Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9125

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
99998 / S RK 05-298
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn op 26 augustus 1961 te Leuven (Belgie) gehuwd. Na hun huwelijk zijn zij in Belgie blijven wonen in de daar gelegen echtelijke woning..

Beide partijen hebben de Belgische nationaliteit. Voorafgaand aan hun huwelijk hebben partijen op 29 juli 1961 een notarieel huwelijkscontract gesloten

ter zake het beheer van de wettelijke gemeenschap van goederen overeenkomstig artikel 1400 e.v. van het Belgisch Burgerlijk Wetboek.

Partijen zijn in 1970 naar Nederland verhuisd en in Maastricht gaan wonen.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, c.q. scheiding van tafel en bed tussen partijen uit te spreken.

Zij vezoekt tevens de man te veroordelen aan haar een alimentatie van € 7.500,-- per maand te betalen.

De vrouw meent dat het echtscheidingsverzoek alsmede het alimentatieverzoek naar Nederlands recht moet worden afgewikkeld.

De man is van mening dat op beide verzoeken Belgisch recht van toepassing is.

Partijen zijn het erover eens dat hun gemeenschappelijk huwelijksvermogen naar Belgisch recht tussen hen moet worden verdeeld.

De rechtbank oordeelt dat de echtscheiding alsook het alimentatieverzoek naar Nederlands recht moet worden beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2006, 131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 29 maart 2006

Zaaknummer: 99998 / S RK 05-298

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoekster],

verzoekster, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats verzoekster],

procureur mr. P.W.P.M. Simons,

en:

[verweerder],

wederpartij, verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats verweerder],

procureur mr. H.J.M. Stassen.

1. Verloop van de procedure

De vrouw heeft op 17 maart 2005 een verzoekschrift tot echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed met nevenvoorzieningen ingediend.

Het verzoekschrift is op 24 maart 2005 betekend aan de man.

Door de man is op 13 juli 2005 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De man heeft vervolgens nog gereageerd bij brief, met een bijlage, d.d. 29 augustus 2005.

De vrouw heeft naar aanleiding van genoemd zelfstandig verzoek op 14 september 2005 een verweerschrift ingediend.

In deze zaak zijn tevens voorlopige voorzieningen getroffen.

2. Beoordeling

2.1

Zoals door de vrouw onweersproken is gesteld hebben beide partijen de Belgische nationaliteit. Partijen zijn op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] gehuwd. Dit na voorafgaande aan hun huwelijk op [datum contract] een notarieel huwelijkscontract te hebben gesloten ter zake het beheer van de wettelijke gemeenschap van goederen overeenkomstig artikel 1400 en volgende van het Belgisch Burgerlijk Wetboek.

2.1.1

De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoekt op grond daarvan tussen partijen de echtscheiding, subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken.

De vrouw verzoekt daarnaast te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw maandelijks, bij vooruitbetaling een bedrag van ? 7.500,-- zal betalen. Zij acht de man, die circa ? 13.500,-- per maand bruto aan inkomen heeft daartoe in staat. Een en ander mede gezien het feit dat er geen minderjarige kinderen (meer) zijn, waarvoor hij zou moeten opkomen.

2.1.2

De vrouw is van mening dat het verzoek tot echtscheiding alsook het alimentatieverzoek naar Nederlands recht moet worden beslist.

De vrouw stelt daartoe dat partijen weliswaar hun eerste huwelijksdomicilie in België hebben gehad maar dit volgens haar niet maakt dat partijen nog een band met België hebben aangezien partijen al sedert 1970 onafgebroken in Nederland ([woonplaats]) woonachtig zijn. In de ogen van de vrouw is het huwelijk van partijen daardoor geheel ingebed in de Nederlandse rechtssfeer.

2.1.3

Ook als de man dit anders ziet, doet dat er volgens de vrouw niet aan af dat de verzochte echtscheiding en het alimentatieverzoek naar Nederlands recht beslist moeten worden. Zij grondt die stelling op het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub b van de Wet van 25 maart 1981 houdende regeling van het conflictenrecht inzake ontbinding van het huwelijk en scheiding van tafel en bed en de erkenning daarvan, Stb. 1981,166 (verder te noemen: WCE). Zij wijst daarvoor op het gegeven dat niet meer relevant is dat beide partijen de Belgische nationaliteit hebben, nu bij de vrouw kennelijk de werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit, zijnde België, is verloren gegaan. In dat geval moet op grond van genoemd artikel 1 lid 1 sub b WCE volgens de vrouw de echtscheiding worden uitgesproken conform het recht van het land waarin partijen hun gewone verblijfplaats hebben en dat is Nederland.

