Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV7756

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
208191 CV EXPL 05-3679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtsvermoeden ex 7:610b BW; peildatum en referteperiode

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 92
JAR 2006/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 208191 CV EXPL 05-3679

typ: PB

coll:

Vonnis d.d. 22 maart 2006

inzake:

[Naam eiser],

[Woonadres eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.J.E. Spee, advocaat te Schinnen,

tegen:

TÈNCE! UITZENDBUREAU B.V.,

gevestigd te Breda en (mede) kantoor houdende te 6211 AX Maastricht aan de Boschstraat 68,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.C. Boehmer.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol-gende proces-stukken gewisseld:

-exploot van dagvaarding d.d. 9 november 2005 met producties;

-conclusie van antwoord met producties;

-conclusie van repliek;

-conclusie van dupliek.

De inhoud van alle hiervoor genoemde stukken geldt als hier ingelast.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

2. MOTIVERING VAN DE BESLISSING

2.1 Ingaande 1 oktober 2000 is tussen [Naam eiser] als werknemer en Tence als werkgeefster een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen; [Naam eiser] is per die datum bij Tence in dienst getreden als verhuizer/bijrijder. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor Uitzendkrachten van toepassing. De overeengekomen arbeidsuur bedroeg 8 uur per week. Het salaris bedroeg laatstelijk € 9,64 bruto per uur, exclusief vakantietoeslag. [Naam eiser] heeft sedert zijn indiensttreding op een per week wisselend urenaantal gewerkt. Uit door Tence terzake overgelegde specificaties, die door [Naam eiser] niet zijn bestreden, blijkt dat het aantal weken waarop 8 uur is gewerkt zeer beperkt is; het urenaantal varieert van nul tot 41 per week. Na de eerste week van maart 2005 heeft [Naam eiser] geen werkzaamheden meer voor Tence verricht.

2.2 Met een beroep op het bepaalde in artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft [Naam eiser] betoogd dat hij recht heeft op een beloning van € 9,64 bruto per uur over 149 uur per maand. Dit aantal correspondeert volgens [Naam eiser] met het gemiddelde aantal door hem gewerkte periode over de laatste 6 maanden van het jaar 2004. Daarnaast heeft [Naam eiser] aangevoerd dat hij op enig moment, vanaf maart 2005, niet meer voor arbeid is opgeroepen terwijl hij zich wel steeds beschikbaar heeft gehouden om de bedongen werkzaamheden te verrichten. Hij maakt aanspraak op loon tot de datum waarop de dienstbetrekking tussen partijen rechtsgeldig beëindigd moet worden geacht.

2.3 Op grond hiervan vordert [Naam eiser] veroordeling van Tence, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, tot betaling aan hem van een bedrag van € 13.124,86, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata, althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, althans tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn.

2.4 Tence heeft tegen de vordering verweer gevoerd, welk verweer hierna weergegeven en besproken zal worden.

2.5.1 De eerste ter beoordeling voorliggende vraag betreft de omvang van de arbeids-overeenkomst. [Naam eiser] heeft daarover, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 7:610b BW, betoogd dat uitgegaan zal moeten worden van 149 uur per maand, welk aantal hij heeft berekend door het gemiddelde te nemen van de door hem in het tweede halfjaar van 2004 gewerkte uren. Tence heeft daartegenover gesteld dat dit artikel toepassing mist, omdat over de omvang van de arbeidsovereenkomst geen enkele onduidelijkheid bestond en deze geheel in overeenstemming met de bedoeling van partijen was. Die omvang is ook nooit ter discussie gesteld totdat [Naam eiser] maanden na de beëindiging van het dienstverband aan de bel trok. [Naam eiser] neemt bovendien een ruimere referteperiode dan in dat artikel wordt genoemd. Ook is het gekozen beginpunt van die periode onjuist en betrekt [Naam eiser] ten onrechte overuren in zijn berekening.

2.5.2 De door Tence in het geding gebrachte overzichten van de door [Naam eiser] sedert diens indiensttreding gewerkte uren maken naar het oordeel van de kantonrechter meer dan duidelijk dat artikel 7:610b BW hier van toepassing. Dit artikel bevat het (weerlegbare) rechtsvermoeden dat, indien een arbeidsovereenkomst ten minste 3 maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Het rechtsvermoeden beoogt houvast te bieden in situaties waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen, alsmede in situaties waarin de feitelijke omvang van de arbeid zich structureel op een hoger niveau bevindt dan de oorspronkelijk overeen-gekomen arbeidsduur. Als er in casu al sprake zou zijn van een overeengekomen arbeidsduur (het door partijen overgelegde arbeidscontract vermeldt uitsluitend in een bijlage dat [Naam eiser] voor 8 uur per week uitgezonden zal worden naar Pinxt Verhuizingen BV, maar limiteert dat urenaantal of het aantal inleners voor het overige niet), dan blijkt uit die overzichten in ieder geval van een situatie waarin de feitelijke omvang van de arbeid vermoed kan worden zich structureel op een hoger niveau te hebben bevonden dan de oorspronkelijk overeen-gekomen arbeidsduur.

2.5.3 Met betrekking tot de door [Naam eiser] gekozen peildatum merkt de kantonrechter op dat in de woorden "in enige maand" in artikel 7:610b BW ligt besloten dat de keuze voor een bepaalde datum vrij is (en bovendien in beginsel maandelijks kan worden herhaald).

