Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9128

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-04-2006
Datum publicatie
10-04-2006
Zaaknummer
210063 CV EXPL 05-3966
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afrekening kosten van energielevering; onduidelijke nota's en slordig procederen. Gedeeltelijke toewijzing vordering; proceskostenveroordeling eisende partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

rolno: 3966/05

zaakno: 210063

vonnis d.d. 5 april 2006

in de zaak van:

de besloten vennootschap ENECO ENERGIE SERVICES B.V.,

zaakdoend onder de naam ENECO ENERGIE,

statutair gevestigd en kantoorhoudend te Rotterdam,

verder ook te noemen: Eneco,

eisende partij,

gemachtigde: een onbekende persoon ten kantore van Haghedreve B.V. te Den Haag,

rolgemachtigde: J.M.H. Beurskens, deurwaarder te [Woonplaats gedaagde],

tegen:

[Naam gedaagde],

wonend te [Woonplaats gedaagde],

verder ook te noemen: [Gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.M. Spooren, advocaat te Maastricht.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Eneco heeft bij dagvaarding van 1 december 2005 een vordering ingesteld tegen [Gedaagde] en heeft zich daarvoor mede beroepen op vijf aan het exploot van dagvaarding gehechte, deels meervoudige producties in fotokopievorm.

[Gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord onder overlegging van twee gefotokopieerde producties.

Eneco heeft vervolgens - onder vermindering van haar eis - voor repliek geconcludeerd en heeft nog eens zeven producties (kopieën) aan het procesdossier toegevoegd, die overigens gedeeltelijk in precies dezelfde vorm al eerder waren ingebracht.

[Gedaagde] heeft hier schriftelijk op gereageerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. MOTIVERING

a. het geschil

Eneco vorderde aanvankelijk de veroordeling van [Gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van € 731,17 met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 561,= vanaf de datum van dagvaarding tot de voldoening, onder verwijzing tevens van [Gedaagde] in de harerzijds berekende proceskosten (‘subsidiar’, in geval van tegenspraak, volgens de wet te bepalen). Bij repliek is de vordering verminderd met een bedrag van € 198,68.

Eneco baseert zich voor haar vordering op een stroom- of energieleveringscontract ter zake waarvan [Gedaagde] de ‘eindnota’ van 15 juli 2004 ad € 561,= (later gecorrigeerd tot een bedrag van € 437,32) in weerwil van herhaalde aanmaning onbetaald heeft gelaten, zodat de debiteur tevens een post vervallen rente ad € 20,17 (niet gecorrigeerd bij repliek) en een bedrag van € 150,= (later verminderd tot € 75,=) aan (vergoeding van) incassokosten verschuldigd is geworden. Eneco weerspreekt het hiertegen ingebrachte verweer van [Gedaagde] en is van oordeel dat de meting van het verbruik op juiste wijze is volbracht, terwijl zij voorts stelt dat deze vordering niet valt onder de wettelijke regeling van schuldsanering die jegens [Gedaagde] van toepassing is verklaard.

Eneco zegt begrip te hebben voor de financiële situatie van [Gedaagde], doch voert aan eerst na het wijzen van vonnis bereid te zijn ‘accoord te gaan met een betalingsregeling’.

[Gedaagde] verweert zich tegen de vordering. Nadat hij zich aanvankelijk op het standpunt had gesteld dat de ‘eindafrekening’ van 14 juli 2004 niet correct kon zijn en het bedrag van