2.2

De man betwist de stelling van de vrouw dat ten aanzien van de verzochte echtscheiding alsook de alimentatie Nederlands recht van toegepast zou moeten worden. Volgens de man moeten beide kwesties worden afgedaan naar Belgisch recht.

2.2.1

De man verwijst daarvoor naar het bepaalde in artikel 1 lid 1, aanhef sub a van de WCE. De man is van mening dat van de in artikel 1 lid 1 aanhef sub b beschreven uitzondering waarop de vrouw een beroep heeft gedaan in het onderhavige geval geen sprake kan zijn. Dat vloeit volgens de man al voort uit het gegeven dat de man zijn inkomen grotendeels uit België ontvangt en de verbondenheid van partijen met België verder is af te leiden uit het feit dat zowel de vrouw als de man familieleden en kennissen in België hebben, partijen hun inkopen in België doen, partijen Belgische paspoorten en I-Dkaarten bezitten en aan hen door Nederlandse instanties een Nederlandse vreemdelingenkaart is verstrekt. De man heeft voorts tot 2002 nog een eigen woning in België bezeten en hij houdt bij KBC in Vroenhoven zijn bankrekeningen aan, waarop hij zijn loon en pensioen ontvangt.

2.2.2

Volgens de man geldt ter zake het alimentatieverzoek van de vrouw dat dit moet worden beslist overeenkomstig het op de echtscheiding van toepassing zijnde recht. Dit omdat in artikel 8 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (Den Haag, 2 oktober 1973, Trb. 1974, 86, verder: het Haags Alimentatieverdrag 1973) - voor Nederland in werking vanaf 1 maart 1983 - staat bepaald dat niet het recht van de gewone verblijfplaats van de alimentatiegerechtigde van toepassing is maar het recht dat is of moet worden toegepast in de echtscheidingsprocedure.

In dit verband stelt de man aanvullend nog dat artikel 8 van het Haags alimentatieverdrag derogeert aan het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 7 van dit verdrag. Dit om ruimte te laten voor die gevallen waarin, bij toepassing van het niet-Nederlandse recht, zoals in het onderhavige geval, de schuldvraag bij de echtscheiding nog een rol speelt bij de beoordeling van het alimentatievraagstuk.

In dit kader stelt de man voorts nog dat de plotselinge verlating door de vrouw niet alleen negatief heeft gewerkt op zijn geestelijk welzijn maar dat die handelwijze ook anderszins, onder meer op financieel gebied, nadelig voor hem is geweest. Hij vermeldt in dit kader dat de in de voorlopige voorzieningenprocedure opgelegde alimentatieverplichting van ? 7.000,- per maand bijzonder nadelig voor de man heeft uitgepakt omdat de man de normaal voor Nederlandse ingezetenen bestaande fiscale voordelen bij alimentatiebetalingen niet kan genieten en hij dus feitelijk veel te veel alimentatie betaalt.

Dit alsook het feit dat de vrouw zomaar bij de man is weggegaan, moet volgens de man worden meegewogen bij de beoordeling van het echtscheidingsverzoek alsook bij de vaststelling van alimentatie voor de vrouw.

2.2.3

Op grond van deze gevoerde verweren, verzoekt de man:

I. primair om hetgeen de vrouw heeft verzocht af te wijzen als zijde ongegrond en/of onbewezen en

II. subsidiair om bij tussenbeschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toestaat:

a. voor recht te verklaren dat het echtscheidingsverzoek en, indien dat wordt toegewezen, ook het verzoek tot vaststelling van alimentatie en het verzoek tot veroordeling om met elkaar tot verdeling van het gemeenschappelijk vermogen over te gaan, naar Belgisch recht zullen worden beslist;

b. in die tussenbeschikking over het verdere procesverloop te beslissen als de rechtbank in goede justitie mag vermenen te behoren, tenzij het echtscheidingsverzoek reeds aanstonds wordt afgewezen;

III. primair en subsidiair de vrouw te veroordelen in de proceskosten.

2.3

De rechtbank acht zich bevoegd op het verzoek van de man in zake de door hem gestelde prealabele vragen alsook op het verzoek van de vrouw tot echtscheiding te beslissen.

