Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AW6893

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
03 / 1294 BESLU K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sloopvergunning onder voorwaarden aan eiseres voor het afbreken van het aan eiseres in eigendom toebehorende kloostercomplex St. Ludwig te Vlodrop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 03 / 1294 BESLU K1

Inzake : Stichting Maharishi European Research University/Maharishi Vedic University, gevestigd te Vlodrop, eiseres,

tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, te Herkenbosch, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 30 september 2003,

kenmerk: 2003-9528.

Datum van behandeling ter zitting: 7 maart 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens eiseres heeft mr. J.L.M. Fruytier, advocaat te Amsterdam, op 14 november 2003 beroep ingesteld tegen het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit op de bezwaarschriften tegen een aan eiseres verleende vergunning onder toepassing van artikel 11 van de Monumentenwet voor de sloop van het gebouwencomplex St. Ludwig te Vlodrop.

Van de zijde van verweerder zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn in de gelegenheid als partij aan het geding deel te nemen:

- de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

- de Stichting Burgercomité St. Ludwig;

- de Heemkundevereniging Roerstreek;

- de Bond Heemschut;

- het Cuypersgenootschap.

Nadat de behandeling van het beroep op verzoek van eiseres en met instemming van de overige partijen was aangehouden voor het beproeven van een mediation heeft de rechtbank de behandeling weer aan de orde gesteld voor de zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 7 maart 2006. Namens eiseres zijn daar verschenen mr. J.B. de Jong, kantoorgenoot van mr. Fruytier voornoemd, en de heren Rieter en Wind. Namens verweerder is verschenen J.T.A. Wiegant. Namens de Staatssecretaris is door M.J. Sypkens Smit ter zitting het woord gevoerd en namens de overige derden-belanghebbenden door A.J.H. Op de Kamp.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank ziet thans geen redenen meer om, nu de eerdere poging tot mediation tussen eiseres en de staatssecretaris niet tot het door eiseres gewenste resultaat heeft geleid, het verzoek van eiseres in te willigen en de behandeling van het beroep verder aan te houden voor een nieuwe poging tot mediation, omdat duidelijk is dat de andere partijen daarin geen heil meer zien. Voor zover al sprake zou zijn van voortschrijdend inzicht, zoals (enkel) van de zijde van eiseres wordt gesteld, zou dat uitwerking moeten krijgen op de eerste plaats in nadere besluitvorming van de zijde van de staatssecretaris. Met name is echter ter zitting nogmaals duidelijk begrepen dat de Staatssecretaris vasthoudt aan plaatsing van het kloostercomplex St. Ludwig op de rijksmonumentenlijst, terwijl de inzet van eiseres juist was en is om dat ongedaan te maken. De rechtbank zal daarom overgaan tot beoordeling en beslissing van het geschil.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder ten derde male beslist op de bezwaarschriften van belanghebbenden tegen de vergunning die hij onder voorwaarden aan eiseres heeft verleend voor het afbreken van het aan haar in eigendom toebehorende kloostercomplex St. Ludwig te Vlodrop. Bij eerdere besluiten van 10 november 1999 en 13 november 2001 had verweerder deze bezwaren ongegrond verklaard, doch die beide besluiten hebben in rechte geen stand gehouden in procedures voor deze rechtbank en voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor een weergave van de verdere voorgeschiedenis verwijst de rechtbank naar de uitspraken in deze procedures en voor het rechterlijk oordeel over die twee eerdere besluiten in het bijzonder naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 12 september 2001, nr. 200004982/1, en van 2 juli 2003, nr. 200204048/1.

Verweerder heeft in de afweging van alle belangen voor dat besluit uiteindelijk als uitgangspunt genomen dat groot gewicht moet worden toegekend aan het behoud van het kloostercomplex als monument en aan het algemeen belang dat met het behoud is gediend, gelet op de aanwijzing als beschermd monument en de waardering daarvan. Eiseres heeft verweerder niet voldoende aannemelijk gemaakt dat niet zou kunnen worden voldaan aan de randvoorwaarden voor restauratie, renovatie, bestemming en exploitatie op een wijze die past bij het monument. Eiseres heeft verder onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom de toepassing en uitvoering van haar vedische leer op de locatie in Vlodrop alleen maar zou kunnen worden bereikt door afbraak van het kloostercomplex en waarom de middelen die eiseres beschikbaar heeft voor de voorgenomen nieuwbouw niet zouden kunnen worden aangewend om nieuwbouwplannen te realiseren met behoud van het klooster. Dat eiseres de locatie niet wenst op te geven, omdat die zich bij uitstek leent voor de activiteiten van de stichting is voor verweerder niet onbegrijpelijk, maar brengt voor eiseres wel een extra verantwoordelijkheid mee voor het onderzoeken van de mogelijkheden om aan haar wensen tegemoet te komen op een andere wijze dan door afbraak van het monument. Of de door anderen aangedragen alternatieven voor een bestemming van het monument realiteitswaarde hebben kan niet worden onderzocht doordat eiseres haar medewerking aan dat onderzoek weigert.

Eiseres heeft in beroep naar het oordeel van de rechtbank geen argumenten aangereikt op grond waarvan nu gezegd zou moeten worden, dat verweerder tot een onjuiste belangenafweging is gekomen of anderszins een besluit heeft genomen dat de rechterlijke toets niet zou kunnen doorstaan. Bij dat oordeel neemt de rechtbank in aanmerking hetgeen in de voorgaande procedures over de vereiste belangenafweging is overwogen en beslist en waarmee volgens de rechtbank in het nu bestreden besluit voldoende rekening is gehouden.

Wat er ook moge zijn van het door eiseres aangevoerde voortschrijdend inzicht, voor de beoordeling van het onderhavige besluit moet als een vaststaand gegeven gelden dat het klooster St. Ludwig een beschermde status heeft gekregen door plaatsing op de rijksmonumentenlijst en dat een beroepsprocedure tegen deze plaatsing niet is doorgezet zodat die nog steeds formele rechtskracht heeft. De nu weer tegen deze plaatsing aangevoerde argumenten laat de rechtbank in deze procedure dus onbesproken. De opstelling van eiseres in beroep geeft duidelijk en bij herhaling geen ruimte voor bespreking van alternatieven in gebruik en verbouwing, anders dan door gehele afbraak. In dat licht kan de rechtbank de uitkomst van verweerders belangenafweging niet onredelijk noemen.

Dat verweerder in rechte gehouden zou zijn tot het afgeven van een sloopvergunning, gelet op de voorgeschiedenis van besprekingen en onderhandelingen met de gemeente, kan de rechtbank niet onderschrijven, omdat zodanige conclusie nou juist geen recht zou doen aan de wettelijk vereiste belangenafweging, waaraan verweerder door de eerdere procedures moest worden gehouden en omdat verweerder daarmee de eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak met de voeten zou treden. Bovendien beroept eiseres zich daarbij voor een deel op besprekingen en toezeggingen die zouden stammen uit de tijd voordat het kloostercomplex op de monumentenlijst werd geplaatst. Door die plaatsing moeten die besprekingen en toezeggingen nou juist in een ander licht worden gezien.

De rechtbank beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken, in tegenwoordigheid van mr. M.J.H. van den Hombergh als griffier en in het openbaar uitgesproken op: 14 april 2006

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 18 april 2006

RV

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.