€ 561,= op de nota van die datum dus niet verschuldigd was, heeft hij zich bij dupliek verenigd met de inmiddels herziene nota van 17 januari 2006, uitkomend op een nog verschuldigd bedrag van € 437,32. Daarvoor wil hij met Eneco een betalingsregeling treffen. Voorts heeft [Gedaagde], met een verwijzing naar het eindverslag van de bewindvoerder in het kader van de Wsnp omtrent het terugbrengen van de vordering van Eneco tot een bedrag van € 25,87, naar een verwarrende ‘eindnota’ van 26 januari 2005 met een nihilbedrag en naar zijn eigen herhaalde melding van de juiste ‘eindstand’ (de meterstand van 22.169 op de relevante meetdatum 27 februari 2004), bepleit dat hem geen incassokosten in rekening worden gebracht en dat hij tevens gevrijwaard blijft van betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het was [Gedaagde] in redelijkheid niet te verwijten dat hij onder deze omstandigheden niet tot betaling van de nota van 14 juli 2004 is overgegaan.

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet-deugdelijk weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

- Eneco en [Gedaagde] zijn op 20 december 2002 voor het leveringsadres [Woonadres gedaagde] (vorig woonadres [Gedaagde]) een contractuele relatie aangegaan met het oog op de levering van stroom door Eneco aan [Gedaagde] tegen betaling op basis van gemeten verbruik, per 4 februari 2003 in de vorm van zogeheten Ecostroom.

- Eneco heeft [Gedaagde] voorschotten laten betalen die te laag waren ingeschat.

- Op 14 juli 2004 heeft Eneco aan [Gedaagde] (die in deze brief en in andere brieven hardnekkig werd aangeduid als ‘[Verbasterde naam]’) een ‘Eindnota’ gestuurd waarin het verbruik werd afgerekend over de periode 18 november 2003 tot en met 27 februari 2004 en waarin voor de levering van elektriciteit een ‘Eindstand’ van 23.005 Kwh in aanmerking werd genomen.

- Op 26 januari 2005 is [Gedaagde] (‘[Verbasterde naam]’) evenwel een ‘Eindnota’ gestuurd waarin geen stroomkosten in rekening werden gebracht en waarin de beginstand en de eindstand (respectievelijk per 27 februari 2004 en 5 maart 2004) elk op 22.169 Kwh werden gesteld, een stand die [Gedaagde] zelf ook bij herhaling als het correcte meetgegeven heeft doorgegeven aan Eneco.

- Eerst op 17 januari 2006, lopende de onderhavige procedure, heeft Eneco een ten opzichte van de ‘Eindnota’ van 14 juli 2004 als ‘Correctienota’ voor het leveringsadres [Woonadres gedaagde] aangemerkte nota opgemaakt voor de (langere, althans eerder startende) verbruiksperiode 5 februari 2003 tot en met 27 februari 2004.

- In deze nota is de Kwh-stand op 27 februari 2004 alsnog gesteld op 22.169, terwijl de met verrekening van betaalde voorschotten door [Gedaagde] nog verschuldigde verbruiksvergoeding uitkomt op € 437,32.

c. de beoordeling

Eneco en haar gemachtigde hebben er in deze zaak een potje van gemaakt.

Onbegrijpelijke of dubbelzinnige, althans van onjuiste gegevens uitgaande energienota’s of ‘eindnota’s’, al dan niet in samenhang met een verhuizing van de klant of een ‘omzetting van de administratie’ bij Eneco zelf, onduidelijkheden over gedane metingen of gemaakte schattingen, berichten aan een niet bestaande klant ‘[Verbasterde naam]’, andersluidende berichten aan de bewindvoerder in de schuldsanering van [Gedaagde], een in vage bewoordingen vervat exploot van dagvaarding, gevolgd door een op tal van onderdelen (wegens ‘abusievelijk aangegeven’ punten) gecorrigeerde repliek, met als klap op de vuurpijl een lopende de procedure uitgevaardigde ‘Correctienota’ aan het oude adres van [Gedaagde] en een (slechts gedeeltelijke) vermindering van eis.