De rechtbank grondt die bevoegdheid op het bepaalde in artikel 1, 3 en 4 van de per 1 maart 2004 in werking getreden Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van de Verordening (EG) 1347/2000, (verder: Verordening Brussel IIbis).

Nu partijen woonachtig zijn in [woonplaats], is de rechtbank ook relatief bevoegd van de ingestelde verzoeken kennis te nemen.

2.4

De vrouw heeft ondanks het feit dat zij en de man de Belgische nationaliteit bezitten gesteld dat haar verzoek tot echtscheiding moet worden beoordeeld naar Nederlands recht en in relatie daarmee aangevoerd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man betwist dat het verzoek naar Nederlands recht kan worden afgedaan. Nu hij en de vrouw de Belgische nationaliteit hebben, is volgens de man van ondergeschikt belang dat partijen in Nederland woonachtig zijn en moet het verzoek worden beoordeeld conform hetgeen daartoe in het Belgisch Burgerlijk Wetboek is bepaald.

Naar het oordeel van de rechtbank dient op grond hiervan allereerst te worden uitgemaakt welk nationaal recht op het echtscheidingsverzoek van de vrouw moet worden toegepast en dient dus eerst te worden beslist op het hierboven onder

2.2.3 sub II.a verwoorde verzoek van de man.

2.4.1

De vraag welk recht in het onderhavige geval moet worden toegepast dient, zoals door partijen is aangegeven beantwoord te worden naar de criteria die zijn gesteld in de WCE.

Beide partijen hebben dezelfde (effectieve) buitenlandse nationaliteit, zijnde de Belgische. In beginsel is dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 lid 1 aanhef sub a WCE het gemeenschappelijke nationale recht toepasselijk. Naar het oordeel van de rechtbank lijdt deze regel uitzondering indien voor beide partijen dan wel voor één van hen 'een werkelijke maatschappelijke band met het land van hun gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt'.

In het licht hiervan heeft de vrouw gesteld dat partijen in 1970 naar Nederland zijn verhuisd en sindsdien al 34 jaar in [woonplaats] hun woonplaats hebben gevestigd en dat partijen nooit meer van plan zijn geweest terug te keren naar België en dat dit laatste in elk geval voor de vrouw geldt, nu:

- de in [woonplaats] gelegen woning eigendom van partijen is;

- de vrouw een Nederlandse AOW-uitkering geniet en naar rato van de ontvangen alimentatie inkomstenbelasting in Nederland betaalt;

- uit het huwelijk met de man twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] uit de vrouw zijn geboren en de in België geboren [kind 1] inmiddels, evenals de in Nederland geboren [kind 2], de Nederlandse nationaliteit heeft;

- dat beide dochters in Nederland wonen en ook het uit [kind 2] geboren kleinkind de Nederlandse nationaliteit heeft;

- de moeder van de vrouw, die 86 jaar oud is en in België in een rusthuis woont, een enkele keer per jaar door de vrouw wordt bezocht en zij dan telkens een nacht blijft slapen bij een nog in België wonende broer met wie zij nog contact onderhoudt;

- alle vrienden van de vrouw in Nederland wonen.

Ten aanzien van de stellingen van de man dat de vrouw wel eens boodschappen in Lanaken doet en wel eens een Belgisch tijdschrift koopt alsook naar Belgische tv-programma's kijkt, kan volgens de vrouw niet worden afgeleid dat zij nog een sterke band met België zou hebben. De vrouw wijst in dat kader op het feit dat zulke handelingen ook door in Maastricht en de naaste omgeving van Maastricht wonende Nederlanders worden verricht en zulke handelingen dus niets van doen hebben met een sterke maatschappelijke band met België.

