Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV8810

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
AWB 05/1762 GEMWT HEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 124 van de Gemeentewet in verband met gestelde taakverwaarlozing van de burgemeester van Maasbracht, afgewezen. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van structurele taakverwaarlozing en verweerder derhalve geen aanleiding ziet om artikel 124 van de Gemeentewet toe te passen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 124
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/163 met annotatie van J.L.W. Broeksteeg

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1762 GEMWT HEM

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[dhr en mw. A],

wonende te Maasbracht, eisers,

tegen

de Commissaris der Koningin in de Provincie Limburg,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 augustus 2005

Kenmerk: No. 2005/367222

Behandeling ter zitting: 28 maart 2006

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 2 augustus 2005 heeft verweerder het verzoek van eisers van 6 en 20 december 2004, om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 124 van de Gemeentewet in verband met gestelde taakverwaarlozing van de burgemeester van Maasbracht, afgewezen.

Tegen eerstgenoemd besluit hebben eisers op 12 september 2005 beroep ingesteld. Bij ongedateerde brief (ter griffie ingekomen: 14 oktober 2005) hebben eisers de gronden van het beroep ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in kopie aan eisers gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 maart 2006. Eisers zijn ter zitting in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden mw. mr. M.S. Dabekaussen en dhr. H.P.R. Spiertz.

2. Overwegingen

De feiten

Op 14 september 2004 hebben eisers, wonende aan de [adres], te Maasbracht, zich tot verweerder gewend in verband met de in deze straat ontstane parkeerproblematiek en het daarmee samenhangend niet adequaat optreden van de burgemeester.

Desgevraagd heeft de burgemeester bij brief van 14 oktober 2004 nadere inlichtingen verstrekt aan verweerder. Uit voornoemde brief is gebleken dat de problemen zich toespitsen op het parkeren in de [straat] en verleende uitwegvergunningen. Hierdoor zouden enkele bewoners van voornoemde straat met elkaar in onmin leven. De burgemeester heeft verscheidene keren aangeboden met alle betrokkenen een gesprek aan te gaan. De verleende uitwegvergunningen en het parkeren op eigen terrein zou mogelijk in strijd zijn met het vigerende bestemmingsplan en is om die reden besloten een procedure tot wijziging van de bestemming te starten.

Bij brief van 3 november 2004 heeft verweerder eisers meegedeeld dat hem uit de velen contacten met de gemeente Maasbracht en in het bijzonder de burgemeester, niet is gebleken dat wetten niet zouden worden nageleefd. Voorts heeft verweerder eisers in het kader van de bestemmingsplanprocedure gewezen op de mogelijkheid beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tenslotte heeft verweerder eisers geadviseerd om samen met de burgemeester en buurtbewoners te komen tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing.

Vervolgens hebben eisers zich bij brieven van 6 december en 20 december 2004 (wederom) tot verweerder gewend met het verzoek -kort samengevat- toepassing te geven aan artikel 124 van de Gemeentewet, in verband met gestelde taakverwaarlozing van de burgemeester van Maasbracht.

In de tussentijd heeft het kabinet van verweerder overleg gevoerd met de afdeling Ruimtelijke inrichting Noord van de provincie. Gebleken is dat de wijziging van het bestemmingsplan, met betrekking tot het parkeren op eigen terrein in de [straat], inmiddels is goedgekeurd.

Bij brief van 25 januari 2005 is door de burgemeester van Maasbracht aangegeven dat het gemeentebestuur alles in het werk stelt om de problematiek voor eenieder op een redelijke en aanvaardbare wijze op te lossen. Voorts heeft de burgemeester aangeboden te bemiddelen.

Bij besluit van 5 februari 2005 heeft verweerder besloten geen toepassing te geven aan artikel 124 van de Gemeentewet. Verweerder heeft daarbij overwogen dat voornoemd artikel slechts ziet op een algehele structurele verwaarlozing van een aan de burgemeester toebedeelde taak. Het verzoek van eisers richt zich enkel op de situatie met betrekking tot de parkeerproblematiek in de [straat] en er is geen sprake van een algehele structurele taakverwaarlozing met betrekking tot de handhaving van de openbare orde.

Voorts heeft verweerder eisers meegedeeld dat het verzoek van eisers om aandacht te besteden aan de handelwijze van de Provincie Limburg in onderhavige zaak, nog in behandeling is bij de provincie. Tenslotte heeft verweerder eisers nadrukkelijk geadviseerd, om wat betreft de parkeerproblematiek in de [straat], het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Maasbracht te aanvaarden.

Tegen dit besluit hebben eisers op 6 april 2005 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Aanvulling van gronden heeft plaatsgevonden bij brief van 2 mei 2005.

Eisers hebben zich, mede onder verwijzing naar een uitspraak van de Kantonrechter te Roermond van 9 december 2004, op het standpunt gesteld dat door de gemeente Maasbracht in de [straat] een illegale parkeersituatie wordt gecreëerd. Eisers hebben betoogd dat verweerder kennelijk tot een verkeerd oordeel is gekomen door geen toepassing te geven aan het bepaalde in de artikelen 124 en 125 van de Gemeentewet en artikel 132, vijfde lid, van de Grondwet.

Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om op 30 juni 2005 tijden de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften Provincie Limburg (hierna: de adviescommissie) te worden gehoord. Van dit horen is een verslag opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.

