Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AW3502

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-04-2006
Datum publicatie
27-04-2006
Zaaknummer
03-700187-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte verweert zich tegen onverhoedse aanval door aanvaller dood te schieten. Rechtbank aanvaardt beroep op noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700187-05

Datum uitspraak: 27 april 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 5 december 2005 en 13 april 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 9 maart 2005 te Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 maart 2005 te Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 9 maart 2005 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen (te weten heroïne en/of cocaïne) en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een of meer onbekend(e) perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer] en/of een of meer andere personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft hebben geschoten, welk feit de dood voor die [naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

De feiten

In deze zaak bestaan meerdere lezingen van hetgeen zich op 9 maart 2005 in de woning aan de Proosdijweg te Maastricht heeft afgespeeld. Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot hetgeen verdachte verweten wordt is, uiteraard, direct afhankelijk van hetgeen zij als de werkelijke gang van zaken beschouwt. Daarom zal de rechtbank eerst op die feitelijke gang van zaken ingaan.

Vast staat dat in de nacht van 9 maart 2005 drie Duitsers en drie Nederlanders elkaar ontmoeten in de woning van de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2]. De Duitsers zijn daar om van de drie Nederlanders verdovende middelen te kopen. Hoe een en ander vervolgens verloopt is echter onderwerp van discussie.

De raadsman heeft bij pleidooi gesteld dat in de woonkamer aan de eettafel de drie Duitsers zitten die de verdovende middelen willen kopen. Nadat een van de Nederlanders de heroïne op tafel heeft gelegd, zegt een van de drie Duitsers iets, vermoedelijk in het Russisch, waarop alle drie de Duitsers tegelijk opspringen en ieder zich op een van de drie Nederlanders stort. Daarbij hebben zij alle drie messen in de hand.

Verdachte ziet het latere slachtoffer op zich afkomen waarbij deze met zijn mes stekende bewegingen naar hem maakt. Na een eerste aanval te hebben afgeweerd met zijn handen, ziet verdachte het latere slachtoffer weer op zich afkomen. Daarop pakt verdachte het pistool dat hij voor het binnentreden van de kamer van een andere Nederlander heeft gekregen uit zijn jaszak en schiet hij twee keer op het slachtoffer. Daarbij raakt hij het slachtoffer in zijn hoofd.

Terwijl zich dit voltrekt ziet verdachte nog hoe een andere Duitser een der Nederlanders tegen de grond werkt en op hem insteekt.

De Duitsers schetsen een situatie waarbij zij plotseling zien dat een der Nederlanders een pistool heeft. Als zij daarop de woning willen verlaten wordt door verdachte plotseling het pistool gepakt en op het slachtoffer geschoten.

Gelet op de inhoud van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is geworden dat, als de heroïne op tafel ligt, de drie Duitsers kort iets zeggen, waarna zij plotseling gelijktijdig opspringen en iedere Duitser een andere Nederlander aanvalt. De rechtbank steunt daarbij voornamelijk op de verklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 2].

Tijdens de schouw op 5 december 2005 heeft de rechtbank waargenomen dat de woonkamer van de eerder genoemde woning een kleine ruimte betreft, welke op 9 maart 2005 ook nog eens volstond met meubilair en andere spullen. De rechtbank neemt hierbij tevens in ogenschouw dat zich op 9 maart 2005 in totaal acht personen in deze woonkamer bevonden. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte in de ruimte amper heeft kunnen bewegen.

Voor de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat de drie Duitsers, voordat de verdachte de fatale schoten heeft gelost, messen in hun handen hadden. De verdachte heeft wel beweerd dat het slachtoffer hem met een mes met een zwart handvat heeft aangevallen, maar de in de woonkamer aanwezige getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] maken daar geen gewag van. Beide getuigen zijn kort na het feit aangehouden en gescheiden van elkaar onder alle beperkingen in detentie gehouden. De rechtbank acht hun verklaringen dan ook zeer geloofwaardig.

Verder is het door verdachte geschetste mes niet in de woning aangetroffen en is het de rechtbank opgevallen dat verdachte, hoewel hij naar zijn zeggen van zeer dichtbij onverhoeds werd aangevallen geen afweerverwondingen of zelfs maar beschadigingen aan de kleding heeft opgelopen.

Tenslotte acht de rechtbank de door [naam getuige 3] hieromtrent afgelegde verklaring niet betrouwbaar nu hij en verdachte nog meerdere dagen na het feit op vrije voeten zijn geweest.

Zoals al overwogen is er sprake van een drugsdeal die plaatsvond in de nachtelijke uren. Verdachte bevond zich, zoals gezegd, in een kleine, volle, ruimte waarin bewegen moeizaam zal zijn geweest. De aanval van de Duitsers kwam voor de verdachte geheel onverwachts. Het is zeer wel denkbaar dat onder de geschetste omstandigheden hier een hele grote dreiging van is uitgegaan, ook zonder het gebruik van messen.

