Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AW3525

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
25-04-2006
Zaaknummer
03-700668-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van verdachte spraek was van een poging tot het plegen van moord met voorbedachte rade. De overweging van de rechtbank hiertoe maakt duidelijk hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700668-05

Datum uitspraak: 18 april 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 januari 2006 en 4 april 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een of meer glazen stuk geslagen en/of die [naam slachtoffer] (op zijn rug) geslagen en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Ik maak je kapot en jij overleeft het vanavond niet" en/of "Ik schiet [naam slachtoffer] door zijn kop" en/of "Ik steek je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (vanaf korte afstand ten opzichte van die [naam slachtoffer]) (met kracht) in de richting van het lichaam (de borst, gezicht, hals) van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een of meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (vanaf korte afstand ten opzichte van die [naam slachtoffer]) (met kracht) in de richting van het lichaam (de borst, gezicht, hals) van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meermalen met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, (vanaf korte afstand ten opzichte van die [naam slachtoffer]) (met kracht) in de richting van het lichaam (de borst, gezicht, hals) van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

De tenlastelegging verwijt onder feit 2 primair aan verdachte dat hij “met voorbedachten rade” heeft geprobeerd [naam slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank overweegt in verband met dit onderdeel van het onder 2 primair tenlastegelegde dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting, bezien in verband met de inhoud van het dossier, is vast komen te staan dat op 1 oktober 2005 zich het navolgende heeft afgespeeld:

Verdachte bevond zich op 1 oktober 2005 samen met het slachtoffer en andere personen in café “de Hei”. Nadat hij aldaar een aanzienlijke hoeveelheid alcohol had genuttigd, heeft hij [naam slachtoffer] heeft bedreigd met -onder andere- de woorden “Ik maak je kapot”. Nadat [naam slachtoffer] naar huis was gegaan, is ook verdachte, die in hetzelfde appartementencomplex woonde als [naam slachtoffer], naar huis gegaan. Aldaar heeft verdachte een mes uit zijn woning gepakt en is daarmee doelbewust naar de bovenverdieping gelopen, alwaar zich het appartement van [naam slachtoffer] bevond. Hij heeft bij [naam slachtoffer] op de deur geklopt. Op het moment dat [naam slachtoffer] de deur heeft geopend, riep verdachte wederom: “Ik maak je kapot”. Op nagenoeg hetzelfde moment heeft hij de hand waarmee hij het mes vasthield, in de richting van [naam slachtoffer] bewogen. Hierna heeft hij op korte afstand meerdere stekende bewegingen in de richting van de borst en de hals van [naam slachtoffer] gemaakt. Verdachte heeft [naam slachtoffer] net niet geraakt, omdat hij op het juiste moment door getuige [naam] werd weggetrokken.

Nu verdachte reeds in het café soortgelijke uitroepen als bovenvermelde had gedaan, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank is van oordeel dat er gezien het tijdsverloop, gelegen tussen het moment waarop verdachte is thuisgekomen, het mes uit zijn woning heeft gepakt en daarmee doelbewust naar boven is gelopen naar de woning van [naam slachtoffer], daarna op diens deur heeft geklopt en, nadat deze was geopend, ongeveer gelijktijdig met de uitroep “Ik maak je kapot” meerdere stekende bewegingen in de richting van [naam slachtoffer] gemaakt, sprake is geweest van een moment van kalm overleg en van bedaard nadenken en derhalve van “met voorbedachten rade” handelen.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, [naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend glazen stuk geslagen en die [naam slachtoffer] op zijn rug geslagen en deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot en jij overleeft het vanavond niet", "Ik schiet Ingo door zijn kop" en "Ik steek je kapot";

2 primair.

hij op 1 oktober 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een mes vanaf korte afstand ten opzichte van die [naam slachtoffer] in de richting van het lichaam (de borst, hals) van die [naam slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door drs. J.H.A.M. Kobussen, klinisch psycholoog-psychotherapeut, een psychologisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van verdachte. Van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport opgemaakt, gedateerd 28 december 2005. Het rapport vermeldt als beantwoording van de vraagstelling –zakelijk weergegeven-:

Betrokkene is lijdende aan verschillende ziekelijke stoornissen. Er is sprake van een ernstige depressieve stoornis van chronische aard en van een stoornis in de impulscontrole NAO. Tevens is er bij betrokkene sprake van een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was sprake van deze stoornissen.

De stoornis in de impulsbeheersing en de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis zijn ten tijde van het tenlastegelegde van invloed geweest op de gedragskeuzes en op het gedrag van betrokkene. Tijdens het delict voelde betrokkene zich gefrustreerd. Hij had nog steeds een voor hem aanzienlijk bedrag tegoed en door het uitgavenpatroon van zijn ex-huisgenoot nam het gevoel dat hij niet serieus genomen werd toe. Betrokkene kent forse minderwaardigheidsgevoelens, is geremd en heeft gebrekkige sociale en probleemoplossende vaardigheden. Hierdoor lukt het betrokkene niet om tot een actieve, rustige aanpak van problemen te komen. Er is bij betrokkene sprake van een agressieregulatieprobleem. Hij verkeerde ten tijde van het delict onder invloed van alcohol waardoor betrokkene niet in staat is geweest zijn gevoelens te reguleren.