Dit betekent dat [Naam eiser]'s keuze in deze gerespecteerd zal moeten worden.

2.5.4 Met de door [Naam eiser] gekozen referteperiode ligt dat echter anders. [Naam eiser] heeft, met een beroep op de wetsgeschiedenis, bepleit dat een referteperiode van zes maanden gehanteerd zou moeten worden. [Naam eiser] trekt echter onjuiste conclusies uit de door hem geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis. Die passage noemt een langere termijn dan drie maanden in verband met de weerlegging van het rechtsvermoeden en niet voor wat betreft de lengte van die periode. Als de wetgever een langere referteperiode mogelijk had willen maken, dan was die langere termijn –naar mag worden aangenomen– ongetwijfeld ook in de wetstekst terechtgekomen.

2.5.5 De laatste drie maanden van het jaar 2004 bedroeg het gemiddeld aantal door [Naam eiser] per week gewerkte uren 29,5. Dit aantal blijkt uit de door Tence overgelegde overzichten die, zoals aangegeven, door [Naam eiser] niet zijn bestreden. Controle door de kantonrechter leverde hetzelfde aantal op. Bij deze exercitie heeft Tence terecht de door partijen als over-uren aangemerkte uren buiten beschouwing gelaten. Het gemiddelde per maand over die drie maanden bedraagt (afgerond) 128 uren (29,5 maal 13 gedeeld door 3).

2.5.6 Het antwoord op de vraag of dit vermoeden weerlegd kan worden geacht luidt ontkennend. Tence heeft geen andere omstandigheden aangevoerd dan de hiervoor al besproken peildatum.

2.6.1 Of [Naam eiser] per 1 januari 2005 recht heeft op meer loon dan hem is uitbetaald is niet alleen afhankelijk van de hiervoor vastgestelde omvang van de arbeidsovereenkomst.

Tence heeft immers (ook) betoogd dat [Naam eiser] zich niet in die mate voor arbeid beschikbaar heeft gehouden.

2.6.2 Voor de periode na 8 maart 2005 en 15 april 2005 heeft Tence in dat verband nog aangevoerd dat [Naam eiser] per eerstgenoemde datum op eigen initiatief de arbeidsovereenkomst met Tence heeft opgezegd (en dat door haar in die opzegging is berust) en dat [Naam eiser] per de laatst genoemde datum als account manager in dienst is getreden bij Paréa BV te Maastricht.

2.6.3 [Naam eiser] heeft betwist dat hem meer arbeid is aangeboden dan voor de door hem gewerkte uren; na begin maart 2005 is hij in het geheel niet meer opgeroepen. Van een beëindiging van de arbeidsverhouding door hem is geen sprake. Zijn indiensttreding bij Paréa heeft onverlet gelaten dat hij zich beschikbaar heeft gehouden en nog houdt gedurende minimaal 8 uren per week arbeid in opdracht van Tence te verrichten.

2.7.1 Het enkele in dienst treden elders doet een arbeidsovereenkomst niet eindigen. Het door Tence weergegeven feitencomplex, waaronder een telefonische mededeling van [Naam eiser] waarmee deze heeft aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen opzeggen, zou wel tot de conclusie kunnen leiden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd.

Het is aan Tence haar stellingen terzake te bewijzen.

2.7.2 Een redelijke bewijslastverdeling brengt voorts met zich mee dat Tence zal dienen te bewijzen dat zij [Naam eiser] in de maanden januari tot en met maart 2005 méér uren heeft aangeboden dan waarop door deze is gewerkt en dat [Naam eiser] aan dat aanbod geen gevolg heeft gegeven.

2.7.3 Voor de periode na 15 april 2005 zal [Naam eiser], afhankelijk van de uitkomst van de bewijsvoering met betrekking tot de beweerde beëindiging van het dienstverband, dienen te bewijzen dat hij zich reëel beschikbaar heeft gesteld om minimaal 8 uren per week arbeid in opdracht van Tence te verrichten. Vanwege de (waarschijnlijk) beperkte kring van potentiële getuigen aan de zijde van partijen, zal deze bewijsopdracht reeds nu gegeven worden, zodat beide opdrachten in een en hetzelfde getuigenverhoor aan de orde kunnen komen.

3. BESLISSING

Laat Tence toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen:

- dat [Naam eiser] op of omstreeks 8 maart 2005 telefonisch heeft aangegeven de arbeids-overeenkomst te willen opzeggen;

- dat zij [Naam eiser] in de maanden januari tot en met maart 2005 méér uren heeft aangeboden dan waarop door deze is gewerkt en dat [Naam eiser] aan dat aanbod geen gevolg heeft gegeven;

laat [Naam eiser] toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen:

- dat hij zich na 15 april 2005 reëel beschikbaar heeft gesteld om minimaal 8 uren per week arbeid in opdracht van Tence te verrichten;

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als zal worden bepaald, nadat partijen bij akte hebben opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak –peremptoir– naar de rol van 19 april 2006 voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van beide partijen, alsmede voor akte houdende verhinderdata aan de zijde van beide partijen in de eerste twee maanden vanaf de datum van opgave;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.M. Bruijnzeels, kantonrechter, en op 22 maart 2006 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.