Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AW4498

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
01-05-2006
Zaaknummer
AWB 06/958 WRO V + AWB 06/959 WRO VV FEE
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht omdat verweerder weigert uitstelverzoek hoorzitting te honoreren? Overwogen wordt dat de hoorplicht niet zover strekt dat verweerder is gehouden om ieder uitstelverzoek te honoreren. Verweerder is immers ook gehouden het bezwaarschrift binnen de in de Awb gestelde termijnen af te handelen terwijl daarbij ook de belangen van andere partijen - in dit geval vergunninghoudster - in aanmerking genomen dienen te worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder een reële mogelijkheid heeft geboden om het bezwaarschrift tijdens een hoorzitting toe te lichten. Dat het niet tot een hoorzitting is gekomen, kan verweerder niet worden verweten. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting erkend dat deels niet is gereageerd op de door verweerder aangereikte data. De daarvoor door de gemachtigde gegeven verklaring dat er gedurende enige tijd geen bestuursrechtadvocaat op het kantoor werkzaam is geweest, maakt het voorgaande niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummers: AWB 06 / 958 WRO V + AWB 06 / 959 WRO VV FEE

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van deze wet

inzake

[naam verzoekster] hodn [naam bedrijf],

wonende te Maastricht, verzoekster,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Domein Stadsontwikkeling, Economie en Beheer),

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 maart 2006.

Kenmerk: SOG 04-1167 B.

Behandeling ter zitting: 26 april 2006.

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 21 maart 2006 (bekendgemaakt bij schrijven van 23 maart 2006) heeft verweerder een namens verzoekster op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bezwaarschrift tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 17 oktober 2005 (verzonden 18 oktober 2005) ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft verzoekster bij schrijven van 18 april 2006 beroep doen instellen bij deze rechtbank.

Bij schrijven van gelijke datum heeft de gemachtigde van verzoekster zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is de Stichting NJCH Beheer (hierna: vergunninghoudster), in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster alsmede aan vergunninghoudster gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 26 april 2006 alwaar verzoekster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. H.M.G. Duijsters, werkzaam ten kantore van verzoeksters gemachtigde, mr. F.G.F.M. Tripels, advocaat te Maastricht.

Voor verweerder zijn verschenen mw. mr. D.A. Nymeijer en mr. E.H.J. Verheijden, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

Voor vergunninghoudster is verschenen [naam], directeur.

2. Overwegingen

2.1 In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier relevant, is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter is zowel in de uitnodiging voor de zitting als ter zitting zelve uitdrukkelijk gewezen. Na kennisneming van de stukken en de behandeling van het verzoek ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De voorzieningenrechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

2.2 Bij het in rubriek I genoemde besluit van 17 oktober 2005 heeft verweerder, onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet verleend voor het wijzigen van de bestemming met betrekking tot het vestigen van een hostel en het verbouwen en uitbreiden van het pand op het perceel gelegen [adres], kadastraal bekend gemeente Maastricht, sectie E, nr. 2534.

Verzoekster heeft zich met dat besluit niet kunnen verenigen en zij heeft daartegen bij schrijven van 28 november 2005 een bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden doen indienen bij verweerder.

Bij schrijven van 27 december 2005 heeft de gemachtigde van verzoekster de gronden van bezwaar aangevuld.

Bij schrijven van 7 februari 2006 heeft verweerder de gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat de mogelijkheid bestaat om tijdens een op 2 maart 2006 te houden hoorzitting het bezwaar toe te lichten.

Enkele dagen voor 2 maart 2006 heeft de gemachtigde van verzoekster verweerder laten weten op 2 maart 2006 verhinderd te zijn. Daarbij is tevens aangegeven dat de gemachtigde in de regel geen bestuursrechtelijke belangen van zijn cliënten behartigt.

Op 2 maart 2006 zijn van de zijde van verweerder telefonisch mogelijke nieuwe data voor de hoorzitting aangeboden, te weten 9 maart om 10.30 uur of 10 maart om 9.00 uur danwel tussen 12.00 uur en 15.30 uur. Hierop is door de gemachtigde van verzoekster niet gereageerd.

Vervolgens is van de zijde van verweerder op 6 maart 2006 per email aangegeven dat de hoorzitting ook op 16 maart 2006 gehouden zou kunnen worden.