Op grond van bovenstaande wordt geadviseerd betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in het rapport gegeven conclusies en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 en 2 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman van verdachte heeft voor vrijspraak van het onder 1 en onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde gepleit. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor het opleggen van een gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke en het voorwaardelijke deel in een andere verhouding ten opzichte van elkaar liggen dan door de officier van justitie is geëist. De raadsman denkt daarbij aan een voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf van 18 maanden.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de raadsman namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In dat verband is van belang dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Ofschoon de rechtbank –anders dan de officier van justitie- de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt, acht de rechtbank gezien de ernst van de gepleegde feiten toch een straf, gelijk aan die welke door de officier van justitie is gevorderd, geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van met name het onder 2 primair bewezen verklaarde, mede blijkend uit de maximumstraf zoals die door de wetgever op dit delict is gesteld, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en met het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer [naam slachtoffer] zonder aanleiding gewelddadig heeft benaderd. Door de wijze waarop verdachte met het mes stekende bewegingen in de richting van het slachtoffer heeft gemaakt, had het slachtoffer gemakkelijk gedood kunnen worden.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee gehouden dat hij gemotiveerd is een klinische behandeling te ondergaan en dat hiervoor reeds een indicatie gesteld is.

De psycholoog Kobussen vermeldt in zijn rapport –zakelijk weergegeven-:

Factoren voortkomend uit de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis en de stoornis in de impulscontrole die de kans op een recidive bevorderen, zijn betrokkenes gevoelens van incompetentie en minderwaardigheid in relatie tot anderen, zijn gebrekkige sociale vaardigheden en zijn onvermogen om zijn agressieve gevoelens te controleren onder invloed van middelen. Andere factoren die een recidive bevorderen zijn zijn lage zelfwaardering, zijn verslavingsgevoeligheid en de afwezigheid van structuur en invulling in zijn dagen.

Betrokkene neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen en is gemotiveerd om hulp te zoeken om een herhaling van het tenlastegelegde te voorkomen.

Bovengenoemde factoren en condities in ogenschouw nemend wordt de kans op recidive klein geacht.

Geadviseerd wordt om reclasseringscontact en een behandeling op te nemen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel van een gecombineerde straf. Een, bij voorkeur klinische, behandeling gericht op de depressie en op de sociaal ontwijkende trekken met aandacht voor zijn verslavingsgevoeligheid zijn uit gedragskundig oogpunt aangewezen om de kans op recidive te voorkomen. Daarnaast wordt geadviseerd om de begeleiding en behandeling via een verslavingsinstelling te laten verlopen en begeleiding te bieden bij het vinden van een passende woonruimte. Gedacht wordt aan de Mondriaan Zorggroep te Heerlen.

Dhr. Kampermann, reclasseringswerker, vermeldt in zijn rapport –zakelijk weergegeven-:

Ik heb de heer [naam verdachte] aangemeld voor een intake binnen de Mondriaan Zorggroep, divisie verslavingszorg. Aan de hand hiervan is er een indicatie gesteld en een zorgtoewijzing c.a. advies uitgebracht.

Betrokkene kan worden opgenomen binnen de klinische verslavingszorg van de Mondriaan Zorggroep op de afdeling Intra motivationeel centrum (IMC).

Aan de hand van een opname op deze afdeling zou een vervolgtraject, zoals een klinische resocialisatie, binnen de MZG tot de mogelijkheden behoren met daarop aansluitend een ambulante begeleiding vanuit de voornoemde verslavingszorg en wel de afdeling medische zorg en begeleiding (MZB).

Gezien de inhoud van vermelde rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig het advies op te volgen.

De tekst van artikel 289 Wetboek van Strafrecht is gewijzigd na het tijdstip waarop het bewezenverklaarde is begaan.

Uit de strekking en uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wetswijziging volgt dat zij berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever betreffende de strafwaardigheid van de onderwerpelijke gedraging. De rechtbank zal de oude bepaling toepassen, nu deze voor verdachte gunstiger is.

Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank de in de beslissing nader te noemen bijzondere voorwaarde stellen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 285 en 289(oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIER jaren;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot EEN jaar, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen overeenkomstig de door de Reclassering Nederland, Regio Limburg, Unit Maastricht, gevestigd te 6224 LA Maastricht, Heerderweg 25, te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook wanneer dit inhoudt een klinische behandeling bij de Mondriaan Zorggroep, zolang deze instelling zulks nodig oordeelt;

- geeft opdracht aan genoemde instelling aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. J. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 april 2006, zijnde mr. Schwillens buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.