Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV7083

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-03-2006
Datum publicatie
27-03-2006
Zaaknummer
03-700576-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na het wijzen van een tussenvonnis zijn er door de officier van justitie stukken aan het dossier toegevoegd, inhoudende een aantal wettelijke bepalingen of daarvan afgeleide regelingen.

In de onderhavige zaak heeft de korpschef opdracht gegeven tot doorzoeking en controle van meegenomen en aangereikte goederen op verboden goederen en/of middelen bij aangehouden verdachten. De rechtbank heeft uit geen van de ter terechtzitting genoemde wettelijke bepalingen noch in de daarvan afgeleide regelingen de bevoegdheid van de korpschef tot het geven van een dergelijke opdracht kunnen afleiden. De opdracht is derhalve onbevoegd gegeven en het onderzoek was onrechtmatig, hetgeen leidt tot bewijsuitsluiting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 132
NBSTRAF 2006/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700576-05

Datum uitspraak: 15 maart 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 maart 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en plaats verdachte],

wonende te [woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Limburg Zuid, lokatie Huis van Bewaring “Overmaze” te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 augustus 2005 in de gemeente Maastricht, althans in het arrondissement Maastricht, opzettelijk (in z'n rugzak) heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 622 gram (254 gram + 252 gram + 116 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het tussenvonnis

Op 14 december 2005 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenvonnis gewezen, aangezien tijdens de beraadslaging was gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig was geweest.

Bij de rechtbank was tijdens de beraadslagingen een aantal vragen gerezen, zoals verwoord in dat tussenvonnis en de antwoorden op die vragen achtte de rechtbank van belang voor een beoordeling van de rechtmatigheid van het onderzoek naar de inhoud van de door de verdachte ten tijde van diens aanhouding op 24 augustus 2005 meegevoerde tas.

De rechtbank heeft daarop de stukken gesteld in handen van de officier van justitie, teneinde deze in de gelegenheid te stellen een nader onderzoek te doen verrichten naar de feitelijke toedracht rond de insluiting van de verdachte op 24 augustus 2005.

Door de officier van justitie zijn de op grond van het door hem ingestelde onderzoek verkregen stukken aan het dossier toegevoegd.

De standpunten van de officier van justitie en van de verdachte en diens raadsman

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat er tot het onderzoek in de door de verdachte meegevoerde tas geen bevoegdheid is. De officier van justitie heeft op die grond de toepassing van artikel 359a, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering bepleit. De officier van justitie heeft bepleit de aan de verdachte op te leggen straf te verminderen met twee maanden en in die zin heeft de officier van justitie zijn eis, geformuleerd ter terechtzitting van 30 november 2005, ter terechtzitting van 8 maart 2006 aangepast.

Namens de verdachte is door zijn raadsman aangevoerd dat het bewijs, voor zover als resultaat van het onderzoek van de inhoud van deze tas, op onrechtmatige wijze is verkregen en dus bij de beoordeling van de vraag of het ten laste gelegde door de verdachte is begaan buiten beschouwing dient te blijven. Bij gebreke van ander bewijs is door de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde

Het oordeel van de rechtbank

De verdachte werd op 24 augustus 2005 aangehouden, nadat aan ambtenaren van politie was gebleken dat zijn opsporing was verzocht voor de tenuitvoerlegging van drie vonnissen, waaronder een strafvonnis waarbij aan de verdachte een tijdelijke gevangenisstraf is opgelegd. Deze aanhouding en daarop gevolgde ophouding in het bureau van politie te Maastricht vond dus plaats in het kader van de tenuitvoerlegging van die strafvonnissen en mocht dus krachtens het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering alleen plaats hebben op de wijze als bij de wet voorzien.

Klaarblijkelijk voorziet het als bijlage bij het Huishoudelijk reglement arrestantencomplexen regiopolitie Limburg-Zuid (dossierversie ongedateerd) gevoegde “Intakeprotocol” in een opdracht tot doorzoeking en controle van meegenomen en aangereikte goederen: deze dienen grondig te worden doorzocht of gecontroleerd op verboden goederen of middelen.

Het bedoelde huishoudelijk reglement is gegeven door de korpschef, zodat de rechtbank tot de conclusie komt dat de opdracht tot het onderzoek naar de inhoud van deze tas werd gegeven door deze korpschef.

Het bedoelde huishoudelijk reglement geeft in hoofde daarvan aan dat het gegeven is op grond van de Arrestantenregeling van de politie regio Limburg-Zuid, welke niet aan de rechtbank werd overgelegd, en een aanvulling is op een aantal wettelijke voorschriften en daarvan afgeleide regelingen.

De rechtbank heeft uit geen van genoemde wettelijke bepalingen of in de daarvan afgeleide regelingen de bevoegdheid van de korpschef tot het geven van de voormelde opdracht kunnen afleiden. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de verdachte en diens raadsman van oordeel dat deze opdracht tot een onderzoek van de inhoud van deze tas onbevoegd werd gegeven, zodat het onderzoek onrechtmatig is geweest.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek naar de inhoud van de tas geen voorbereidend onderzoek betreft als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zodat de daar omschreven sancties hier geen toepassing kunnen vinden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat in deze onbevoegd werd opgetreden door een ambtenaar van politie, het optreden een onbevoegde schending oplevert van het recht op privacy van de verdachte en dat zonder dat onrechtmatig optreden er geen enkel bewijs van het begaan door de verdachte van het ten laste gelegde zou zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden alleen uitsluiting van het bewijs als sanctie in aanmerking komt, hetgeen met zich brengt dat het ten laste gelegde niet is bewezen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Het beslag

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het misdrijf waarvoor de verdachte is vervolgd, zijn de in de beslissing als zodanig te noemen voorwerpen in beslag genomen. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Deze voorwerpen zullen, mede gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet, aan het verkeer worden onttrokken.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 13a van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene:

2005111743 5. 0.50 gram weed, half opgerookte joint, en

2005111743 6. 0.40 gram weed, 1 zakje weed, kleur groen;

- gelast de teruggave van het inbeslaggenomene:

rabo 234 7. Nederlands geld, 10 biljetten van 20 Euro;

rabo 234 11. Nederlands geld, 6 biljetten van 20 Euro,

20300093396 8. 1 GSM, kleur blauw, merk Nokia type 3220,

20300093396 9. 1 GSM, kleur zilver, merk Nokia, type 6100,

aan degene bij wie het in beslag is genomen, te weten: [naam verdachte], voornoemd;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Van Maanen Winters, voorzitter, mr. Vluggen en

mr. Van den Berg, rechters, in tegenwoordigheid van Wouters-Debougnoux, griffier, en – bij vervroeging - uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2006.