2.4.2

Op grond van het door de vrouw met betrekking tot de kennelijke verbondenheid met België ingenomen standpunt, oordeelt de rechtbank dat er in het onderhavige geval vanuit gegaan moet worden dat de vrouw zich meer 'thuis' voelt in Nederland dan in haar geboorteland. Dit nu in dit kader in de praktijk als vuistregel wordt gehanteerd dat wanneer iemand langer dan vijf jaar in Nederland verblijft en niet van plan is terug te keren naar zijn nationaliteitsland, deze persoon naar alle waarschijnlijkheid geen werkelijke band meer heeft met dat land. In dit kader gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw nog familie in België heeft, met name haar moeder, nu de rechtbank Amsterdam daartoe in haar uitspraak van 23 mei 1984, NIPR 1985,109 (waarin ook de effectiviteit van het aanknopingspunt nationaliteit aan de orde was) al heeft overwogen 'dat een familieband met één of meer in Frankrijk woonachtige personen op zichzelf onvoldoende is om te spreken van een werkelijke maatschappelijke band van eiseres met Frankrijk'. Het feit dat de vrouw in de onderhavige zaak erkend heeft dat zij haar moeder een aantal keren per jaar bezoekt doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Uit dit alles volgt dat de hierboven onder 2.2.3 sub I en sub II. a weergegeven verzoeken van de man afgewezen moeten worden en thans kan worden overgegaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw om tussen partijen (naar Nederlands recht) de echtscheiding uit te spreken.

2.5

De vrouw heeft aan haar verzoek tot echtscheiding ten grondslag gelegd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht.

De man heeft de duurzame ontwrichting van der partijen huwelijk betwist. De vrouw heeft na daarop te hebben gereageerd, gepersisteerd bij haar verzoek.

De vrouw heeft ter zake de duurzame ontwrichting van het huwelijk de man bij schrijven van haar procureur van 11 december 2003 medegedeeld dat het huwelijk van partijen toen al geruime tijd duurzaam ontwricht was. Nu de vrouw vervolgens per 17 maart 2005 het verzoek om de echtscheiding uit te spreken heeft ingediend en niet is gesteld of anderszins is gebleken dat, nadat de vrouw genoemd schrijven aan de man heeft gestuurd, de situatie is gewijzigd, staat de duurzame ontwrichting van der partijen huwelijk ten processe vast en moet het verzoek tot echtscheiding derhalve worden toegewezen.

2.6

De vrouw heeft ten laste van de man verzocht de toekenning van een uitkering tot haar levensonderhoud ten bedrage van ? 7.500,-- per maand.

De man heeft dit verzoek op zich niet betwist maar ter zake de hoogte van het verzochte bedrag gesteld dat nu volgens hem artikel 8 van het Haags Alimentatieverdrag derogeert aan de hoofdregels van de artikelen 4 tot en met 7 van dit verdrag, de alimentatiekwestie naar Belgisch recht moet worden afgedaan.

2.6.1

Geen van partijen heeft zich ten aanzien van het alimentatieverzoek van de vrouw uitgelaten omtrent de bevoegdheid van de rechtbank om op dit verzoek te kunnen beslissen.

De rechtbank merkt allereerst op dat de eerder genoemde Verordening Brussel IIbis (materieel) niet van toepassing is op alimentatiekwesties omdat dit onderwerp wordt bestreken door de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening of Brussel I-Verordening).

Nu het in de onderhavige procedure gaat om een nevenverzoek welk is verbonden met een vordering dan wel verzoek betreffende de staat van personen, bepaalt artikel 5 sub 2 van de EEX-Verordening dat het nevenverzoek tot alimentatie ook kan worden ingediend bij het gerecht dat volgens zijn eigen wet bevoegd is daarvan kennis te nemen, behalve in het geval dat deze bevoegdheid uitsluitend berust op de nationaliteit van één der partijen. Dit betekent dat de Nederlandse rechter ingevolge artikel 5 sub 2 EEX-Verordening steeds rechtsmacht toekomt ter zake het nevenverzoek tot alimentatie, indien hij krachtens de Brussel II-bis-verordening rechtsmacht ter zake de echtscheiding heeft. Nu dit hierboven reeds is vastgesteld, is de rechtbank bevoegd te beslissen op het alimentatieverzoek van de vrouw.