Omdat [Gedaagde] zich bij dupliek akkoord verklaart met de na correctie op € 437,32 gestelde rekening voor na te betalen verbruikskosten over het tijdvak 5 februari 2003 tot en met 27 februari 2004, bestaat thans eindelijk duidelijkheid over die zogeheten ‘Eindnota’. Dat dit niet eerder het geval was en dat eerst deze procedure Eneco ertoe gebracht heeft het meetgegeven van een ‘eindstand’ van 22.169 Kwh per 27 februari 2004 tot uitgangspunt van haar nota te maken, is geheel aan Eneco te wijten. Zij heeft niet betwist dat [Gedaagde] bij herhaling doch vergeefs getracht heeft haar hiervan te overtuigen. [Gedaagde] 's gemachtigde heeft volkomen gelijk als zij betoogt dat het onder deze omstandigheden onredelijk zou zijn [Gedaagde] te laten opdraaien voor eventueel gemaakte incassokosten. Als het al zo is (wat bepaald niet als vanzelf volgt uit de ook op dit punt gebrekkige stellingen van Eneco) dat naar aard en omvang redelijke kosten ter incasso zijn gemaakt die niet onder het bereik van de artikelen 237 tot en met 240 Rv. vallen, dan moet worden geconstateerd dat deze nodeloos zijn aangewend. Althans dat Eneco zich deze had kunnen besparen door terstond de nota te baseren op het werkelijk gemeten verbruik. Eneco heeft weliswaar haar vordering op het onderdeel buitengerechtelijke kosten bij repliek verminderd van € 150,= tot € 75,= wegens de reductie van de hoofdsom, maar ook dat verlaagde bedrag is niet toewijsbaar bij gebrek aan grondslag: de redelijke noodzaak van het maken van kosten als deze volgt nergens uit.

Dat [Gedaagde] voorts vanaf een eerder moment wettelijke rente over de (gecorrigeerde) hoofdsom verschuldigd is dan het moment van de ‘Correctienota’ althans de presentatie daarvan in rechte ( 8 februari 2006) is gesteld noch gebleken. Op zichzelf is al opvallend dat Eneco haar rentevordering bij repliek niet tegelijk met andere onderdelen van haar vordering heeft verminderd, maar niet in te zien valt dat [Gedaagde] reeds rente verschuldigd zou zijn ingaande een eerder moment dan 8 februari 2006: eerst toen immers stond de omvang van de opeisbare vordering van Eneco vast. Het ware aan Eneco geweest om een eventueel andersluidende opvatting van feitelijke argumentatie te voorzien.

Het is voorts aan partijen om de overblijvende schuld van [Gedaagde] op diens verlangen in de vorm van een gefaseerde aflossing te regelen. Daarin komt de kantonrechter geen rol toe.

Resteert de vraag naar de toedeling van de proceskosten. Hoewel Eneco gelijk krijgt op een enkel onderdeel van haar claim, is dit eerstens slechts voor een gedeelte en moet tweedens worden geconcludeerd dat [Gedaagde] reeds buiten rechte zich op het achteraf juist gebleken uitgangspunt heeft gesteld dat de rekening op een ander meetgegeven moest worden gestoeld. Nergens is uit gebleken dat in het geval van een eerdere honorering van dit verlangen van [Gedaagde] een gerechtelijke procedure noodzakelijk zou zijn geweest om tot een erkenning van de schuld in de thans gebleken omvang te geraken. Omdat aldus ook deze procedure zonder enige redelijke noodzaak is aangevangen en tot een einde is gevoerd, moet Eneco als de partij die hiervoor verantwoordelijk te houden is worden verwezen in de

proceskosten, die aan de zijde van [Gedaagde] worden gesteld op een bedrag van € 200,=

aan salaris gemachtigde.

3. BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [Gedaagde] om aan Eneco tegen bewijs van kwijting te voldoen de somma van

€ 437,32 met de wettelijke rente ingaande 8 februari 2006 tot de datum van algehele voldoening;

veroordeelt Eneco tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [Gedaagde] tot de datum van dit vonnis begroot op € 200,= aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 5 april 2006.