Dat verdachte onder die omstandigheden aan een plotselinge hevige gemoedsbeweging onderhevig is geweest, acht de rechtbank zeer aannemelijk en evenzeer dat verdachte onder invloed van die hevige gemoedsbeweging heeft geschoten.

De rechtbank ziet het bestaan van die hevige gemoedsbeweging nog bevestigd door het feit dat verdachte na de schoten meteen is weggerend en zich niet meer om de andere Nederlanders heeft bekommerd.

Het vorenstaande leidt tot navolgende overwegingen.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verdachte heeft in een fractie van een seconde besloten om zich met het pistool zijn aanvaller van het lijf te houden. Daarbij heeft hij gehandeld onder invloed van de gebeurtenissen om hem heen. Van een zodanige afweging dat sprake is van “kalm beraad en rustig overleg” is geen sprake geweest.

Derhalve moet verdachte van het primair ten laste gelegde, te weten moord, vrijgesproken worden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 maart 2005 te Maastricht, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit en moet worden gekwalificeerd als volgt:

subsidiair: doodslag.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert nu het is geschied ter noodzakelijke verdediging tegen een wederrechtelijke aanranding van verdachte. Hem komt derhalve een beroep op noodweer toe.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen lijf, zodat een verdediging hiertegen gerechtvaardigd was. Door echter gebruik te maken van een pistool en zijn aanvaller te doden heeft verdachte onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet voldaan aan het proportionaliteitsvereiste. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft tevens een beroep gedaan op noodweerexces. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals hiervoor al overwogen is de rechtbank van oordeel dat het handelen van de verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, welke werd veroorzaakt door de hierboven beschreven wederrechtelijke aanranding van de verdachte. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging als niet strafbaar moet worden geoordeeld. Dit brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De gevorderde maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank ook bij een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces zal gelasten dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte wordt wegens een geslaagd beroep op een schulduitsluitingsgrond ontslagen van alle rechtsvervolging. Onder die omstandigheden kan de rechtbank toch gelasten dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege, uiteraard mits aan alle vereisten voor het opleggen van deze maatregel wordt voldaan.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport, d.d. 23 februari 2006, van drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, en het rapport, d.d. 9 maart 2006, van dr. L.H. Dams, forensisch psychiater, waarin beide deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. De rechtbank zal deze conclusie van de deskundigen overnemen.

Voor het opleggen van deze maatregel is echter ook vereist dat deze persoonlijkheidsstoornis van invloed is geweest op de gedragingen van de verdachte ten tijde van het plegen van het hierboven bewezenverklaarde feit. Voor noodweerexces betekent dit dat de psychische stoornis op enigerlei wijze van invloed moet zijn geweest op de wijze waarop de grenzen van de noodzakelijke verdediging werden overschreden. Beide deskundigen achten dat verband ook aanwezig.

Drs. S. Labrijn, GZ-psycholoog, schrijft:

‘Indien het tenlastegelegde feit kan worden bewezen, is het verband tussen stoornis en delict precies aan te geven. De betrokkene beriep zich immers op noodweer. Derhalve gaf de betrokkene- indien het tenlastegelegde bewezen wordt geacht – weinig zicht op wat er tijdens het delict precies gebeurde, wat hij dacht en voelde.

...

Duidelijk is dat in dat geval in ieder geval meespeelde het gebrek aan empathie met anderen, de neiging anderen te exploiteren, impulsiviteit en het verminderd kunnen overzien van de gevolgen van zijn daden’

Dr. L.H. Dams, forensisch psychiater, schrijft:

‘Onderzochte kon zonder enige emotie, zonder empathie, koelbloedig het slachtoffer door het hoofd schieten, waarbij hij alleen aan zijn eigen levensbelang dacht. Onderzochte keek zelfs niet om naar zijn (instrumentele) vriend [naam vriend verdachte], die op koelbloedige wijze als het ware afgeslacht werd door één van de Russen.

...

Een bijdrage vanuit het aspect van voornoemde persoonlijkheidsstoornis, ligt dan ook voor de hand en dit is in de ogen van ondergetekende dan ook groot van omvang, ...’

De deskundigen kennen blijkbaar doorslaggevende betekenis toe aan de keuze van verdachte voor zich zelf. Dit gaat zowel ten koste van het slachtoffer als zijn vriend.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is begaan, het niet onbegrijpelijk is dat verdachte handelt zoals hij heeft gedaan. Daarom ook komt hem naar het oordeel van de rechtbank een beroep op een schulduitsluitingsgrond toe. Dat onder de omstandigheden die de rechtbank heeft vastgesteld het handelen van verdachte verklaard moet worden uit de persoonlijkheidsstoornis van verdachte staat voor de rechtbank niet vast.

De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de gevorderde maatregel aan de verdachte op te leggen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart de verdachte deswege echter niet strafbaar en ontslaat hem te dier zake van alle rechtsvervolging;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. J. Wöretshofer en mr. B. Damen, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 april 2006, zijnde mr. B. Damen en de griffier buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.