2.6.2

Met betrekking tot het op het alimentatieverzoek toe te passen recht overweegt de rechtbank als volgt:

Alimentatieverzoeken, respectievelijk verzoeken tot toekenning of wijziging van alimentatie ten behoeve van ex-echtgenoten worden, zoals door partijen, althans de man is aangegeven, beheerst door artikel 8 van het Haags Alimentatieverdrag 1973. Hieruit volgt dat, nu niet is gesteld of gebleken dat partijen betreffende de alimentatie een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij tevens een rechtskeuze op dit punt hebben gedaan, het recht dat op de echtscheiding werd casu quo wordt toegepast tevens het alimentatiestatuut vormt.

Dit houdt in dat de alimentatiekwestie in dit geding naar Nederlands recht moet worden beslist.

Nu de man in de procedure heeft gesteld dat eerst op de door hem prealabele vragen beslist moest worden en hij daarna gegevens in het geding zal brengen aan de hand waarvan zijn draagkracht kan worden vastgesteld, zal de rechtbank, mede gelet op het feit dat in zake de alimentatie voorlopige voorzieningen zijn getroffen, de alimentatiebeslissing aanhouden om de man in de gelegenheid te stellen de benodigde gegevens alsmede een toelichting daarop over te leggen en om de vrouw in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.

2.7

De vrouw heeft nog verzocht om partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot verdeling van datgene dat op grond van het tussen partijen destijds gesloten notariële huwelijkscontract en volgens het Belgische huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk kan worden geacht.

In zijn reactie op dit verzoek heeft de man gesteld dat ingeval de echtscheiding een feit wordt, dat de vermogensrechtelijke afwikkeling naar zijn mening, zoals door de vrouw aangegeven, naar Belgisch recht zal moeten worden beoordeeld.

2.7.1

Op grond van het feit dat beide partijen opteren voor Belgisch recht in zake de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding oordeelt de rechtbank dat daarvan in de onderhavige zaak kan worden uitgegaan, nu partijen voorafgaande aan hun huwelijk ten overstaan van een Belgische notaris een notarieel huwelijkscontract hebben gesloten. Het ligt immers voor de hand dat de notaris in dat contract heeft opgenomen dat Belgisch recht op het huwelijksgoederenregime van partijen van toepassing is en in geval dat niet expliciet in dat contract is verwoord er vanuit gegaan kan worden dat partijen zulks beoogd hebben, nu zij zich voor het opmaken van dit contract tot de Belgische notaris hebben gewend. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat partijen ter zake hun huwelijksgoederenregime een schriftelijke keuze hebben gemaakt en volgt uit dit alles verder dat de door de vrouw verzochte veroordeling tot verdeling van hetgeen volgens Belgisch recht gemeenschappelijk is, dient te worden toegewezen.

2.8

De beslissing op door de man verzochte kostenveroordeling houdt de rechtbank aan.

2.9

Nu de in deze beschikking neergelegde beslissingen deels eindbeslissingen zijn en deels als tussenbeslissingen kunnen worden aangemerkt, zal de rechtbank hoger beroep van deze beschikking toelaten.

3. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt uit tussen partijen, op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] (België) gehuwd, echtscheiding.

Veroordeelt partijen om met elkaar over te gaan tot verdeling van datgene wat op grond van het tussen partijen op [datum contract] gesloten notariële huwelijkscontract en volgens Belgisch huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk kan worden geacht.

Houdt in zake het bepalen van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw de beslissing aan en stelt te dien aanzien de man in de gelegenheid de daarvoor benodigde inkomensgegevens, te weten jaarinkomen over 2004 en 2005 alsmede drie recente afrekeningen betreffende zijn maandinkomsten, aan de rechtbank en de vrouw over te leggen alsmede hierbij tevens opgave te doen van zijn lasten die relevant zijn voor de vaststelling van zijn draagkracht.

Bepaalt dat de man deze gegevens binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking dient over te leggen.

Stelt de vrouw in de gelegenheid op deze gegevens haar visie aan de rechtbank en de man kenbaar te maken binnen een termijn van vier weken nadat de man zijn gegevens heeft overgelegd.

Verklaart deze beschikking behoudens de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad.

Laat hoger beroep toe van deze beschikking.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Casparie, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/WM