.J. Slot. Blijkens de ter zake door haar in het geding gebrachte rekening, bedragen die kosten in totaal € 16.242,30, waarbij een uurtarief wordt gehanteerd van € 400,00 (excl. 19% BTW).

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten onder artikel 1, eerste lid, onder b van het Bpb zijn onder te brengen. Het bedrag van die kosten wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb, bij welke bepaling voor het vaststellen van vorenbedoelde kosten wordt verwezen naar de Wet tarieven in strafzaken.

Ingevolge artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 geldt voor werkzaamheden van een deskundige als prof. mr. Slot voornoemd een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur.

Gelet op voornoemd tarief, alsmede gelet op het aantal uren dat prof. mr. Slot stelt te hebben gespendeerd aan het geven van bijstand aan eiseres (34 uur), komt het bedrag van de kosten van deze deskundige – in totaal – op € 2761,82.

Verder heeft eiseres verzocht om vergoeding van reis- en verblijfkosten à raison van € 60,00. Deze kosten komen echter niet voor vergoeding in aanmerking, omdat eiseres deze kosten niet inzichtelijk heeft gemaakt. Bovendien zijn de vertegenwoordigers van eiseres beiden woonachtig in en/of rondom Maastricht, terwijl de reis- en verblijfkosten van de gemachtigde van eiseres reeds zijn begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand.

Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 februari 2003 niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 29 december 2003 gegrond en vernietigt dit bestreden besluit;

3. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

4. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 wordt vergoed door de Staat der Nederlanden;

5. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 4210,82 (waarvan € 1449,00 wegens de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan eiseres;

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens, voorzitter, mr. R.E. Bakker en mr. R.J.G.H. Seerden, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2006 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 19 mei 2006

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.