Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AW3532

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
03-700866-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte gedagvaard wegens poging tot doodslag. Hij beroept zich op het bestaan van een noodwersituatie. De rechtbank is niet van oordeel dat er sprake is van noodweer of noodweerexces. Er is geen sprake van een schulduitsluitingsgrons,. Verdachte bevond zich immers niet eerst in een noodweersituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700866-05

Datum uitspraak: 19 april 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de P.I. Limburg Zuid – Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 26 december 2005 te Hoensbroek in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp, (telkens) in de buik van voornoemde [slachtoffer], in elk geval (telkens) in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 26 december 2005 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten inwendige bloedingen), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal opzettelijk (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in diens buik te steken, in elk geval (telkens) in diens lichaam te steken;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 26 december 2005 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp voornoemde [slachtoffer] (telkens) in diens buik heeft gestoken, in elk geval (telkens) in diens lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 26 december 2005 te Hoensbroek, in de gemeente Heerlen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal (telkens) met een mes, in elk geval (telkens) met een scherp en/of puntig voorwerp (telkens) in diens buik heeft gestoken, in elk geval (telkens) in diens lichaam heeft gestoken, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft betoogd dat er bij verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer bestond omdat hij het slachtoffer slechts van zich af wilde houden en dat overigens een en ander zo snel in zijn werk is gegaan dat verdachte niet meer heeft kunnen nadenken bij wat hij deed. Daarom is er ook geen sprake van bewuste aanvaarding van het aanmerkelijke risico dat het slachtoffer zou komen te overlijden. De rechtbank overweegt met betrekking tot deze verweren het volgende.

Bij de politie heeft verdachte verklaard: ”Ik was doodsbang voor die vent. Er ging op dat moment maar een ding in mij om en dat was dat ik [slachtoffer] een stap voor wilde zijn. Voor mijn gevoel was het op dat moment hij of ik” (pagina 042). Deze beweegreden van verdachte weerlegt de stellingen van zijn raadsman.

Zelfs zou de rechtbank hierin kunnen lezen dat verdachte het slachtoffer dood wilde, zodat van echt opzet sprake is. De rechtbank wil echter op grond van de verklaringen van verdachte ter zitting wel aannemen dat zijn opzet niet op de dood van het slachtoffer was gericht maar op afwending van de dreiging die hij klaarblijkelijk ervoer.

Wel stelt de rechtbank vast dat verdachte, in tegenstelling tot wat zijn raadsman stelt, de tijd heeft gehad om een afweging te maken en daarbij heeft gekozen voor het neutraliseren van de door hem ervaren dreiging, door met een vleesmes het slachtoffer in het lichaam te steken. Het aanmerkelijke risico dat het slachtoffer als gevolg van de steek met het vleesmes zou komen te overlijden heeft verdachte dus willens en wetens aanvaard.

De rechtbank acht dan ook opzet in voorwaardelijke zin aanwezig.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij, verdachte, op 26 december 2005 te Hoensbroek in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de buik van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

Ten aanzien van primair:

poging tot doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Vervolgens is door hem weliswaar buitensporig gereageerd maar dit handelen valt onder het begrip noodweer exces. Er is dus sprake van een schulduitsluitingsgrond. De rechtbank deelt deze mening niet en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kan er pas van noodweer exces sprake zijn indien de verdachte zich eerst in een noodweer situatie heeft bevonden. In dit verband heeft verdachte aangevoerd:

? - Eerder ben ik al eens bedreigd door het slachtoffer;

? - Een kennis van mij heeft mij herhaaldelijk gezegd dat het slachtoffer gevaarlijk is en altijd een pistool bij zich heeft;

? - Ik ben geld schuldig aan die kennis ter zake een weedtransactie;

? - Kort voor het voorval heeft die kennis mij gebeld over het geld waarna het slachtoffer het gesprek overnam en mij telefonisch bedreigde;

? - Direct na de telefonische bedreiging stonden hij en die kennis op de stoep;

? - Toen ik hen had binnengelaten liep ik tussen het slachtoffer en die kennis door en kreeg toen van het slachtoffer een tik tegen het achterhoofd. Die tik deed echter geen pijn;

? - Ik stond toen bij de bank in de kamer terwijl het slachtoffer en die kennis tussen mij en de uitgang uit de kamer stonden;

Deze gang van zaken wordt door het slachtoffer en de kennis bestreden. Echter, de rechtbank heeft zich eerst afgevraagd of er sprake zou zijn van een noodweersituatie als deze feitelijkheden juist zouden zijn. Zo neen, dan kan de vraag naar de juistheid ervan immers buiten beschouwing blijven.

Hetgeen verdachte heeft aangevoerd wettigt niet het oordeel dat van een noodweersituatie sprake was. Immers, van een zodanige aanranding dat men zich moet verdedigen is nog geen sprake en evenmin is er sprake van een zodanige dreiging dat men mag menen dat de aanranding zo meteen gaat beginnen.

In dit verband acht de rechtbank met name relevant dat:

? - verdachte, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, nimmer gewelddadig gedrag van het slachtoffer heeft gezien;

? - de tik van dien aard was dat deze geen pijn deed;

? - hij nooit een wapen bij het slachtoffer heeft waargenomen, ook niet tijdens het bezoek;

? - het geleende geld niet van het slachtoffer afkomstig was;

? - de kennis, om wiens geld het zou gaan, tijdens het bezoek aanwezig was en in het geheel niet agressief was.

Nu er reeds onder de door verdachte geschetste omstandigheden van een noodweersituatie geen sprake is kan de vraag of die schets wel op waarheid berust buiten beschouwing blijven. Aan verdachte komt geen beroep op noodweer exces toe.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft, mede gelet op de door hem gevoerde verweren, naar voren gebracht dat de gevorderde straf te hoog is.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezenverklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft met betrekking tot welke het bewezen verklaarde is begaan.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], voor zover deze vordering betrekking heeft op een vergoeding ter zake de immateriële schade, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet-ontvankelijk is en die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Voor het overige is de vordering van de benadeelde partij wel van zodanig eenvoudige aard gebleken dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 204,85 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij [slachtoffer] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZESENDERTIG maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten 1 mes kleur: zwart;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomene, te weten 2 stuks schoeisel,

kleur: zwart, 1 broek kleur: blauw, jeansbroek, 1 jas kleur: blauw, jeansjasje, 1 hemd,

kleur: zwart/wit, 1 ondergoed, kleur: zwart, TEO, 2 sokken, kleur: wit, 1 zakdoek,

kleur: beige;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], [W-straat] Hoensbroek, te betalen een bedrag van € 204, 85 (tweehonderdenvier euro en vijfentachtig eurocent);

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer], [W-straat] Hoensbroek voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], [W-straat] Hoensbroek, te betalen een bedrag van

€ 204,85 (tweehonderdenvier euro en vijfentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en

verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer] voormeld bedrag van € 204,85 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 204,85 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.H. Simonis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 april 2006.