Deze adviescommissie heeft verweerder op 14 juli 2005 geadviseerd het bezwaarschrift ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren.

Het besluit

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies van voornoemde adviescommissie het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van structurele taakverwaarlozing en verweerder derhalve geen aanleiding ziet om artikel 124 van de Gemeentewet toe te passen.

Het beroep

Eisers kunnen zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep -zakelijk weergegeven- aangevoerd dat de vermeende illegale situatie ten aanzien van de parkeerproblematiek in de [straat] ook bij verweerder bekend is en desondanks weigert verweerder om handhavend op te treden. Eisers betogen dat verweerder de belangen niet zorgvuldig heeft afgewogen en niet op de inhoud van hun bezwaren is ingegaan. Het feit dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid van verweerder heeft volgens eisers tot gevolg dat voor de adviescommissie alle wind uit de zeilen wordt genomen om onderhavige zaak op zijn eigen merites te kunnen beoordelen.

Het verweer

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De beoordeling

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank stelt voorop dat in onderhavige procedure uitsluitend het besluit van verweerder om geen toepassing aan artikel 124 van de Gemeentewet toe te passen voorligt.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt:

“Wanneer het college van burgemeester en wethouders bij of krachtens een andere dan deze wet gevorderde beslissingen niet of niet naar behoren neemt, voorzien gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning daarin namens het college of de burgemeester en ten laste van de gemeente.”

In het tweede lid van voornoemd artikel is bepaald:

“Spoedeisende gevallen uitgezonderd, vindt het eerste lid geen toepassing dan nadat het college onderscheidenlijk de burgemeester in de gelegenheid is gesteld binnen een door gedeputeerde staten onderscheidenlijk door de commissaris gestelde termijn alsnog de bij of krachtens een ander dan deze wet gevorderde beslissingen te nemen.”

Voornoemd artikel is opgenomen in de paragraaf 3 van die wet, met als titel “Bijzondere voorzieningen”. Blijkens de wetsgeschiedenis van totstandkoming ziet dit artikel op situaties, waarin sprake is van taakverwaarlozing door een gemeentelijk bestuursorgaan. Op grond van artikel 124 van de Gemeentewet is alleen een voorziening mogelijk voor het geval bij of krachtens andere wetten medewerking door de burgemeester wordt gevorderd terwijl aan die vordering niet of niet naar behoren wordt voldaan. Meergenoemd artikel heeft dus uitsluitend betrekking op medebewindstaken.

Het bestreden besluit is door verweerder genomen in het kader van een hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft bij de toepassing van artikel 124 van de Gemeentewet beoordelingsruimte en de invulling daarvan behoort primair tot zijn verantwoordelijkheid. Het voorgaande brengt mee dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Verweerders besluit dient dezerzijds dan ook te worden gerespecteerd, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Eisers hebben zich bij brief van 20 december 2004 gericht tot verweerder en uitsluitend verzocht om op grond van artikel 124 van de Gemeentewet op te treden tegen de vermeende taakverwaarlozing door de burgemeester. Eisers hebben betoogd dat de burgemeester van Maasbracht jarenlang heeft geweigerd op te treden en door dit gedoogbeleid is een chronische verstoring van de openbare orde in de [straat] ontstaan. Voorts hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur een illegale parkeersituatie geeft gecreëerd en dat de burgemeester hieraan zijn medewerking heeft verleend.

De rechtbank merkt allereerst op dat haar ambtshalve bekend is dat het bestemmingsplan “Partiele thematische herziening verboden gebruik parkeren” onherroepelijk is geworden (uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 14 september 2005, gepubliceerd: www.rechtspraak.nl LJN: AU2623). Het vorenstaande impliceert dat de parkeersituatie in de [straat] conform de bestemmingsplanvoorschriften is en dat niet gezegd kan worden dat sprake is van een illegale situatie zoals door eisers is betoogd.

De overige in geding aangevoerde feiten hebben met name betrekking op de taak van de burgemeester op het terrein van de openbare orde. Zoals verweerder in zijn pleitnota terecht heeft opgemerkt, worden taken op het terrein van de openbare orde aan de burgemeester opgedragen op grond van de Gemeentewet en de Politiewet. Deze taken betreffen autonome taken en geen medebewindstaken. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit impliceert dat artikel 124 van de Gemeentewet derhalve niet van toepassing is op openbare orde en veiligheidsaspecten.

Op grond van de gedingstukken is de rechtbank voorts gebleken dat van de zijde van verweerder en de burgemeester van Maasbracht, veelvuldig contact is geweest met eisers.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de feiten niet is gebleken dat de burgemeester heeft nagelaten een krachtens medebewind gevorderd besluit te nemen. Evenmin is verweerder gebleken dat de burgemeester een dergelijk besluit niet naar behoren heeft genomen. Het is verweerder evenmin gebleken dat de burgemeester bij de uitvoering van bepaalde voorschriften van het Rijk of de Provincie is tekort geschoten, derhalve heeft verweerder geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 124 van de Gemeentewet.

Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot het thans bestreden besluit heeft kunnen komen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is artikel 124 van de Gemeentewet niet van toepassing op openbare orde en veiligheidsaspecten op grond van de Gemeentewet en Politiewet.

In hetgeen eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel is. Het beroep van eisers dient ongegrond te worden verklaard.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2006 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 6 april 2006

LJN: AV 8810

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onver-wijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.