Bij schrijven van 7 maart 2006 heeft mr. Duijsters aan verweerder medegedeeld dat hij het dossier heeft overgenomen en dat hij op 16 maart 2006 verhinderd was. Mr. Duijsters heeft daarbij verzocht om een zo lang mogelijk uitstel, bij voorkeur tot eind april / begin mei 2006.

Bij schrijven van 20 maart 2006 (verzonden 21 maart 2006) is van de zijde van verweerder aan mr. Duijsters schriftelijk medegedeeld dat, gezien de belangen van de vergunning-houdster, aan dit verzoek niet tegemoet kan worden gekomen.

Verweerder heeft vervolgens op 23 maart 2006 het thans bestreden besluit genomen waarbij het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard en waarbij de vrijstelling en de bouwvergunning zijn gehandhaafd.

Verzoekster heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft daartegen bij schrijven van 18 april 2006 een beroepschrift bij deze rechtbank doen indienen. Daarnaast is de voorzieningenrechter op diezelfde datum verzocht om ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

In beroep heeft verzoekster - samengevat en zakelijk weergegeven - het navolgende naar voren gebracht:

- er is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding en strijd met het fair play-beginsel nu verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld om het bezwaar tijdens een hoorzitting toe te (doen) lichten;

- volgens verzoekster dateert het vrijstellingsverzoek van 6 april 2004 en had om die reden in plaats van een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO gevolgd moeten worden.

- verzoekster zal onevenredig grote concurrentie ondervinden van de vestiging van het hostel aan de Maasboulevard.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder terecht vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning heeft verleend voor het wijzigen van de bestemming met betrekking tot het vestigen van een hostel en het verbouwen en uitbreiden van het pand op het perceel gelegen [adres].

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Het perceel in kwestie is gelegen in het bestemmingsplan “Maas en Jeker”. Op het perceel rust de bestemming “gemengde doeleinden” met als subbestemming de horecafunctie “restaurant”. Het beoogde gebruik is in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan omdat dit plan voorziet in een uitbreiding en de uitbreiding wordt gerealiseerd buiten de op de bestemmingskaart C aangegeven “Hoofd-bebouwingsstructuur”, hetgeen niet is toegestaan.

De aanvraag bouwvergunning is blijkens de stukken middels een daartoe voorgeschreven formulier bij verweerder ingediend op 28 december 2004.

Op grond van het bepaalde in artikel 46, derde lid, tweede volzin, van de Woningwet dient een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in artikel 15, 17 of 19, van de WRO geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

Van de zijde van verweerder is ter zitting aangegeven dat voorafgaande aan de formele bouwaanvraag een initiatiefprocedure is gevoerd en dat in het kader van die initiatief-procedure ook om vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO is verzocht. Dat verzoek is nadien gewijzigd in een verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. In de initiatieffase is aan deze vrijstellingsverzoeken echter geen bijzondere betekenis toegekend.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 oktober 2004 (AB 2004, 401)) beslist dient te worden op een aanvraag om bouwvergunning, alsook op een beslissing op bezwaar onder toepassing van het recht zoals dat op dat moment geldt. Dit is slechts anders wanneer sprake is van een verslechtering van het planologisch kader tijdens de besluitvormingsprocedure.

In het kader van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, tweede volzin, van de WRO hebben gedeputeerde staten van Limburg op 13 juni 2004 een - nieuwe - lijst opgesteld van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bezwaar is vereist. Deze lijst is op 23 juli 2004 in werking getreden.

Op 14 juni 2005 hebben gedeputeerde staten voornoemde lijst wederom aangepast, welke wijziging is gepubliceerd op 23 juni 2005 en in werking getreden op 24 juni 2005. Bij laatstgenoemde wijziging is ook overgangsrecht opgenomen op grond waarvan ten tijde van de inwerkingtreding van de nieuwe lijst reeds in behandeling zijnde aanvragen afgehandeld worden op grond van de nieuwe lijst.

Op 25 oktober 2005 hebben gedeputeerde staten de lijst andermaal aangepast; deze versie van de lijst is op 11 november 2005 in werking getreden. Deze lijst bevat een identieke overgangsbepaling als de lijst van 14 juni 2005.

Nu in het onderhavige geval van een verslechtering van het planologisch kader geen sprake is, dient - gelet op het geen hiervoor is overwogen - uitgegaan te worden van de lijst zoals die op 25 oktober 2005 is vastgesteld.

In onderdeel A, lid 1, onder a en b, van deze lijst is bepaald dat artikel 19, tweede lid, van de WRO van toepassing is in geval van:

a. het bouwen van een of meerdere woningen, met daaraan inherente voorzieningen, binnen de op basis van het streekplan c.q. POL aangewezen contour om een woonkern dan wel bij het ontbreken van een dergelijke contour binnen het op de POL-kaart aangegeven ‘ bestaand stads- en dorpsgebied’, ‘stedelijk centrumgebied’ en ‘stedelijke bebouwing bestaand’; het project dient te passen binnen het goedgekeurde Regionaal Volkshuisvestingsplan (2002-2005) of daarvoor in de plaats te stellen toekomstige regionale woningbouwprogramma’s;

b. het bouwen van kantoren, winkels, horecabedrijven, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlenende bedrijven, categorie 1- en 2- bedrijven, consumentverzorgende en ambachtelijke bedrijven, met daaraan inherente voorzieningen, binnen de gebieden als bedoeld onder a.

Met de zinsnede “gebieden als bedoeld onder a” wordt bedoeld binnen de op basis van het streekplan c.q. POL aangewezen contour om een woonkern dan wel bij het ontbreken van een dergelijke contour binnen het op de POL-kaart aangegeven ‘bestaand stads- en dorpsgebied’, ‘stedelijk centrumgebied’ en ‘stedelijke bebouwing bestaand’. Niet gebleken is dat het perceel, waarop het bouwplan is gesitueerd, niet is gelegen binnen dit gebied.

Door de gemachtigde van verzoekster is ter zitting erkend dat gelet op die lijst vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO kan worden verleend.

Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter nog dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder meer in haar uitspraak van 26 oktober 2005 (LJN AU4971) heeft overwogen, als op grond van artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, vrijstelling uit hoofde van artikel 19, eerste lid, van de WRO niet aan de orde is.

De grief dat een vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO gevolgd had moeten worden, treft derhalve geen doel.

Met betrekking tot de grief van verzoekster dat zij ten onrechte niet op haar bezwaar is gehoord, overweegt de voorzieningenrechter dat de hoorplicht niet zover strekt dat verweerder is gehouden om ieder uitstelverzoek te honoreren. Verweerder is immers ook gehouden het bezwaarschrift binnen de in de Awb gestelde termijnen af te handelen terwijl daarbij ook de belangen van andere partijen - in dit geval vergunninghoudster - in aanmerking genomen dienen te worden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder een reële mogelijkheid heeft geboden om het bezwaarschrift tijdens een hoorzitting toe te lichten. Dat het niet tot een hoorzitting is gekomen, kan verweerder niet worden verweten. De gemachtigde van verzoekster heeft ter zitting erkend dat deels niet is gereageerd op de door verweerder aangereikte data. De daarvoor door de gemachtigde gegeven verklaring dat er gedurende enige tijd geen bestuursrechtadvocaat op het kantoor werkzaam is geweest, maakt het voorgaande niet anders.

Derhalve kan ook deze grief van verzoekster niet slagen.

Tot slot heeft verzoekster aangevoerd dat zij onevenredig grote concurrentie zal ondervinden van de vestiging van het hostel aan de Maasboulevard. Niet uitgesloten kan worden geacht dat verzoekster wellicht enige concurrentie zal ondervinden van de vestiging van het hostel aan de Maasboulevard. De enkele omstandigheid dat concurrenten (mogelijkerwijs) nadeel zullen ondervinden kan echter op zichzelf geen grond zijn voor weigering van de vrijstelling. Pas wanneer waarschijnlijk is dat die vestiging leidt tot een duurzame ontwrichting van het in het verzorgingsgebied aanwezige voorzieningenpatroon in de desbetreffende sector, komt de weigering van vrijstelling aan de orde. Zulks is namens verzoekster echter niet met zoveel woorden gesteld en in ieder geval niet met de resultaten van een onderzoek onderbouwd.

Derhalve dient ook deze grief te worden gepasseerd.

Gelet op het vorenstaande is het beroep van verzoekster ongegrond te achten. Ook hetgeen overigens namens verzoekster naar voren is gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden. Met name overweegt de voorzieningenrechter dat de overlast die eventueel wordt ondervonden bij de uitvoering van de bouwwerkzaamheden, niet kan leiden tot weigering van die bouwvergunning (en vrijstelling).

2.4 Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op de artikelen 8:70, 8:84 en 8:86 van de Awb, beslist als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2006.

w.g. E. Ferwerda w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 28 april 2006

LJN AW 4498

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.